bvd Flashcards

(149 cards)

1
Q

thalamus geheugen functie

A

filtert welke info belangrijk genoeg is om door te geven aan sensorisch auditieve of visuele cortex

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Hierarchie in gedragssystemen

A

het ene gedragssysteem is belangrijker dan een ander gedragssysteem. Zelfverzorgend gedrag staat erg laag.
Inhibitie van een gedragssysteem ⇒ het remmen van een gedragssysteem omdat een andere op dat moment belangrijker is.
2 gedragssystemen houden elkaar in evenwicht → conflictgedrag:

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

wat reguleert alertheid en slaap

A

formatio reticularis, in middenhersenen en pons

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

erytrocyten

A

rode bloedcellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

witte stof

A

gemyeliniseerde axonen, rand ruggenmerg, binnenkant hersnene

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

grijze stof

A

cellichamen neutonen + hun dendrieten + hun glia cellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

PO2 op zeeniveau

A

PO2 = 21/100 * 760 = 160 mm Hg

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

papillairspieren

A

spiertjes aan de chordae tendinae te versterken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Metabotroop

A

langzamer, G-eiwit gekoppeld, amplificatie door second messengers.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke pleura zijn er en wat is hun functie

A

Parietale pleura zit vast aan borstholte en diafragma
Viscerale pleura zit vast aan long
functie = dat long meegaat met beweging borst enz

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

tunica media

A

→ gladde spiercellen (dikker in musculaire arteriën)
→ bindweefsel met elastische vezels (vooral in elastische arteriën), collageenvezels, proteoglycanen
→ in venen is vooral tunica media dunner dan in arteriën en minder gladde spiercellen en geen elastische vezels
→ in grote arteriën tussen tunica media en tunica adventitia n elastisch lamina ⇒ lamina elastica externa

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

mechanoreceptoren

A

beweging, geluid of drukverschillen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

stress

A

verstoorde homeostase

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

staafjes en kegeltjes

A

staafjes donker en licht
kegeltjes kleur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Hoe verschillen kikker en mens qua ademhaling

A

kikker positieve druk ademhaling, mens negatief

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

longslagader

A

arteria pulmonalis (dextra, sinistra)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Welzijn aangetast als:

A

dier niet via coping gedrag van de stress kan ontkomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

rechts

A

dextra

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

motivatie

A

interne conditie ⇒ wisselende bereidheid om een bepaald gedrag te vertonen → bepaalt of we reageren op prikkel of niet. Verklaren aan de hand van normwaardemodel ⇒ doel: homeostase bereiken → als actuele waarde afwijkt van streefwaarde → fysiologische reactie of coping gedrag ⇒ gedrag dat je laat zien om het verschil tussen actuele waarde en streefwaarde te verkleinen bij drempelwaarde.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Stereotiep gedrag

A

abnormaal gedrag → past niet in natuurlijke gedragsrepertoir, het is een vorm van coping gedrag, omdat ze natuurlijk gedrag in onvoldoende mate kunnen uitvoeren. Er komt endorfine bij vrij, waardoor het dier zich prettiger voelt. Het zorgt voor blijvende hersenveranderingen, waardoor stereotiep gedrag niet meer verdwijnt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Respiratoir distress syndroom

A

te vroeg geboren baby’s kunnen nog geen long surfactant te maken waardoor de alveoli dichtklappen → zodra alveolaire celtype II gevormd, maakt die wel ls.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

primaire lymfoide organen

A

organen waar immuuncellen worden gevormd of rijpen → beenmerg en thymus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

sensorische transductie

A

omzetting van stimulus in potentiaalverschil.
sensorische receptie ⇒ detectie van een stimulus door sensorische receptor → reageert → verandert membraanpotentiaal door het openen/sluiten van ionkanalen ⇒ receptorpotentiaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

ademfrequentie

A

.. /min

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
antilichamen
plasmacellen en b cellen maken ze. antilichaam is proteine. antilichamen bestaan uit een zware en een lichte keten → beide delen hebben variabel deel waarmee ze specifieke antigenen herkennen. 5
26
wat zorgt voor circadiane ritme
suprachiasmatische kern -> kern van neuronen in hypothalamus
27
TV
tidal volume -> normale ademhaling
28
MHC II
komt voor op alle antigen-presenterende cellen, zoals macrofagen, dendritische cellen en ook B-lymfocyten, geactiveerde T-cellen en cellen in de thymus.
29
tunica adventitia
→ laag los bindweefsel → laag elastisch bindweefsel → grote venen longitudinaal georienteerde gladde speircellen → bij grote bloedvaten soms longitudinale bloedvaten ⇒ vasa vasorum
30
ontwikkeling menselijk brein
eerst symmetrische neuraalbuis → 3 blaasjes te onderscheiden → voorhersenen, middenhersenen en ruithersenen. de eerste 2 daarvan vormen elk nog 2 blaasjes
31
wat is de rol centrale en perifere chemoreceptors op bloed homeostase
centrale zitten bij pons bij de bloed-brein barriere, ze meten H+ (daarmee indirect ook PCO2) het bloedvat diffundeert dingen in CSF -> chemoreceptoren in medulla seinen naar ademhalingscentra die de ademhalingsspieren aansturen Perifere: in hals en aorta -> meten PCO2, pH, PO2
32
Emfyseem
vocht in longen -> longen minder elastisch --> RV hoger
33
hoe werkt negatieve druk ademhaling mens
lucht door neusholte of mond langs epiglottis door trachea (kraakbeenring) → bronchie (kraakbeenring) → bronchiole → alveoli Om de longen zitten vliezen om ze aan borstholte en diafragma vast te maken
34
laterale inhibitie
neuronen rondom meest gestimuleerde neuron inhiberen voor scherper beeld
35
36
alveolar type II cel
verfdruppelvorm, maakt long surfactant
37
de 5 vormen van conflictgedrag
→ Compromisgedrag/ambivalent ⇒ beide gedragssystemen deels tot uiting → Intentiebeweging ⇒ 1 gedragssysteem komt deels tot uitdrukking → eerste onvolledige aanzet tot een gedragspatroon → Overspronggedrag ⇒ vluchten of vechten → gedrag van veel lagere rang in hiërarchie uiten, iets wat helemaal niet in die context thuishoort. → Redirectie ⇒ Je wil aanvallen, maar dat doe je niet, dus je gaat het afreageren op iets/iemand anders. → Blokkeren ⇒ wegkijken
38
waar komt lucht allemaal langs vanaf neusholte tot alveoli
neusholte -> langs epiglottis -> door trachea (kraakbeenring) -> bronchie (kraakbeenring) -> bronchiole -> alveoli
39
longader
vena pulmonalis (dextra en sinistra)
40
humorale immuniteit
voeistoffen -> Antibodies against antigens that are extracellular Antibodies are made by plasma cells (differentiated B cells)
41
RV
residual volume, lucht die er altijd in je longen blijft die je ook niet bij max uitademing uit kan admene
42
limbische systeem
rol geheugen
43
gedrag
handeling/houding/kliersecretie ven een individu als reactie op een prikkel (omgeving/vanuit lichaam) onder controle van het zenuwstelsel
44
de 5 antilichamen
IgE ==> monomeer --> allergische reacties IgD ==> monomeer --> op B-cellen als antigenreceptor igG ==> monomeer -> kan als enige door placenta, in hoogste c aanwezig in plasma IgA ==> dimeer -> geprod door cellen in muceauze membranen, aanwezig in moedermelk
45
Lange termijn stressrespons
vrijkomen van cortisol → eiwitten en vet afgebroken en omgezet in glucose → glucose vrij in bloedbaan → energie (duurt langer, maar niet goed voor je, vooral eiwitten), immuunsysteem wordt onderdrukt, verminderde reproductie. Het is schadelijk als de stress te lang duurt/streefwaarde nooit bereikt kan worden → als weken achter elkaar ⇒ chronische stress door stressoren: → missen van relevante stimuli → onderstimulatie (verveling) → overstimulatie → hoge motivatie → niet kunnen uitvoeren van natuurlijk gedrag → angstige situatie, wonden en pijn → sociale stressor
46
wat zijn de 4 kwabben hersnen en functie
Frontaalkwab → besluitvorming, spraak, planning, spierbeweging → gebied van Broca → woordvorming en associatie Pariëtaalkwab → tastzin Occipitaalkwab → zicht → visuele cortex, objectherkenning Temporaalkwab → gehoor → gebied van Wernicke → spraak begrijpen
47
neuronale receptor
1 cel die zowel sensorisch receptor is als afferent neuron
48
cardiac output
hartminuutvolume = hartslagfreq * slagvolume
49
wat doet NO met arterien
vasodilatatie met glad spierweefsel in arterien
50
perifeer zenuwstelsel
alles behalve brein en ruggenmerg, maar wel hun axonen schwanncellen afferente en efferente neuronen
51
diencephalon
epifyse -> geeft melatonine af -> reguleert functies die met tijd vd dag of seizoenen te maken hebben
52
oplosbaarheid coefficient ⍺ = ml gas in 100 ml oplossing bij druk van 1 Atm
53
secundaire lymfoide organen
rijpe immuuncellen die wachten op activatie door lichaamsvreemde indringen
54
chordae tenidae
pezen die voorkopen dat hartkleppen doorslaan
55
bohr effect
CO2 en H+ beinvloeden affiniteit v hb voor O2 --> meer O2 aan hb binden
56
Externe respiratie
gaswisseling tussen longen en bloed
57
Op welke 3 manieren wordt co2 door lichaam vervoerd?
1. opgelost (10%) 2. aan hemoglobine (30%) 3. als HCO3-, (60%) maar dan ook H+ vrij dus verzuring bloed
58
Nico Tinbergen
pikgedrag naar rode vlek op snavel zilvermeeuw ouders. De 4 why’s
59
hippocampus geheugen functie
opslag geheugen
60
chemisch synaps
1. Aankomst actiepotentiaal 2. Spanningsafhankelijke Ca2+ kanaal open → Ca2+ influx 3. Fusie synaptische blaasjes → vrijkomen neurotransmitter 4.Diffusie NT → bindt ligand-gemedieerd ionkanaal → opent → depolarisatie (excitatoir (acetylcholine, glutamate) → EPSP)/hyperpolarisatie (inhibitor (GABA, glycine) → IPSP) → Excitatoir ⇒ stimulerend, brengt membrpotentiaal dichter bij drempel → EPSP → Inhibitor ⇒ remmend, brengt membrpotentiaal verder weg v drempel → IPSP
61
long surfactant
gemaakt door alveolar cel type II, het is een vettig laagje dat zorgt de oppervlaktespanning van een dun waterlaagje voor een inwaardse kracht, door er vetdruppeltjes op te leggen ⇒ long surfactant kan water minder goed aan elkaar binden → lagere oppervlaktespanning → voorkomt dat ze dichtklappen bij uitademing. Het zorgt ook voor een gelijke oppervlaktespanning in alle alveoli van verschillende groottes (meer vet in kleine).
62
foetale bloedsomloop heeft:
-> foramen ovale -> doorgang atria want bloed niet door longen -> ductus arteriosus buis vanuit longslagder/longader naar slagader
63
Cellulaire respiratie
gebruik zuurstof bij oxidatieve fosforylering door cellen
64
CD8
binden aan MHC-I-eiwit, en CD8-positieve T-cellen worden killer-T-cellen of cytotoxische T-cellen genoemd.
65
fasen van actiepotentiaal
1. Rust → lekkanalen open, Na en K kanalen dicht 2. Depolarisatie → aantal Na kanalen open, K kanalen dicht 3. Rising fase → drempel bereikt → Alle Na kanalen open → snelle depolarisatie richting nernstpotentiaal Na (+62) 4. Falling fase → Repolarisatie → Na kanalen inactiveren dr klepje, K kanalen openen 5. Undershoot: hyperpolarisatie doordat K kanalen open blijven staan en inactievatieklepje ook nog even op blijft.
66
HOE werken cytotoxische T cellen
worden geactiveerd door lichaamsvreemde antigenen (symbolisch weergegeven met ®) die gepresenteerd worden door een MHC-I molecuul. Meestal gaat het hierbij om viruspeptiden, maar ook cellen die geïnfecteerd zijn met intracellulaire parasieten, kankercellen en getransplanteerde cellen behoren tot het doelwit van TC-cellen. Co-stimulatie door cytokinen en de binding van CD8 aan het MHC-I-molecuul versnellen en versterken het proces. De geactiveerde TC-cel geeft het eiwit perforine af dat vervolgens in de membraan van de doelwitcel polymeriseert en transmembraanporiën vormt. Vervolgens stromen water en ionen de cel in en deze lyseert uiteindelijk.
67
cefalisatie
cluser van zenuwcellen die soort brein vormen
68
Dalton's wet
Gaswisseling, totale druk van een gasmengsel is de som van alle partiële drukken aanwezig: Ptotaal = PN2 + PO2 + PCO2 + PH2O = 760 mm Hg op zeeniveau
69
Alveolaire ventilatie
VA = F * (VT-VD)= ... ml
70
anatomische dode ruimte
ruimte waar geen actieve gaswisseling plaatsvindt --> alles behalve alveoli maar daar zelfs een alveolaire dode ruimte --> het 'takje'
71
arteriole
kleinste arterie
72
gifstoffen in synaptische spleet
-> antagonisten => binden aan receptoren en blokkeren binding NT -> Agonisten => bindt aan receptor en imiteert binding NT -> inhibitoren => inhiberen signaaltransmissie door -> te verhinderen afgifte NT -> inhibitie acetylcholinesterase
73
3 vertakkingen aorta
1. Truncus brachiocephalicus -> vertakt naar: a. arteria carotis communis dextra -> centrale halsslagader b. arteria subclada dextra -> rechterarm 2. Arteria carotis communis sinistra -> centrale halsslagader 3. Ateria subclavia sinistra -> linkerarm
74
wat is druk O2 in verschillende plekken
alveoli 100 mmHg bloed 40 mm Hg weefsel 40 / minder dan 40 mm Hg
75
onderdelen thalamus
hypofyse, hypothalamys, epifyse, epithalamys
76
gem slagvolume
70 ml
77
Ionotroop
snel, ionkanaal
78
centraal zenuwstelsel
brein + ruggenmerg --> motorneuronen oligodendrocyt
79
acute stressrespons
snelle reactie via sympathisch zenuwstelsel → direct reageren bij gevaar → vrijkomen adrenaline en noradrenaline → glycogeen afbraak lever en spieren → glucose vrij → energie. Verhoogde hartslag, bloeddruk, ademhaling, metabolisme → meer bloed naar hart, hersenen en spieren, minder naar darmen, huid en nieren. Duurt enkele seconden/minuten.
80
wat is samenstelling lucht
21% O2, 79% N2, 0,03% CO2
81
Konrad Lorenz
imprinting bij ganzen
82
efferente neuronen zijn op te delen in
autonoom zenuwstelsel (onbewust) -> controle gladde spieren, hartspieren, klieren -> sympatische divisie -> spijsvertering -> parasympatische divisie -> rest or digest -> enterisch zenuwstelsel -> fight or flight motorsysteem (bewust) -> controle over skeletspieren
83
concentratie gas in vloeistof
c = p * ⍺
84
CD4
binden aan het MHC-II-eiwit, en de CD4-positieve T-cellen worden T-helpercellen genoemd.
85
holle ader latijn
vena cava (rostralis, caudalis)
86
sphincters
kunnen capillairen afsluiten door contractie behalve de thoroughfare channel
87
Waar komt vloed vanuit kroonslagders het hart weer binnen
Vena/sinus coronaria = opening in rechteratrium
88
rechter hersenhelft
patroon en gezichtsherkenning
89
wat doet endotheline
vasocontrictie -> vernauwen glad spierweefsel in arterien
90
astrocyt
zorgen ervoor dat endotheelcellen vd bloedvaten strak tegen elkaar geduwd + hebben transmembraaneiwitten die neurotransmitters opnemen
91
arteria
hart naar capillair
92
linkerhersenheft
taal, rekenen logicaer
93
Haldane effect
O2 beinvloedt de affiniteit v hemoglobine voor CO2 en H+ (meer co2 aan hb binden)
94
astma
niet volledig kunnen uitademen -> RV groter
95
bicuspidalisklep
2 slippen, linker AV klep
96
PO2 inademing
niet 160 maar 150 door bevochtiging door neus en keelholte
97
lymfocyten
B en T cellen → in ecm, in bloed→ groeifactoren produceren
98
annulus fibrosus
bindweefsellaagje die signaal sinusknoop vertraagt
99
venule
kleinste vein
100
De 4 why's:
Oorzaak ⇒ aanleiding, trigger, stimulus, mechanisme → werking spieren en hersenen → Omdat de hersenen een signaal naar de vleugelspieren sturen Hoe ⇒ ontwikkeling ………….. → Omdat hij dat geleerd heeft toen hij jong was → vaak motoriek. Functie ⇒ overlevingswaarde en reproductie (fitness) → Omdat hij snel kan wegvluchten voor een predator Evolutionaire oorsprong ⇒ Omdat zijn voorouders konden vliegen
101
ependymale cel
zorgt voor circuleren hersenvloeistof met hun cilien om ventrikel
102
wat zijn de 2 bonken in hartslag
1e bonk: dichtslaan AV kleppen 2e bonk: openslaan semilaire kleppen
103
welke kleppen zijn semilunair
de aortaklep en pulmonalisklep die vanuit de kamers naar de aorta en longen gaan
104
kroonslagaders
arteria coronaria
105
MHC I
alle cellen met celkern hebben zit
106
vena
capillair naar hart
107
hersenstam 3 onderdelen + functie
middenhersenen -> visuele reflexen pons -> brug grote en kleine hersenen verlengde merg -> automatische homeostatische processen gereguleerd
108
long latijn
pulmonalis
109
tunica intima
→ endotheelcellen op basale lamina → laag los bindweefsel en gladde spiercellen → in venen: venenkleppen zijn instulpingen van tunica intima → in arteriën: lamina elastica interna tussen tunica intima en tunica media, kronkelend door fixatie
110
hoe werkt de positieve druk ademhaling bij kikkers
eerst luchtzak vullen, dan zuurstofarme lucht uit longen en dan de zuurstofrijke lucht uit de luchtzak duwen de longen in ( dus bovendruk). via huid co2 uitscheiden
111
waardoor verandert membraanpotentiaal
doordat de permeabiliteit voor NA+ en/of K+ en/of Cl- verandert NIET omdat ionconcentraties veranderen het is zo plaatselijk namelijk
112
hoeveel anatomische dode ruimte heeft een mens per lichaamsgewicht
2 ml per kg lichaamsgewicht gem 75 kg dus 150 ml
113
ademminuutvolume
VT * f = ... ml
114
stimulus
prikkel die reactie kan uitlokken mits relevant, reactie is flexibel
115
systole
-> atriumsystole 0,1 sec -> ventrikelsystole = 0,3 sec
116
opbouw bloedvaten v lumen naar buiten
tunica intima tunica media tunica adventitia
117
tricuspidalisklep
3 slippen, rechter AV klep
118
Interne respiratie
gaswisseling tussen bloed en weefsel
119
elektromagnetische receptoren
licht
120
microgliacellen
regelen immunologische afweer in de hersenen
121
fovea
een inzinking midden in de gele vlek van het netvlies = retina. Bij zoogdieren bevindt zich op de plek het gebied waarmee het scherpst gezien kan worden.
122
pneumothorax
klaplong, lucht tussen pleura
123
amygdala
emotionele geheugen
124
2 typen synapsen
chemisch en elektrisch
125
Purkinjecellen
hebben dendrietenbommmen → heeeeel veel synapsen (20k)
126
afferent
naar CZS toe, dus sensoren via dorsale kant
127
axon actiepotentiaal
→ 3 Natrium van binnen naar buiten (actief) → 2 Kalium naar binnen (spontaan) → er is 10x meer Na+ buiten de cellen dan erin, en ong 30x meer K+ binnen cel dan buiten → 2 gradiënten: → chemisch: K+ lekt de cel uit door K+kanalen → elektrisch: door outflow van K+ → negatieve lading in cel → Concentratiegradiënt zorgt voor potentiaal.
128
knoop van ranvier
plek axon waar geen myelineschede om zit
129
diastole
rust = 0,4 sec
130
waarmee zijn de 2 helften grote hersenen aan elkaar verbonden
corpus callosum, myeline , dus witte stof
131
wat is luchtdruk op zeeniveau
1 atmosfeer, 760 mm Hg
132
Long Term Potentiation
vorm v neurale plasticiteit -> verbindinen tussen neuronen veranderen. bij LTP: 1. op postsynaps zit de NMDA receptor gebolkkeerd door een magnesium ion. Bij vrijkomen van glutamaat blijft deze dicht 2. Door activatie van nabij gelegen synaps komt er depolarisatie, waardoor het magnesium ion loskomt. Hierdoor stromen er natrium en calcium ionen de cel in. 3. De instromende calcium ionen zorgen voor het in de membraan inbouwen van AMPA receptoren. 4. Deze kunnen direct geactiveerd woden door glutamaat waardoor in een late stadium sneller een grote respons ontstaat, soms genoeg om zelf een actiepotentiaal te triggeren
133
rhodopsine
pigment dat mogeljik maakt voor mens om fotonen waar te nemen die op de retina vallen. 2 componenten --> retinal (vit A) en opsine (eiwit)
134
hoe kunnen vogels met lage luchtdruk en PO2 vliegen
ze hebben weinig dode ruimte en veel luchtzakken -> unidirectionele luchtstroom -> na 2 ademhalingen is hele longinhoud ververst, bij mens na 16x pas
135
adaptatie
drempelwaarde actiepotentialen verhogen
136
chemoreceptoren
chemische stoffen in bloed
137
supernormale stimulus
onnatuurlijke prikkel die zeer sterk gedrag veroorzaakt
138
Sign stimulus
karakteristieke eigenschap van een stimulus die altijd zorgt voor een specifieke reactie die helemaal wordt afgemaakt, zorgt voor een FAP.-> innate releasing mechanism -> neuronaal clusterin hersenen --> instinctief en snel (primitieve respons)
139
hoeveel ml is gem ademhaling
500 ml maar 150 ml is dode ruimte dus 350
140
arteria coronaria
kroonslagaders
141
Heterogene stimulussummatie
1 stimulus is niet genoeg om FAP op te wekken → meerdere (verschillende) nodig. som van de afzonderlijke prikkels vormen de sign stimulus. → Gestalt ⇒ niet de som van de prikkels → patroon. → Vertedering → zorggedrag
142
volgorde hersenblaasjes tijdens ontwikkeling
telencefalon -> cerebrum diencefalon -> thalamus mesencefalon -> middenhersenen metencefalon -> pons en cerebellum myelencefalon -> verlengde merg
143
cellulaire immuniteit
t cellen -> Cytotoxische T cellen beschermen het lichaam door geïnfecteerde cellen te herkennen en doden
144
efferent
van CZS af dus effectoren via ventrale kant
145
thermoreceptoren
temperatuurverschillen
146
waar gaat foton doorheen v buiten naar binnen
corne -> aqueous humor -> iris/pupil -> lens -> vitreous humor -> retina
147
alveolar type 1 cel
de blaasjes
148
links
sinistra
149
Wat doet hyperventilatie met PCO2 bloed
lage pCO2