EFGH Flashcards

(41 cards)

1
Q

Wat is een eentoppige verdeling?

A

Een verdeling met één top

Dit verwijst naar de vorm van de verdeling in statistische analyses.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is de eenweg-variantieanalyse?

A

Bivariate variantieanalyse met één onafhankelijke variabele

Dit type analyse onderzoekt het verband tussen twee variabelen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Definieer het begrip effect.

A

Een verband tussen variabelen

In statistische analyses impliceert dit niet noodzakelijk causaliteit.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is de effectgrootte?

A

Een getal dat de sterkte van het verband tussen twee variabelen weergeeft

Effectgrootte kan worden uitgedrukt met Pearson’s r, Cohen’s d of ω2.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is een effectmaat?

A

Een maat die de sterkte van het verband tussen twee variabelen uitdrukt

Voorbeelden zijn Pearson’s r, Cohen’s d en ω2.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is de effectvariantie?

A

Het deel van de variantie in de afhankelijke variabele dat wordt verklaard door de factor

Dit wordt ook wel modelvariantie genoemd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat zijn de fasen van de empirische onderzoekscyclus?

A
  • Formulering van een onderzoeksvraag
  • Ontwerp van een studie
  • Verzameling van data
  • Analyse van de verzamelde data
  • Rapportage over het proces en de uitkomsten

Deze fasen zijn iteratief en kunnen door elkaar lopen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is error in de context van variabelen?

A

Alle spreiding in een variabele veroorzaakt door niet-geïnteresseerde variabelen

Voorbeelden zijn individuele verschillen en meetfouten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Definieer errorvariantie.

A

Het deel van de variantie in de afhankelijke variabele dat niet wordt verklaard door een factor

Dit wordt ook wel residuele variantie genoemd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is eta2 (η2)?

A

Een effectmaat voor het verband tussen een categorische variabele en een continue variabele

Het gebruik van η2 wordt afgeraden; ω2 is beter.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is de rol van ethische toetsing in wetenschappelijk onderzoek?

A

Onderzoek met levende wezens moet ethisch getoetst worden voordat het kan worden uitgevoerd

Dit gebeurt bij de Open Universiteit door de commissie Ethische Toetsing Onderzoek.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is een experiment?

A

Een opzet waarbij de onafhankelijke variabele wordt gemanipuleerd en de afhankelijke variabele wordt gemeten

Dit maakt het mogelijk om causale verbanden te onderzoeken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is externe validiteit?

A

De mate waarin de uitkomsten van de studie gegeneraliseerd kunnen worden naar de doelpopulatie

Dit betreft de generaliseerbaarheid van de bevindingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is de F-waarde?

A

Het quotient van de effectvariantie en de errorvariantie in variantieanalyse

De F-waarde is verdeeld volgens de F-verdeling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is de F-verdeling?

A

De verdeling van de F-waarde, bepaald door de vrijheidsgraden

Deze verdeling wordt gebruikt om de kans op een gegeven F-waarde te berekenen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is een factor in de context van variantieanalyse?

A

Een categorische onafhankelijke variabele

In experimenten wordt een factor gemanipuleerd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat betekent falsificatie?

A

Een theorie wordt gefalsifieerd als er bewijs is dat hypothesen niet kloppen

Wetenschappelijke theorieën moeten falsifieerbaar zijn.

18
Q

Wat zijn follow-upmetingen?

A

Meetmomenten na de voormeting en nameting in een design met meerdere meetmomenten

Dit helpt bij het volgen van veranderingen over tijd.

19
Q

Wat zijn frequenties?

A

De aantallen datapunten binnen een gegeven meetwaarde

Frequenties worden vaak gepresenteerd in frequentietabellen.

20
Q

Wat is een frequentietabel?

A

Een tabel waarin voor elke mogelijke meetwaarde de frequenties staan

Alleen voor categorische variabelen worden frequentietabellen gegenereerd.

21
Q

Wat is een frequentieverdeling?

A

De combinatie van mogelijke meetwaarden en frequentie per meetwaarde van een variabele

Dit toont hoe verdelingen van categorische variabelen zich manifesteren.

22
Q

Wat betekent full disclosure in wetenschappelijk onderzoek?

A

Openheid over alle informatie die nodig is om het onderzoek te repliceren

Dit omvat data en analysescripts.

23
Q

Wat betekent gebiased?

A

Verstoord, vaak door systematische verstoring

Voorbeelden zijn systematische meetfouten.

24
Q

Wat is een gemiddelde?

A

Een centrummaat verkregen door alle datapunten op te tellen en te delen door het aantal datapunten

Dit beschrijft een datareeks van continue data.

25
Wat is **generalisatie**?
Het doen van uitspraken over een populatie op basis van onderzoek in een steekproef ## Footnote Generalisatie is toegestaan bij aselecte steekproeven.
26
Wat betekent **geoperationaliseerd**?
De wijze waarop een variabele in een studie wordt gerepresenteerd ## Footnote Dit kan door een meetinstrument of manipulatie.
27
Wat is een **gepaarde t-toets**?
Een t-toets waarbij twee datareeksen worden vergeleken die afhankelijk zijn ## Footnote Dit gebeurt bij herhaalde metingen bij dezelfde deelnemers.
28
Wat is een **gepoolde standaarddeviatie**?
Een gemiddelde standaarddeviatie tussen meerdere steekproeven ## Footnote Grotere steekproeven worden zwaarder gewogen.
29
Wat betekent **gerandomiseerd**?
Deelnemers worden willekeurig toegewezen aan verschillende condities ## Footnote Dit is essentieel voor het minimaliseren van bias in experimenten.
30
Wat betekent **gestandaardiseerd**?
Dat alle datapunten zijn omgezet in een z-score ## Footnote Dit maakt vergelijkingen tussen verschillende datasets mogelijk.
31
Wat is een **gestratificeerde aselecte steekproef**?
Een steekproef waarbij de populatie wordt opgedeeld in subpopulaties en uit elke subpopulatie een aselecte steekproef wordt getrokken ## Footnote Dit zorgt ervoor dat de verhouding tussen subpopulaties in de steekproef gelijk is aan die in de populatie.
32
Wat is een **grafiek**?
Een grafische weergave van een datareeks of getallen uit datareeksen ## Footnote Voorbeelden zijn histogrammen, boxplots en scatterplots.
33
Wat is de **hellingscoëfficiënt**?
De toename in de variabele op de y-as als de variabele op de x-as verandert ## Footnote Dit drukt uit hoe steil een lijn in een grafiek stijgt.
34
Wat is een **histogram**?
Een grafische weergave van een reeks datapunten ## Footnote In een histogram wordt de verdeling van de betreffende variabele zichtbaar gemaakt.
35
Wat drukt de **hellingscoëfficiënt** uit in een grafiek?
Hoe steil een lijn stijgt ## Footnote De helling is de toename in de variabele op de y-as als de variabele op de x-as met 1 toeneemt.
36
Wat betekent **homoscedastiteit** in de context van variantieanalyse?
De varianties van alle groepen zijn gelijk ## Footnote Het antoniem is heteroscedastiteit, waar verschillende groepen verschillende spreiding vertonen.
37
Definieer een **hypothese**.
Een onderzoeksvraag die als een stelling geformuleerd is ## Footnote Bijvoorbeeld: 'Tussen extraversie en sociale steun bestaat een middelsterk verband'.
38
Wat is het antoniem van **homoscedastiteit**?
Heteroscedastiteit ## Footnote Dit verwijst naar de situatie waarin verschillende groepen verschillende spreiding vertonen.
39
Wat maakt een **histogram** zichtbaar?
De verdeling van de betreffende variabele ## Footnote Hiermee kan vastgesteld worden of de variabele normaal verdeeld is, of multimodaal, linksscheef en/of rechtsscheef.
40
Wat is de betekenis van een **negatieve hellingscoëfficiënt**?
De toename in de variabele op de y-as is een afname ## Footnote Dit betekent dat de variabele op de y-as afneemt als de variabele op de x-as met 1 toeneemt.
41
Wat is een voorbeeld van een **hypothese** in onderzoek?
'Extraversie en sociale steun hangen samen' ## Footnote Onderzoekers beschouwen een significante p-waarde als evidentie voor die samenhang.