ak2 Flashcards

(64 cards)

1
Q

at is het verschil tussen een hogedrukgebied en een lagedrukgebied?

A

In een hogedrukgebied zitten veel luchtdrukdeeltjes dicht op elkaar en in een lagedrukgebied zitten minder luchtdrukdeeltjes op elkaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Waarom gaan luchtdeeltjes niet in een rechte lijn naar een lagedrukgebied?

A

Door de draaiing van de aarde

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

In welke richting draait de wind rond een lagedrukgebied op het noordelijk halfrond?

A

tegen de klok in.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat wordt bedoeld met aanlandige wind?

A

wind die van zee naar land waait.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Waarom heeft de zee een matigende invloed op de temperatuur in kustgebieden?

A

Omdat water langzamer opwarmt en afkoelt dan land

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is een zeestroom

A

als grote hoeveelheden water zich verplaatsen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Waarom zijn de temperatuurverschillen tussen zomer en winter groter verder landinwaarts dan aan de kust?

A

Omdat land sneller opwarmt en afkoelt dan zee

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Welke drie luchtstreken zijn er op aarde

A

tropisch
gematigd
polaire

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Waarom is het in de tropische luchtstreek warmer dan in de polaire luchtstreek?

A

de zonnenstralen vallen daar recht op

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Waarom is het rond de evenaar warmer dan bij de polen?

A
  1. doordat de invalshoek van de zonnestralen rond de evenaar groter is.
  2. zonnestralen die schuin op de aarde vallen leggen een lange weg af en verliezen daardoor veel energie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Waarom komen natte zones vooral voor rond de evenaar en rond de 60° breedtegraad?

A

Omdat daar lucht stijgt, afkoelt en condenseert,

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Tussen welke breedtegraden liggen de meeste droge zones op aarde?

A

Tussen ongeveer 20° en 30°

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Waarom liggen veel woestijnen in de droge zones rond 20°–30° breedtegraad?

A

Omdat daar de lucht droog blijft

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat wordt bedoeld met een front in de meteorologie?

A

Een front is de grens tussen warme lucht en koude lucht.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Waarom stijgt warme lucht over koude lucht bij frontale neerslag?

A

Warme lucht is lichter dan koude lucht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waarom komt frontale neerslag vaak voor in Nederland?

A

Omdat Nederland in de gematigde luchtstreek ligt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat gebeurt er met vochtige lucht wanneer deze tegen een berg opstijgt?

A

er onstaat neerslag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is het verschil tussen de loefzijde en de lijzijde van een berg?

A

loefzijde is de kant van de berg war de wind vandaan komt en waar de wolken hun neerslag laten vallen de lijzijde is de droge kant van de berg waar er nauwelijks neerslag valt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wie was Vladimir Köppen en wat heeft hij gedaan?

A

hij was een wetenschapper die de wereld indeelde in klimaatgroepen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

In hoeveel klimaatgroepen verdeelde Köppen de aarde en hoe heten ze?

A

Hij verdeelde de aarde in vijf klimaatgroepen: A, B, C, D en E.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Welke twee factoren gebruik je om de meeste klimaatgroepen te bepalen?

A

De meeste klimaatgroepen worden bepaald door de gemiddelde temperatuur van de warmste en koudste maand.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Welke klimaatgroep wordt niet bepaald door temperatuur maar door neerslag?

A

Het B-klimaat.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wat wordt bedoeld met vegetatie en waarom is die belangrijk bij klimaten?

A

Vegetatie is de plantengroei in een gebied aan de vegetatie kun je vaak zien welk klimaat er heerst.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Wat betekenen de letters s, w en f in het klimaatsysteem van Köppen?

A

s = droge zomer, w = droge winter, f = geen droge periode.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Wat zijn de belangrijkste kenmerken van het A-klimaat (tropisch klimaat)?
Het A-klimaat is warm en nat de gemiddelde temperatuur is het hele jaar hoger dan 18 °C.
26
Wat is het verschil tussen het BW-klimaat en het BS-klimaat?
BW-klimaat = woestijnklimaat met zeer weinig neerslag;BS-klimaat = steppeklimaat met iets meer neerslag en grasgroei.
27
Wat is het verschil tussen een C-klimaat (zeeklimaat) en een D-klimaat (landklimaat)?
C-klimaat heeft zachte winters door invloed van de zee;D-klimaat heeft hete zomers en koude winters en ligt verder van zee.
28
Welke soorten E-klimaten zijn er en waarin verschillen ze van elkaar?
De E-klimaten zijn ET, EF en EH ze verschillen in temperatuur en hoeveelheid vegetatie.
29
Wat is een klimaatgrafiek en wat laat deze zien?
Een klimaatgrafiek laat de gemiddelde temperatuur en gemiddelde neerslag per maand van een plaats zien.
30
Over hoeveel jaar zijn de gegevens in een klimaatgrafiek gemiddeld berekend?
De gegevens zijn gemiddelden over minimaal 30 jaar.
31
Welke twee soorten gegevens staan altijd in een klimaatgrafiek?
De twee gegevens zijn temperatuur en neerslag.
32
Waarvoor worden weerstations gebruikt bij klimaatgrafieken?
Weerstations meten en verzamelen de gegevens voor temperatuur en neerslag.
33
Wat geven de blauwe staven in een klimaatgrafiek weer?
De blauwe staven geven de hoeveelheid neerslag per maand weer.
34
Wat laat de rode lijn in een klimaatgrafiek zien?
De rode lijn laat de gemiddelde temperatuur per maand zien.
35
Aan welke as lees je meestal de neerslag af en aan welke as de temperatuur?
De neerslag lees je meestal af op de linker verticale as en de temperatuur op de rechter verticale as.
36
Hoe kun je met een klimaatgrafiek bepalen of een plaats op het noordelijk of zuidelijk halfrond ligt?
Als de warmste maanden in december, januari en februari liggen, ligt de plaats op het zuidelijk halfrond.zo niet de noordelijke halfrond.
37
Welke vier onderdelen moet een goede kaart altijd hebben?
De vier onderdelen zijn: titel, noordpijl, legenda en schaal.
38
Waarom zijn kaarten belangrijk bij aardrijkskunde?
Kaarten zijn belangrijk omdat je er informatie over een gebied mee kunt verkrijgen en je er de weg mee kunt vinden.
39
Wat geeft de titel van een kaart aan?
De titel geeft aan welk gebied de kaart laat zien en waar de kaart over gaat.
40
Wat is het verschil tussen een overzichtskaart en een thematische kaart?
Een overzichtskaart geeft een algemeen beeld van een gebied; een thematische kaart laat één specifiek onderwerp zien.
41
Wanneer is een noordpijl nodig op een kaart?
Een noordpijl is nodig als de bovenkant van de kaart niet het noorden is.
42
Wat is een windroos en waarvoor wordt die gebruikt?
Een windroos geeft de windstreken aan
43
Wat kun je vinden in de legenda van een kaart?
In de legenda staat de betekenis van kleuren, symbolen en lijnen op de kaart.
44
Wat wordt bedoeld met de schaal van een kaart?
De schaal geeft aan hoeveel de werkelijkheid is verkleind.
45
Wat betekent een schaal van 1 : 100.000?
Een schaal van 1 : 100.000 betekent dat 1 cm op de kaart 100.000 cm in werkelijkheid is
46
Wat is een schaalstok en waarvoor gebruik je die?
Een schaalstok is een maatbalkje op de kaart waarmee je afstanden snel kunt schatten of berekenen.
47
wat is het verschil tussen weer en klimaat
weer is de toestand van de atmosfeer op een bepaalde momemt op een bepaalde plaats en klimaat is het gemidelde weer in een groot gebied over een perdiode van 30 jaar
48
noem de belangrijkste kenmerken van het weer
de tempratuur de neerslag en de wind
49
beschrijf hoe dag en nacht ontstaan
Dag is waar de zon schijnt, nacht is waar dat niet zo is.De aarde draait in 24 uur om haar as, van west naar oost. Daardoor komt de zon op in het oosten en gaat onder in het westen.
50
beschrijf hoe de seizoenen ontstaan
De aardas staat schuin ten opzichte van de baan die de aarde rond de zon maakt. De afwijking is een hoek van ongeveer 23,5°. Hierdoor krijgt een plaats op aarde niet het hele jaar door dezelfde hoeveelheid zonnestralen. Zo ontstaan de seizoenen.
51
wat is de atmosfeer
de laag gassen om de aarde
52
wat zijn keerkringen
de breedtecirkels op 23,5 graden
53
wat gebeurt er op 21 juni op de kreeftskeerkring
dan gaat de zon niet onder op de noordelijke poolcirker
54
wat gebeurt er rond 21 december
de zon staat recht boven de steenbokskeerkkring en op de zuildelijke poolcirkel gaat de zon niet onder
55
welke invloed heeft de hoogte op de tempratuur
De temperatuur daalt ongeveer 6 graden per 1000 meter, omdat de zon de lucht niet direct verwarmt. De zon verwarmt eerst het aardoppervlak, dat daarna warmte uitstraalt en zo de lucht verwarmt.
56
wat is het broeikaseffect
in de atmosfeer zit co2 deze laat een deel van de zonnestralen door, maar hout de warmte vast die de aarde uitstraalt
57
Wat wordt bedoeld met aanlandige wind?
wind die van zee naar land waait.
58
hoe onstaat neerslag
neerslag ontstaat doordat waterdamp opstijgt en condenceert
59
wat is waterdamp
water dat verdampt is
60
wat is codensatie
gas verandert in vloeistof
61
weke vormen van neerslag zijn er
stijgingsneerslag,stuwingsneerslag,vrontaleneerslag
62
wat is de formule om celcius naar fahrenheit om te zetten
(aantal celcius x 1,8 plus 32)
63
wat is de formule om fahrenheit naar celcius te overbrengen
(aantal graden fahrenheit -32 ):1,8
64
blz 131 en 132 en 133 maken