bio2 Flashcards

(70 cards)

1
Q

leg uit waar in je lichaam de belangrijkste organen zitten

A

hersenen hart huid en lever

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

leg uit dat andere organismen andere organen en orgaanstelsels kunnen hebben dan de mens

A

bijv de maag bij een koe bestaat uit 4 delen en bij de mens maar 1.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

leg uit hoe je een dwars-en een lengtedoorsnede maakt van een orgaan of organisme

A

bij een lengtedoorsnede snij je een organisme of voorwerp door de lengte door.bij een dwarsdoorsnede snij je een organisme of voorwerp dwars door

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

wat is een orgaan

A

een orgaan is een deel van een lichaam met een eigen functie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

wat is een orgaanstelsel

A

een groep organen die samenwerken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

geef een voorbeeld van een orgaanstelsel

A

spijsverteringstelsel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

wat is een weefsel

A

een groep cellen die er het zelfde uit zien en het zelfde functie hebben

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

noem voorbeelden van weefsels en hun functies

A

bijv: spieren laten je botten bewegen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

wat is een cel

A

de kleinst mogelijk levende eenheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

wat zjjn tussencelstoffen

A

stoffen die tussen cellen zitten en bijdragen aan de vorm en functie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

hoe planten cellen zich voort

A

ze delen zichzelf

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

hoe heet het donkere kleurstof die huidcellen maken om het huid te beschermen van zonlicht

A

melanine

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

benoem de delen van een dierlijke cel

A

Celmembraan,Cytoplasma,Celkern,Mitochondiriën

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

vergelijk de organellen in een dierlijke cel en een plantencel

A

een plantelijke cel heeft 3 extra organellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

leg uit wat de verschillen zijn tussen een natuurgetrouwe tekening en een schematische tekening.

A

Een natuurgetrouwe tekening laat alle details zien zoals in het preparaat.
Een schematische tekening toont alleen de hoofdlijnen,details zijn niet belangrijk.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

wat is een bladgroenkorrel

A

een organnel die aleen voorkomt in plantelijke cellen voorkomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

wat zijn plastides

A

Organellen die van functie en vorm kunnen veranderen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

wat is een celwand

A

De celwand ligt om de cel heen en geeft de plantencel veel stevigheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

waarin zit DNA

A

de celkern

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

wat doet DNA

A

DNA is het drager van erfelijke informatie in de celkern die bepaalt welke kenmerken een organisme heeft en kan doorgeven aan de volgende informatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

met wat voor soort microscoop kan je DNA zien

A

met een elektronenmicroscoop

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

wat is een chromosoon

A

opgerold DNA in de celkern

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

leg de functie van de celkern uit

A

De celkern regelt wat de cel doet en wanneer.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Wat is een levenscyclus?

A

De levenscyclus is de reeks fasen die een organisme doorloopt van geboorte tot dood.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Wat is celdeling?
waneer een cel zich in tweeën splitst
26
Waarom is celdeling belangrijk voor een organisme?
omdat daardoor een organisme groeit
27
Hoe heet de gewone celdeling waarbij twee gelijke cellen ontstaan?
Mitose
28
Wat gebeurt er eerst met het DNA vóórdat een cel zich deelt?
Het DNA wordt verdubbeld.
29
Wat zijn dochtercellen?
pasgemaakte- cellen
30
Wat betekent geslachtelijke voortplanting?
Voortplanting waarbij een eicel en een zaadcel nodig zijn.
31
Welke twee geslachtscellen zijn hierbij betrokken?
Een eicel en een zaadcel.
32
Van wie krijgt het nageslacht erfelijke informatie bij geslachtelijke voortplanting?
Van beide ouders.
33
Wat betekent ongeslachtelijke voortplanting?
Voortplanting waarbij maar één ouder nodig is.
34
Hoeveel ouders zijn nodig bij ongeslachtelijke voortplanting?
1 ouder
35
Waarom zijn nakomelingen bij ongeslachtelijke voortplanting genetisch hetzelfde?
Omdat er geen versmelting van geslachtscellen is.
36
Wat is differentiatie?
Het proces waarbij cellen verschillende functies krijgen.
37
Waarom krijgen cellen verschillende functies?
Omdat ze zich specialiseren om bepaalde taken uit te voeren.
38
Wanneer ontstaat er een nieuw individu?
Na groei en differentiatie.
39
leg uit hoe eencellige organismen zich ongeslachtelijk voortplanten.
door celdeling
40
Wat zijn micro-organismen?
Zeer kleine organismen die je niet met het blote oog kunt zien.
41
Noem soorten eencellige organismen.
Bacteriën schimmels
42
Waarom zijn bacteriën in je darmen belangrijk?
Ze helpen bij het verteren van voedsel.
43
Wat is de rol van algen in de natuur?
Ze maken zuurstof en vormen voedsel voor andere organismen.
44
Waarom worden bacteriën ‘opruimers van de natuur’ genoemd?
ze zetten dode lichamen om in voedzame stoffen
45
Hoe planten eencellige organismen zich voort?
Ongeslachtelijk door celdeling.
46
Waarom wordt melk buiten de koelkast snel zuur?
Omdat bacteriën zich bij kamertemperatuur snel delen.
47
Waarom blijft voedsel langer goed in de koelkast?
Omdat bacteriën zich bij lage temperatuur langzamer delen.
48
Wat is een virus?
Een ziekteverwekker die geen organisme is.
49
Waarom is een virus geen organisme?
Het vertoont niet alle levenskenmerken.
50
Waar kan een virus zich alleen vermeerderen?
In een levende cel.
51
Hoe komt een virus je lichaam binnen?
Door inademen of inslikken.
52
Wat gebeurt er als een virus een cel binnendringt?
Het dwingt de cel om nieuwe virussen te maken.
53
Wat gebeurt er met de besmette cel?
De cel gaat dood.
54
Wat is een virusbesmetting?
Het snel verspreiden van virussen door het lichaam.
55
Noem twee ziekteverschijnselen van virusinfecties.
Koorts, hoesten
56
Wat veroorzaakt het herpesvirus?
Een koortslip.
57
Waarom kunnen virussen soms gevaarlijker worden?
Door veranderingen in hun erfelijk materiaal.
58
Wat betekent micrometer
0,001 millimeter.
59
Wat betekent nanomete
0,001 micrometer.
60
Waarom heb je een microscoop nodig om eencelligen te zien?
Ze zijn te klein voor het blote oog.
61
waarom hebben sponzen geen weefsels
omdat de cellen met de zelfde taak niet samenwerken bij sponzen daardoor vormen ze geen weefsel
62
welke organellen hebben dierlijke cellen altijd
celkern en mitochondriën cyptoplasma celmemdraam
63
wat is de functie van vacuole
een blaasje gevuld met water hierin zitten vooraadstoffen opgelost
64
wat is de functie van bladgroenkorrels
het geeft het organisme(vaak plant) een groene kleur
65
wat zijn de verschillen tussen een dierlijke en een plantelijke cel
plantencellen hebben als extra vacuolen bladgroenkorrels en zijn omgeven door een celwand
66
wat is een preparaat
de stuk glas bij een microscoop waar je het object of organisme op legt
67
68
69
70