eb dt2 Flashcards

(242 cards)

1
Q

totipotent

A

kunnen differentieren in alle celtypen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

noem gewichtsbesparende aanpassingen die vogels hebben

A

snavel ipv tanden, kleine gonaden, vrouwtje 1 ovarium, geen urineblaas, lichte schedel, holle botten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

vaatbundels

A

zelfregulatie vocht in xyleem en floeem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

sporopollenine

A

sporen in celwand -> voorkomt uitdroging en verwering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

amniota

A

amniotisch ei, ribbenkas voor longventilatie, minder permeabele huid om uitdroging te voorkomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

mantel mollusca

A

weefselplooi, maakt de schelp

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

mesoglea

A

gelatine laag tussen epidermis en gastrodermis bij cnidaria

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

wat zijn adaptaties van zoogdieren die weer de zee in gingen

A

zwempeddels voor voortbeweging, flippers en dorsale vin voor 3d stabiliteit, fusiform voor weerstand, neusgaten bovenop voor ademen, neutrale buoyancy via dikkere of dichtere botten voor beter drijfvermogen, zout in urine en zout uitscheiden via oogklieren om osmose tegen te gaan, isolatie via blubber om warm te blijven, grotere ogen en beter gehoor voor zintuigen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

gram positieve bacterie

A

rond, dikke laag peptidoglycaan aan buitenkant, paars

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

viridiplantae

A

grootst mogelijke monofyletische groep plantachtigen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

zenuwstelsel cnidaria

A

diffuus zenuwnetwerk, zonder zenuwknopen of centralisatie, cellen met uitlopers in epidermis en gastrodermis zijn onderdeel. er liggen zintuigcellen met cilium in die gevoelig zijn voor aanraking of chemische stoffen in water.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

voordelen haplodiplontisch vs haplontisch

A

4+ sporen per eicel -> meer nakomelingen, meercellige generatie met 2 sets genen zorgt voor meer recombinatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

amoebocyten

A

zijn totipotent, nemen voedsel over van chonaocyten, verteren ze en brengen ze naar andere delen. ze kunnen zelf voedsel opnemen uit water, de vormen de gameten samen met de choanocyten, ze produceren skeletvezels

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

invertebraten kenmerken

A

heterotroof, motiel, seksuele reproductie mogelijk, zygoot ondergaat klievingsdelingen tot blastula -> gastrulatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

fotoautotroof

A

energie: licht, koolstof: CO2

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

chordata

A

farynxspleten, notochord. water en voedseldeetjes naar binnen via cilia terwijl de cirri grote deeltjes tegenhoudt. slijm in farynxspleten vangt deeltjes op -> kleinste naar leverbindzak -> fagocytose -> verteerd. epitheel scheidt spijsverteringsenzymen uit voor extracellulaire vertering. water dat farynxspleten is gepasseerd komt in atrium en verlaten lichaam via atriopore. neurale buis aan voorkant verwijd tot hersenblaasje

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

cambium

A

cilindervormig meristeem tussen xyleem en floeem -> diktegroei mogelijk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

protostome

A

blastopore wordt de mond

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

echinodermata

A

stekelhuidigen, zustergroep van chordata, sessiel/langzaam bewegend, endoskelet v calciumplaatjes, stekels ter bescherming, symmetrie als adult radiaal, als larve bilateraal => evodevo. watervaatstelsel en buisvoetjes voor voortbeweging, voedselverwerving, gaswisseling, vortplanting via gonaden met spermacellen of eicellen lozen in zee.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

horizontal gene transfer

A

dna van cel van andere soort krijgen: transformatie, conjugatie, transductie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

bedektzadigen

A

sporofyt dominant, echte wortels, stengels en bladeren door vaatbundelweefsel, alleen eufyllen -> simpel of samengesteld, meerdere sporangia gerangschikt in bloemen, 2 type sporen, gametofyt kortlevens, niet meer zichtbaar, allerlei standplaatsen -> dominant tov andere landplanten, veel diversiteit in bloemen en vruchten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

3 groepen amfibia

A
  1. salamanders -> staarten
  2. kikkers -> staartlozen
  3. wormsalamanders -> pootlozen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

kortloten

A

hier zitten de naaldachtige eufyllen van naaktzadigen geclusterd in

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

mycorrhiza

A

mutualisme plant en schimmel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
welke genen bepalen ruimtelijke organisatie van lichaam
segmentatie genen, homeotische genen, hox-genen
26
homodont gebit
alle tanden lijken op elkaar
27
diapsida
2 holtes achter oogkas
28
aanpassingen van reptilia voor het vliegen
sternum => verlenging borstbeen met borstspieren voor vliegen, vleugels met veren van beta-keratine. gewichtsbesparende aanpassingen, hoog metabolisme, goede coordinatie
29
eustele
zaadplanten, vaatweefsel in bundels, heeft cambium
30
plantenblindheid
cognitieve bias waardoor planten onterecht worden genegeerd en/of onderschat en ook hun nut noodzaak en pracht
31
notochord
skeletale structuur die ondersteuning biedt (tussenwervelschijven bij mensen)
32
karyogamie
kernen fuseren -> diploide kern
33
hermafrodiet
zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen -> kunnen zowel sexueel als asexueel voortplanten
34
7 kenmerken van leven
1. opgebouwd uit cellen 2. reproduceren met gebruikmaking van erfelijk materiaal 3. groeien en ontwikkelen 4. halen energie uit hun omgeving 5. nemen hun omgeving waar en kunnen op veranderingen reageren 6. vertonen hoge mate van organisatie 7. vertonen evolutie
35
echinodermata eigenschappen
deuterostome, lichaamsholte 2zijdig bekleed met mesoderm, bilaterale symmetrie, weefsels
36
mossen
gametofyt dominant, geen vaatbundelweefsel <- afhankelijk van omgeving voor vochthuishouding, ze hebben rhizoiden geen wortels, bladachtige structuren, bevruchting via extern water, de sporofyt is kortlevend en afhankelijk van gametofyt
37
mammalia kenmerken
haren en vetlaag, melkklieren, endotherm, langdurige ouderzorg, gehoorbeentjes, gebit is heterodont, onderkaak is 1 bot.
38
sori
bolletje met sporangia op onderkant blad varens, kan beschermd vlies op zitten => indusium
39
porifera eigenschappen
sponzen, geen weefsel, sessiel, geen symmetrie, geen lichaamsholte, protostome, geen holle dorsale zenuwstreng
40
tetrapoden op te delen in
amfibia en amniota
41
saprotofen
schimmels die organisch materiaal afbreken zoals lignine
42
invertebraten
dieren zonder wervelkolom (parafyletische groep)
43
cnidaria
neteldieren, radiaal symmetrisch, diploblastisch, aseksuele voortplanting in het poliepstadium door afsnoeren van medusen of door knopvorming en/of deling van het dier. Seksuele voortplanting gebeurt in het vrijzwemmende stadiua: medusa.
44
3 domeinen
bacteria, archaea, eukarya
45
wanneer is er sprake van een soort
97% overenkomst sequentie
46
echinodermata
stekelhuidigen, volwassenen radiaal symmetrisch, als larve bilateraal -> hechten met hun buikzijde aan ondergrond -> metamorfose: vormen mond, anus aan laterale zijden. watervaatstelsel in verbinding met buitenwater. gespierde voetjes aan onderzijde kunnen hierdoor opzwellen of klein worden. zeesterren eten door schelp te omarmen, open te trekken en hun maag uit te stulpen in d schelp. een arm kan actief worden afgstoten want groeit weer aan. sommige zeesterren ongeslachtelijke voortplanting door precies door midden te delen.
47
cilien platyhelminthes
op ventrale zijde -> over slijmlaag glijden
48
cefalisatie
(nematoda) rond farynx, zenuwring met ganglia
49
zaden
embryonale nieuwe sporofyt met beschermende laag van de ovule
50
hoeveel blastisch zijn cnidaria
diploblastisch
51
epidermis nematoda
dunne synctiele cellaag (=> cellen zijn met elkaar versmolten), scheidt cuticula af
52
opbouw virussen
envelop met glycoproteinen, daaronder capside van capsomeren, daarin RNA
53
3 onderdelen zaden en waar ze vandaan komen
integument -> zaadhuid, megagametofyt -> endoperm, embryo -> kiemplantje
54
mollusca
weekdieren, weke zachte weefsels, enige harde is schelp. bilaterale symmetrie, hermafrodie of sexen gescheiden, zygote ontwikkelt tot vrijzwemmende trochofoor. de meeste hebben radula en een open circulatiesysteem met hemolymf. ze hebben mantel, voet, niet. deeltjes die door kieuwen worden gevanegn worden mbv cilien en palpen naar mond gedracht.
55
tripoblastisch
mesoderm, endoderm, ectoderm
56
homeotische genen
TF's die meerdere genen reguleren zo ook de hox genen
57
temperate fagen
profaag in chromosoom van bacterie, beide overleven
58
chordata eigenschappen
holle dorsale zenuwstreng, deuterostome, lichaamsholte 2zijdig bekleed met mesoderm, bilaterale symmetrie, weefsels
59
hoe kunnen platyhelminthes ongeslachtelijk voortplanten
door het deel achter de farynx af te snoeren
60
wat vormen ectoderm, endoderm en mesoderm bij nematoda
ectoderm -> cuticula, epidermis, zenuwweefsel endoderm -> darmepitheel mesoderm -> spiercellen, geslachtsapparaat
61
arthropoda, annelida, mollusca eigenschappen
lichaamsholte 2zijdig bekleed door mesoderm, bilaterale symmetrie, weefsels
62
3 verschijningsvormen van porifera
ascontype, sycontype (simpel en complex), leucontype
63
bloemen
microsporangia en omsloten megasporangium op 1 as omsloten door 1 of meer bladachtige structuren -> bracteeen die bestuiving bevorderen, elk type bloem trekt eigen bestuiver aan -> gerichte bestuiving -> weinig stuifmeel nodig -> scheelt energie
64
integument
speciaal beschermend orgaan met kleine opening (micropyle) houdt megasporen vast. megaspore + integument => ovule
65
excretiekanaal nematoda
aan laterale zijde
66
welke eigenschappen van schimmels maken ze geschikt voor leven in grond
ze kunnen over lucht gevulde porien groeien om bij water te komen, ze kunnen substraten goed doorboren, translocatie van nutrienten binnen een netwerk, de vorm -> dun maar heel lang
67
indusium
vliesje over sori dat sporen beschermd
68
4 aanpassingen aan leven op land
1. ledematen met tenen (digits) 2. nek met beweeglijke wervels 3. bekken vergroeid met wervelkolom 4. aanpassingen in ademhaling -> longen ipv kieuwen
69
waar is de kraag van microvili van choanocyten van gemaakt?
actine-filamenten
70
gisten
opnemen en gebruiken substraten suikers en koolhydraten
71
pollen
microsporen komen vrij als pollen in de buurt van megasporen -> bestuiving -> microgametofyten kiemen en groeien naar eicellen via pollenbuis -> spermien worden losgelaten en fuseren met eicel -> bevruchting (dus onafhankelijk van extern water)
72
chemoheterotroof
energie: organische stoffen, koolstof: organische stoffen
73
hoe heet de kortlevende gametofyt van varens
prothallium
74
wat zijn 3 adaptaties aan het leven in bomen
ogen aan voorkant hoofd, mobiele schouder, opponeerbare duim
75
sporangia in naaktzadigen
megastrobilus -> megasporofyllen liggen naakt op + dekschubben. op de megasporofyl zitten de megasporangia => ovules => zaden. microstrobili kleinere versie, niet houterig, pollen laten los -> microstrobili ook
76
transformatie
dna uit milieu opnemen (passief of actief, kan integreren in genoom)
77
strobili (wolfsklauw)
centrale as met sporangia dragende bladeren => sporofyllen -> bij wolfsklauwen altijd 1 sporangiumper sporofyll -> sporen verspreiden via wind
78
lycofyllen/microfyllen
breed en plat wordende zijstengel -> 1 nerf
79
haploide generatie bij haplodiplontische levenscyclus
gametofyt -> produceert gameten -> eicellen (argechonium) en spermien (antheridium)
80
essentiele diensten van planten
provisioning (hout, voedsel), regulating (waterfiltratie, klimaatregulering), supporting (fotosynthese, kringlopen), cultural (recreatie, aesthetic)
81
darm nematoda
sterk afgeplatte buis met wand van darmepitheel
82
cambrische explosie
in het cambrium explosie van nieuwe groepen van complexe levensvormen in het fossiele archief.
83
bacteriofagen
virussen die bacterien infecteren
84
dubbele bevruchting
1. een spermacel fuseert met eicel => bevruchting -> diploide zygote (2n) 2. een spermacel fuseert met 2 losse celkernen => tripoid weefsel (3n) -> is het endosperm
85
Waarop worden 3 domeinen van organismen ingedeeld?
specifieke DNA sequentie van gen bij translatie
86
cyanobacteria
allemaal fotoautotroof, voorloper chloroplast
87
genetisch materiaal prokaryoten
chromosoom en plasmiden
88
waaruit bestaan spiercellen nematoda
spoelvormig contractiel deel, dat tegen epidermis aan ligt + protoplasmatisch ceel incl kern dat in pseudocoeloom uitsteekt. het heeft lange uitlopen naar een vd zenuwstrengen.
89
2 klassen van de amniota
reptilia en mammalia
90
alpha-proteobacterien
voorloper mitochondrien
91
naaktzadigen
sporofyt dominant, echte wortels, stengels en bladeren door vaatbundel stelsel, alleen eufyllen -> vaak naaldachtig geclusterd op kortloten, meerdere sporangia in strobili, bestuiving via bestuivingsdruppel, gametofyt kortlevend, bijna niet zichtbaar
92
microorganismen
organismen die je niet met het blote oog kan zien
93
11 belangrijke aanpassingen van planten aan het leven op het land
1. cuticula 2. sporopollenine 3. haplodiplontische levenscyclus 4. mychorrhiza 5. stomata (mossen) 6. vaatbundels 7. bladeren (wolfsklauwachtigen) (varenachtigen) 8. vasculair cambium 9. ovules, zaden en pollen (naaktzadigen) 10. bloemen en vruchten 11. dubbele bevruchting (bedektzadigen)
94
metanefridia
annelida, niereenheid die per segment in coeloom ligt, uitgang naar buiten => nefridopore -> afvalstoffen uit bloed en coeloom uitscheiden
95
welke symmetrie hebben nematoda
bilateraal
96
varenachtigen
sporofyt dominant (drogere standplaatsen maar vochtige periode nodig), echte wortels stengels en bladeren (-> alleen eufyllen, simpel of samengesteld) door vaatbundelstelsel, vaak met rhizoom, meerdere sporangia in sori, sporen gekatapult, gametofyt kortlevend (bevruchting via extern water) => prothallium
97
Flagellen
staart/motor -> bewegen en rotatie
98
nier mollusca
bestaat uit metanefridia die hemolymf zuiveren
99
peritoneum
buikvlies annelida, bekleedt inwendige holte en alle organen daarin, bestaat uit 2 lagen: epitheel en bindweefsel.
100
vruchten
megasporofyl groeit dicht en omsluit de megasporangium => carpel, soms fuseren carpellen met elkaar -> vrucht -> faciliteert verspreiding -> meerdere zaden, zaden extra beschermd en aantrekking van dieren
101
hoe zijn bladeren ontstaan?
door lage CO2 concentratie in lucht -> groter oppervlak zorgde voor meer stomata
102
copulatieorgaan
nematoda, haakje bij maneetjes aan staart.
103
cnidaria eigenschappen
weefsels
104
epidermis cnidaria
uit ectoderm, hier liggen cnidocyten in (netelcellen) (buitenkant)
105
2 cycli uit virus levenscyclus
lytische en lysogene
106
farynx
uitstulpbaar, ligt in ingestulpte toestand in holte in lichaam.
107
clitellum
zadel van annelida
108
heterochronie
dezelfde genen maar komen tot expressie voor andere tijdsduur -> andere grootte/verhoudingen (mensen en chimpansee schedel)
109
spierweefsel platyhelminthes
spierlagen onder de huid, circulaire en longitudinale samen => huidspierzak
110
wolfsklauwachtigen
sporofyt dominant (-> drogere standplaatsen maar vochtige periode wel nodig), echte wortels, stengels en bladeren -> alleen lycofyllen, dichotome vertakkingen, meerdere sporangia in strobili, gametofyt is kortlevend (bevruchting via extern water)
111
welke symmetrie hebben platyhelminthes
bilateraal met een dorsoventraal afgeplat lichaam
112
steletypen
protostele, actinostele, eustele
113
virulente fagen
maken gastheer dood
114
wat is het primair endoperm bij naaktzadigen
megagametofyt
115
eutheria
groep mammalia => placentadieren -> geboorte volledig ontwikkelde jongen
116
anapsida
0 holtes achter oogkas -> alleen schildpad maar die is eigenlijk diapsida
117
facultatief anaeroob
prokaryoten die met en zonder zuurstof kunnen
118
gastrovasculaire holte
interne lichaamsholte cnidaria
119
algemene levenscyclus schimmels
1. sexual reproduction: fungus -> plasmogamy -> heterokaryotic stage -> karyogamy -> zygote -> meiosis -> spores -> germination -> fungus 2. asexual reproduction: fungus -> spore-producing structures -> spores -> germination -> fungus
120
nadelen sexuele voortplanting
kosten van man -> produceren geen nakomeling, doen alleen bijdrage -> eigen energie verspild + kans op verbreken gunstige genetische combinaties + veel energie nodig
121
trochofoor
larve mollusca in plankton die zich met cilia voortbeweegt
122
segmentatie genen
aanleg segmenten
123
4 kenmerken waarop schedels van apen tov homininen verschillen
schedelkam, jukbeenderen en onderkaak, wenkbrauwboog, gezichtsvorm en herseninhoud
124
lysogene cyclus
profaag integreert -> celdelingen creeen geinfecteerde bacterien
125
plasmiden
kleine circulaire dsDNA, repliceren onafhankelijk, bevat niet-essentiele genen
126
wat gebeurt er bij verdubbeling van sets van hoxgenen
toename complexiteit bouwplan
127
fotoheterotroof
energie: licht, koolstof: organische stoffen
128
spijsvertering hydra
in gastrodermis zitten kliercellen die slijm en verteringsenzymen produceren.
129
deuterostome
blastopore wordt de anus
130
cuticula
wasachtig laagje -> voorkomt uitdroging via verdamping
131
rhizoiden
bruine draadjes waarmee mossen in grond zitten
132
chemoreceptoren platyhelminthes
oortjes -> voedsel en waterstromen waarnemen
133
... blast is platyhelminthes
tripoblast
134
waaruit ontstaan gameten bij porifera
uit de choanocyten of de amoebocyten
135
hyfen zonder septa
kernen in 1 groot cytoplasma, transport in meerdere richtingen, kernen kunnen verplaatsen
136
wat gebeurt er met de haplodiplontische levenscyclus gedurende evolutie
haploide (gametofyt) generatie raakt gereduceerd en de diploide generatie wordt steeds diverser
137
heterosporie
2 typen sporen -> microsporen -> kiemen tot microgametofyten -> spermien -> klein en veel, megasporen -> kiemen tot megagametofyt -> eicellen -> groot, 1-4 per megasporangium
138
eufyllen/megafyllen
fusie van afgeplatte zijstengels -> meerdere nerven
139
protisten
alle eukaryoten behalve dieren, planten en schimmels
140
mutualisme in schimmels
uitbreiding wortelsysteem door hyfen van schimmel -> schimmel levert water, fosfaat en mineralen, plant levert organisch materiaal + korstmossen -> tussen schimmel en cyanobacterie of alg
141
rhizoom
ondergronds stuk stengel bij varen
142
marsupialia
groep mammalia buideldieren -> kangoeroe
143
arthopoda
exoskelet -> buiten water overleven, segmentatie, gelegde poten -> specialiseren in functies.
144
porifera
sponzen, losse federaties van cellen, stevigheid door skelet van stekels => spicula. Geen echte weefsels -> behoren tot parazoa en ze hebben maar 4 verschillende celtypen. Ze zijn sessiel en hebben geen symmetrie. ze zijn hermafrodiet. gameten ontstaan uit choanocyten of amoebocyten. bevruchting in het mesophyll (daar zijn de eicellen). Uit de zygote ontwikkelt een flagelbevattende larve die zich ergens verstigt en uitgroeit.
145
ocelli
lichtgevoelige cellen in verzonken pigmentbeker in kop platyhelminthes
146
5 superfyla van planten
mossen, wolfsklauwachtigen, varenachtigen, naaktzadigen, bedektzadigen
147
ascontype
vaasvormige porifera, choanocyten bekleden spongocoel, flagellen steken in spongocoel
148
dorsale holle zenuwstreng
gevormd uit ectodermaal, vormt later centrale zenuwstelsel
149
leucontype
afzonderlijke kamertjes met choanocyten (geselkamertjes)
150
borrowed life
virussen zijn voor replicatie afhankelijk van andere cellen
151
zijn porifera hermafrodiet
ja
152
hox genen
ontwikkelingsplan voor elk segment -> aanleg poten, vleugels, antennae etc. -> als op verkeerde locatie tot expressie komt krijg je lichaamsdelen op verkeerde plekken.
153
stomata
huidmondjes, alleen in sporofyt -> opening zorgt voor transpiratie (aanpassing aan cuticula)
154
gastrulatie
inkeping => blastopore wordt in embryonale ontwikkeling van de blastula gevormd
155
nematoda
lichaamsholte, bilaterale symmetrie, weefsels
156
transductie
mbv virus wordt genmateriaal uitgesneden bij 1 cel en overgedragen aan andere
157
unicellar
gisten reproduceren via budding => 1 uitstulpsel groeit en wordt afgeknepen als het groot genoeg is
158
wat voor symmetrie hebben porifera
geen symmetrie
159
specifieke morfologische eigenschappen van chordata
post-anale staart, notochord, dorsale holle zenuwstreng, pharynxspleten
160
reptilia
reptielen en vogels -> eischaal, keratineschubben, longademhaling met uitzondering van vogels ecotherm. homodont gebit, onderkaak is meerdere botten
161
bladeren
structuren met breed en plat fotosynthetiserend oppervlak, voorzien van vaatbundels
162
3 groepen mammalia
monotremata, marsupialia, eutheria
163
mesophyll 3 delen
1. spicula 2. chonaocyten 3. amoebocyten
164
amphibia
2 levens -> larve en adult: larve ademt via kieuwen, heeft gevinde staart, geen poten en herbivoor dieet -> metamorfose -> ontwikkelt poten, kieuwen verdwijnen, krijft longen -> adult -> meestal op land, carnivoor dieet, ademt via longen en huid
165
zijn platyhelminthes hermafrodiet
ja
166
gastrodermis cnidaria
endoderm -> voedselvacuolen
167
annelida
ringworden, bilateraal symmetrisch, gesloten circulatiesysteem met hemaglobine als zuurstofbindend eiwit, uitwendig gesegmenteerd, coeloom, protostomia, hermafrodiet, tripoblastisch. Na paring wordt slijm afgescheiden -> vormt cocon om het clitellum => zadel. in het cocon worden nog onbevruchte eieren afgezet samen met sperma van de partner en voedingsstoffen. door slijting mesoderm ontstaat holte => coeloom -> bekleed met peritoneum dat ook alle organen in coeloom bekleedt. darmis opgehangen aan mesenterium => vlies dat peritoneumverbinding vormt tussen lichaamswand en maagdarmkanaal -> ondersteunt de organen
168
voordelen sexuele voortplanting
hogere genetische diversiteit -> vergroot adaptief vermogen + kwijtraken negatieve mutaties
169
floeem
bastvaten -> transport metabolieten (suikers en afweerstoffen) -> levende cellen
170
zenuwweefsel platyhelminthes
2 gepaarde ventrale zenuwstrengen in longitudinale richting met regelmatige dwarsverbindingen
171
xyleem
houtvaten -> transport water en opgeloste nutrienten -> dode/holle cellen met dikke celwand van lignine
172
profaag
faag DNA
173
Verschillen tussen bacterien en archaea
bacteria kunnen peptidoglycan in celwand hebben, archaea niet. bacteria hebben esters als membraanlipiden en archaea hebben ethers, eerste az in alle proteinen bij archaea is methionine en bij bacterien fomulmethionine, archaea hebben histonen, bacterien niet
174
platyhelminthes eigenschappen
bilaterale symmetrie, hebben weefsels
175
bestuiving naaktzadigen
megasporangium maakt bestuivingsdruppels aan buitenkant -> pollen blijven kleven -> bestuivingsdruppel verdampt -> pollen worden naar binnen getrokken de pollination kamer in -> bevruchting -> zaad
176
heterodont gebit
gebit met verschillende typen tanden => snijtanden, hoektanden en kiezen voor bijten scheuren of malen
177
sycontype simpel
radiale kanalen spongocoel bekleed met pinacocyten, cellen met flagellen in radiale kanaaltjes ('buitenkant ook kronkelig')
178
protostele
alleen in fossielen, 1 vaat
179
setae
annelida, 4 paar borstels om voortbeweging te ondersteunen of om te verankeren.
180
spiervezels cnidaria
myofibrillen in basis van epitheelcellen voor beweging. Onderaan de gastrodermiscellen zitten circulaire vezels die samentrekken en uitdijen lichaam in de breedte. in epidermis zitten vezels in lengterichting.
181
waarom hebben prokaryoten een groot adaptief vermogen
haploid, voortplanting door deling, korte generatietijd, grote getalen
182
lytische cyclus
aanhechten (volgens key-lock model) -> lysis -> assemblage -> replicatie
183
mycelium
hyfen komen bij elkaar en vorm draden -> 3D
184
sycontype complex
complexere vorm, choanocyten in radiale kanalen,(buitenkant rond)
185
eigenschappen planten
chlorofyl a en b met thylakoide structuur, cellulose celwand, zetmeel als energie opslag, haplodiplonte levenscyclus, vormen zygote binnen ouderplant, meestal autotroof
186
endosporie
gametofyten komen bijna geheel binnen sporewand tot ontwikkeling, alleen rhuzoiden steken uit.
187
endosporen
spore vormen en later ontkiemen bij goede omstandigheden
188
ovules, zaden en pollen
gametofyte fase gereduceerd, versneld en direcht nieuwe sporofyte generatie verspreid: a. heterosporie b. endosporie c. ovules/integument d. pollen e. zaden
189
antheridium
spermien productie
190
diploblastisch
endoderm, ectoderm
191
welke 2 vormen van verandering in mate en timing van expressie van genen is betrokken bij ontwikkeling
heterochronie en paedomorfose
192
Zijn porifera sessiel of motiel
sessiel
193
plagmogamie
cytoplasmas fuseren -> cellen met meerdere kernen -> paddelstoelen vormen -> aan oppervlak vormen basidia die sporen zullen vormen
194
cuticula nematoda
taai en veerkrachtig -> vervelling nodig om te groeien. heeft 3 lagen
195
voet mollusca
sterk gespierd, zorgt voor voortbeweging
196
waar krijgen de porifera hun stevigheid van
de sponzen krijgen stevigheid van hun skelet van stekels => spicula
197
prokaryoten
eencellige organismen zonder kern
198
4 delen amniotisch ei
amnion -> bescherming tegen schokken 2. allantois -> opslag afvalproducten 3. chorion -> uitwisseling van gassen 4. dooierzak -> voedsel voor embryo
199
hyfen met septa
barriere tussen cellen, wel gaatje voor transport tussen de cellen
200
zenuwstreng nematoda
in longitudinate richting door dorsale en ventrale lijsten van epidermis.
201
ovule
megaspore + integument
202
gram negatieve bacterie
staafvormig, om plasmamembraan zit dunne laag peptidoglycaan en daaromheen buitenmembraan met lipopolysacchariden, roze
203
welke 2 stadia van cnidaria zijn er en welke vorm van voortplanting hoort daarbij
1. poliep -> aseksueel 2. medusa (vrijzwemmend) -> seksueel
204
monotremata
groep mammalia => cloacadieren -> geen tepels, leggen eieren -> vogelbekdier, mierenegel
205
diploide generatie in de haplodiplontische levenscyclus
eicel en spermien fuseren tot zygote -> groeit tot meercellig sporofyt -> produceert sporen in sporangia -> sporocyten
206
obligaat anaeroob
prokaryoot die niet met zuurstof kan overleven
207
argechonium
eicellen productie
208
post-anale staart
uitsteeksel voorbij anus dat geen deel uitmaakt van het spijsverteringskanaal + spieren en skeletelementen die helpen bij voortbeweging
209
fimbriae/pili
eiwitdraden voor hechting en voor DNA-overdracht bij conjugatie
210
kapsel/capsule
bij prokaryoten polysachariden voor hechting en bescherming van het immuunsysteem
211
synapsida
1 holte achter oogkas
212
haplodiplontische levenscyclus
2 generaties: haploide (gametofyt) en diploide (sporofyt)
213
wat zit er in het plasmamembraan van schimmels
ergosterol
214
nematoda
rondwormen, pseudocoelomaat met cilindrisch lichaam en bilaterale symmetrie, mannen zijn kleiner en hebben copulatie-orgaan. tripoblastisch.
215
basidia
plaatjes/buisjes aan oppervlak paddenstoel
216
vasculair cambium
ring van meristematisch vaatbundelweefsel -> aan buitenkant wordt nieuw floeem afgezet, aan binnenkant xyleem -> ruimte beperkt dus xyleem wordt samengedrukt tot hout
217
spirochetes
indeling op vorm en dna seq gelijk
218
radula
mollusca, rasp-structuur in mond
219
chytridiomycota
primitieve schimmels -> moeten in water voortplanten
220
hyphae
schimmelkolonie van schimmeldraden
221
hydra's
cnidaria voorbeeld -> alleen poliepvorm, hangen aan waterplanten met hun voetschijf die kleverige stof afscheidt. ze eten kleine diertjes die ze met hun tentakels vangen.
222
sporofyt mos
seta (stengel) heeft 1 sporangium die soms operculum (dekseltje), peristoom (tandjes -> verspreiden sporen bij droogte door wind), calyptra (vliesje op operculum, is stukje gametofyt)
223
plathyhelminthes
platwormen,leven in zoetwater van dierlijke resten. Hebben een farynx, bilaterale symetrie met een dorsoventraal afgeplat lichaam, geen segmentatie,kunnen ongeslachtelijk voortplanten door deel achter farynx af te snoeren. Ocelli in kop en chemoreceptoren. hermadrofiet.
224
darmen platyhelminthes
links en rechts van mediaan, het is vertakt
225
actinostele
varenachtigen, protoxyleemstrengen
226
chromosoom prokaryoot
dsDNA, 1 circulair chromosoom, bevat de essentiele genen
227
hoe worden voedseldeeltjes opgenomen bij porifera
bij de choanocyten via voedselvacuolen via fagocytose. of in de amoebocyten
228
spieren nematoda
steken in pseudocoel. longitudinale en circulaire. spieren hebben uitlopers naar zenuwstrengen.
229
choanocyten (proifera)/kraagcellen
vangen voedsel mbv hun kraag van microvili (bundel van actine-filamenten), die spongocoel in steken hier zit een slijmlaag op waardoor voedsel blijft plakken. Tussen de microvili zitten verbindende microfilamenten. In het midden steekt een flagel (ring van 9 microtubuli doubletten met in het midden 2 enkele microtubuli (singletten)) uit -> zorgt voor waterstroming die voedseldeeltjes langs plakkerige microvili stuurt. voedseldeeltjes worden opgenomen in voedselvacuolen via fagocytose
230
waar is bevruchting in de porifera
in het mesophyll
231
volgorde aanpassingen chordata tot mammalia
notochord -> schedel en wervels -> kaken en benig skelet -> longen of longafgeleiden -> gelobde vinnen -> ledematen met tenen -> amniotisch ei -> melk
232
verschillen reptilia en mammalia
gebit, kaken, mammalia geeft melk
233
tiktaalik
overgang vis -> amfibie -> nek, platte schedel, poten verbonden met wervelkolom, botjes in voor en achterbin dezelfde configuratie als nu
234
paedomorfose
larvale/jeugdige karakteristieken blijven behouden in adult geslachtsrijp individu
235
obligaat aeroob
prokaryoot dat zuurstof nodig heeft om te overleven
236
choragogeen weefsel
peritoneum om de darm
237
waar bestaat de celwand van schimmels uit?
chitine en glucan
238
pharynxspleten
bij invertebraten vooral filtervoeding en bij vertebraten ademhaling door vorming van kieuwen. bij tetrapoden bijdrage aan vorming o.a. structuren in hoofd en nek
239
conjugatie
pilus vormt soort brug en dn krijg je via plasmide dna van andere cel
240
wat voor symmetrie hebben cnidaria
radiaal
241
hoe worden de sporen gekatapulteerd bij varens?
sporangia imploderen door droogte: buitenring heeft sterke celwand (annulus) en zwakke celwand (stomium), door droogte komt onderdruk op sporangium -> stomiumcellen breken -> sporangium klapt open
242
chemoautotroof
energie: inorganische stoffen, koolstof: CO2