Box 1: inkomen uit werk en woning?
Box 1: inkomen uit werk en woning
Wettelijke grondslag: art. 3.1 Wet IB 2001
X) Progressief tarief: hoe hoger het inkomen, hoe hoger belastingpercentage
X) Aftrekposten en verliezen verlagen belastbaar inkomen, maar alleen mogelijk binnen beperkte periode
X) Inkomsten uit aandelen/crypto vallen in beginsel in box 3, behalve bij meer dan normaal vermogensbeheer (bijv. handelen, inzet van kennis/arbeid); in dat geval vallen deze inkomsten als ROW in box 1
X) Terbeschikkingsregeling: belasten van inkomsten uit privévermogensbestanddelen dat aan de BV/verbonden persoon aan de BV ter beschikking wordt gesteld (art. 3.99b Wet IB 2001)
-> Bij verkoop van privévermogensbestanddelen wordt verschil tussen boekwaarde en verkoopprijs van privévermogensbestanddeel belast als resultaat uit terbeschikkingstelling
Rekenvoorbeeld tariefsysteem box 1
Rekenvoorbeeld tariefsysteem box 1:
Wettelijke grondslag: art. 2.10 Wet IB 2001
Stel: inkomen van 80.000 in box 1 in 2025
-> Eerste schijf; 38.441 x 35,82% = …
-> Tweede schijf; 76.815 - 38.441 x 37,48% = …
-> Derde schijf; 80.000 - 76.815 x 49,50% = …
Totaal belasting: eerste + tweede + derde schijf
Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang?
Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang:
Wettelijke grondslag: art. 4.1 Wet IB 2001
X) Aanmerkelijk belang: direct of indirect (via holding of fiscaal partner) aandelenbelang van minstens 5%
X) Progressief tarief: hoe hoger het inkomen, hoe hoger belastingpercentage
X) Aanmerkelijk belang omvat tevens:
-> Dividend: winstuitkering aan aandeelhouder met aanmerkelijk belang
-> Verkoopwinst: verschil tussen aankoop- en verkoopprijs van aandelen (ongeacht de werkelijke waarde van de aandelen)
X) Latente belastingclaim box 2: een nog niet-betaalde, toekomstige belastingverplichting over de waardestijging van aandelen in een aanmerkelijk belang; belasting wordt pas geheven bij realisatie van dividenduitkering of verkoop van aandelen
Rekenvoorbeeld tariefsysteem box 2
Rekenvoorbeeld tariefsysteem box 2:
Wettelijke grondslag: art. 2.12 Wet IB 2001
Stel: inkomen van 80.000 in box 2 in 2025
-> Eerste schijf; 67.804 x 24,5% = …
-> Tweede schijf; 80.000 - 67.804 x 31% = …
Totaal belasting: eerste + tweede schijf
Verschil forfaitair/fictief?
X) Forfaitair: er wordt een vast bedrag gebruikt i.p.v. het exacte werkelijke bedrag
X) Fictief: er wordt iets verondersteld, ook al bestaat het werkelijk niet
Box 3: inkomen uit sparen en beleggen?
Box 3: inkomen uit sparen en beleggen:
Wettelijke grondslag: art. 5.1 Wet IB 2001
X) Forfaitaire vaststelling van belastbaar inkomen o.g.v. fictief rendement per vermogenscategorie; ook koerswinsten en waardestijgingen op papier worden meegenomen, ongeacht het werkelijke rendement
X) Tarief bedraagt 36% (art. 2.13 Wet IB 2001); veroorzaak dus geen progressief/degressief belastingeffect
X) Heffingsvrijvermogen bedraagt 59.357 (art. 5.5 Wet IB 2001); alleen vermogen boven deze grens wordt belast
X) Belastbaar inkomen is nooit negatief (fictief rendement is minimaal 0%); geen recht op belastingteruggaaf
X) Hypothecaire leningen (schulden) (bijv. lening voor kopen van aandelen) worden meegenomen bij bepalen van vermogen
X) Beleggingen zonder aanmerkelijk belang worden belast o.g.v. fictief rendement op het totale vermogen
X) Loterijwinsten worden meegenomen in het jaar waarin het recht op de prijs ontstaat, ongeacht het moment van uitbetaling; de loterijwinst zelf is belastingvrij, maar zodra deze tot het vermogen behoort (bijv. op de spaarrekening staat), dan wordt box 3-heffing gehven
X) Roerende zaken voor privégebruik vallen niet in box 3, tenzij het een beleggingskarakter heeft (bijv. kunst)
Rekenvoorbeeld tariefsysteem box 3
Rekenvoorbeeld tariefsysteem box 3:
Wettelijke grondslag: art. 2.13 Wet IB 2001
Stel dat je 500 wint bij een loterij. Over deze winst wordt direct kansspelbelasting ingehouden, waardoor je uiteindelijk ongeveer 311 op je rekening ontvangt. Dit bedrag van 311 vormt daarna onderdeel van je vermogen
Als je totale vermogen op 1 januari boven het heffingsvrij vermogen ligt (ongeveer 59.357), kijkt de Belastingdienst naar een fictief rendement over dat vermogen. In dit voorbeeld zou dat bijvoorbeeld 4,5% van 311 zijn, wat neerkomt op ongeveer 14. Over dat fictieve rendement betaal je vervolgens 36% belasting, dus ongeveer 5
Het is belangrijk om te beseffen dat je deze belasting alleen betaalt over het bedrag dat je daadwerkelijk hebt, dus 311 en niet de oorspronkelijke 500
Bovendien geldt dit alleen als je totale vermogen boven de vrijstellingsgrens uitkomt; als je daaronder zit, betaal je geen box 3-belasting
Rangorderegeling?
Rangorderegeling:
Wettelijke grondslag: art. 2.14 Wet IB 2001
X) Inkomsten vallen in meerdere boxen, maar worden toegerekend volgens een vaste wettelijke volgorde (box 1 voor box 2 voor box 3)
X) Regeling voorkomt dat inkomen uit dienstbetrekking tegelijkertijd wordt belast als ROW, maar sluit sfeerovergang niet uit
X) Sfeerovergang: als inkomsten tussen boxen ‘overgaan’, omdat ze niet in één box passen
Heffingskortingen?
Heffingskortingen:
X) Verlagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen, afgestemd op persoonlijke omstandigheden en draagkracht
X) Algemene heffingskorting: inkomensafhankelijk voordeel; gebaseerd op het verzamelinkomen en neemt af tot nihil bij hogere inkomens
-> Zorgt ervoor dat deel van het inkomen onbelast blijft, maar is te laag voor een bestaansminimum
X) Arbeidskorting: inkomensafhankelijk voordeel voor werkenden; stimuleert de arbeidsparticipatie en bevoordeelt zo lage en middeninkomens