QRST Flashcards

(60 cards)

1
Q

Wat is een Q-Q-plot?

A

Een grafiek waarin de geobserveerde kwantielen in een datareeks op de y-as worden geplot en de theoretische kwantielen op de x-as

Als de verdeling van de datareeks normaal is, liggen alle punten op een rechte diagonale lijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn Q1 en Q3?

A

Kwartielen

Q1 is het eerste kwartiel en Q3 is het derde kwartiel in een dataset.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is de Engelse term voor kwartiel?

A

Quartile

Kwartielen verdelen een dataset in vier gelijke delen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is quota sampling?

A

Een vorm van non-probability sampling waarbij selecte steekproeven worden getrokken

Dit gebeurt door bijvoorbeeld convenience sampling of snowball sampling toe te passen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is de r-verdeling?

A

De verdeling van de Pearson correlatiecoëfficiënt

Deze steekproevenverdeling kan gebruikt worden om de kans op een gegeven r te berekenen onder aanname van de nulhypothese.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is R in de context van statistiek?

A

Statistisch programma of de multipele correlatie in regressieanalyse

R is een veelgebruikte programmeertaal voor statistische analyses.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat betekent R2?

A

Het kwadraat van de multipele correlatie in regressieanalyse

Dit is de proportie verklaarde variantie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is een R-script?

A

Een R-analysescript: een verzameling van statistische commando’s

Dit wordt gebruikt voor het uitvoeren van analyses in R.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is randomisatie?

A

Het proces waarmee onderzoekseenheden willekeurig worden verdeeld over condities

Dit resulteert in equivalente groepen als het aantal onderzoekseenheden groot genoeg is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is de range?

A

Het verschil tussen het maximum en minimum van een datareeks

De range moet nooit in zijn eentje als spreidingsmaat gebruikt worden vanwege de invloed van outliers.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is een variabele op het rationiveau?

A

Een continue variabele met een absoluut nulpunt

Dit betekent dat de getallen in verhouding tot elkaar betekenis hebben.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat betekent het als een variabele rechtsscheef is?

A

De meeste datapunten hebben een relatief lage score

De staart van de verdeling ligt aan de rechterkant in een histogram.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is een reflectief meetmodel?

A

Een model waarin lijnen van het construct naar de indicatoren lopen

Dit veronderstelt dat het construct bepaalt hoe een persoon scoort op de indicatoren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is regressieanalyse?

A

Een statistische analyse waarbij een regressiemodel wordt geschat

Dit model voorspelt een afhankelijke variabele op basis van een of meer predictoren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is een regressiemodel?

A

De verzameling van alle regressiecoëfficiënten in een regressieanalyse

Dit model wordt gebruikt om de beste voorspelling van de afhankelijke variabele te berekenen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat zijn regressiecoëfficiënten?

A

Het intercept en de hellingscoëfficiënten van de voorspellers in een regressieanalyse

De hoogte geeft aan hoeveel de afhankelijke variabele toeneemt als de voorspeller met 1 toeneemt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is replicatie in onderzoek?

A

Exacte herhaling van een studie om na te gaan of dezelfde uitkomsten worden gevonden

Een onderzoek is repliceerbaar als het proces transparant is en materialen gedeeld worden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is de replicatiecrisis?

A

De vaststelling dat veel onderzoek in de sociale wetenschappen bij replicatie andere uitkomsten oplevert

Dit komt door publication bias en dubieuze onderzoekspraktijken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat betekent representativiteit van een steekproef?

A

De mate waarin de steekproef gegeneraliseerd kan worden naar de populatie

Een voorwaarde is dat de steekproef aselect uit de populatie gekozen wordt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat is ruis in metingen?

A

Een andere term voor de error bij de meting van een variabele

Dit omvat alle bronnen van variatie waar de onderzoeker niet in geïnteresseerd is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat betekent samenhang tussen twee variabelen?

A

Er bestaat een verband tussen die twee variabelen

Dit betekent dat de waarde van de ene variabele voorspeld kan worden uit de waarde van de andere.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat is een scatterplot?

A

Een grafiek die het verband tussen twee variabelen verbeeldt

De onafhankelijke variabele staat meestal op de x-as en de afhankelijke op de y-as.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wat is een schaalverdeling?

A

De schaal waarop een variabele wordt gemeten

Dit kan uitgedrukt worden als het verschil tussen de maximaal en minimaal mogelijke meetwaarden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Wat is een schatter?

A

Een getal dat indicatief is voor een bepaalde waarde in een populatie

Alle waardes die over een dataset berekend kunnen worden zijn schatters.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Wat is een **schatting**?
Een voorspelling voor de waarde van een gegeven variabele ## Footnote Een schatting geeft de corresponderende populatiewaarde aan.
26
Wat is **skewness**?
Een maat voor de scheefheid van een verdeling ## Footnote Een symmetrische verdeling heeft een skewness van 0.
27
Wat is een **selecte steekproef**?
Een steekproef die niet willekeurig is gekozen uit de populatie ## Footnote Dit betekent dat de kans dat een onderzoekseenheid in de steekproef belandt afhangt van bepaalde variabelen.
28
Wat betekent **significant** in statistiek?
Een effectgrootte is significant als de kans op zo’n extreme effectgrootte kleiner is dan de gespecificeerde alpha ## Footnote Dit geeft aan dat er reden is om aan te nemen dat er een verband bestaat in de populatie.
29
Wat is de **nulhypothese**?
De aanname dat er geen effect of verband bestaat in de populatie ## Footnote De nulhypothese wordt vaak getest met behulp van significantietoetsing.
30
Wat betekent het als een verband **significant** is?
Er is reden om aan te nemen dat er een verband bestaat in de populatie ## Footnote Dit wordt vastgesteld met een p-waarde kleiner dan de gespecificeerde alpha.
31
Wat is een **betrouwbaarheidsinterval**?
Een schatting van de range waarbinnen de werkelijke waarde van een parameter ligt ## Footnote Het geeft informatie over de sterkte van het verband.
32
Wat is **snowball sampling**?
Een steekproeftrekking waarbij deelnemers andere deelnemers uitnodigen ## Footnote Dit wordt vaak gebruikt bij moeilijk te bereiken groepen.
33
Wat zijn **gespiegelde items** in een meetinstrument?
Items die omgekeerd gesteld zijn en omgekeerd gecodeerd moeten worden ## Footnote Voorbeelden zijn te vinden in vragenlijsten.
34
Wat is de **spitsheid** in statistiek?
Een maat voor de scherpte van de verdeling ## Footnote Zie ook kurtosis.
35
Wat is **spreiding**?
De afstand van datapunten tot de centrummaten ## Footnote Het geeft aan hoe verspreid de data zijn.
36
Wat zijn de **spreidingsmaten** die in deze cursus behandeld worden?
* Standaarddeviatie * Variantie * Variatie * Interkwartielafstand ## Footnote Deze maten representeren de hoeveelheid spreiding in een reeks datapunten.
37
Wat is de **standaarddeviatie**?
Een spreidingsmaat die de gemiddelde afwijking van het gemiddelde uitdrukt ## Footnote Het wordt berekend door de wortel van de variantie te nemen.
38
Wat is de **standaardfout**?
De standaarddeviatie van een steekproevenverdeling ## Footnote Het geeft aan hoe accuraat de schatter is.
39
Wat is **standaardiseren**?
Het omzetten van datapunten naar z-scores ## Footnote Dit gebeurt door van elk datapunt het gemiddelde af te trekken en te delen door de standaarddeviatie.
40
Wat is de **standaardnormale verdeling**?
Een normaalverdeling met een gemiddelde van 0 en een standaarddeviatie van 1 ## Footnote Het wordt vaak gebruikt in statistische analyses.
41
Wat is de **t-toets**?
Een toets die gebruikt wordt om de p-waarde te berekenen voor het verband tussen een dichotome en een continue variabele ## Footnote Het is een onderdeel van nulhypothese-significantietoetsing.
42
Wat is de **t-verdeling**?
Een variatie op de normaalverdeling die rekening houdt met extra onzekerheid bij steekproeven ## Footnote De t-waarde is afkomstig uit deze verdeling.
43
Wat zijn **state-variabelen**?
Variabelen die veranderlijk zijn van moment tot moment ## Footnote Voorbeeld: humeur.
44
Wat zijn **trait-variabelen**?
Stabiele variabelen die weinig veranderen over tijd ## Footnote Voorbeeld: persoonlijkheidskenmerken.
45
Wat is een **steekproef**?
Een selectie van onderzoekseenheden uit een populatie ## Footnote Het kan random of select zijn, afhankelijk van het type onderzoek.
46
Wat is **steekproeffout**?
De ruis of verstoring die ontstaat door het trekken van een steekproef ## Footnote Hoe groter de steekproef, hoe kleiner de steekproeffout.
47
Wat is een **steekproefomvang**?
Het aantal onderzoekseenheden in een gegeven steekproef ## Footnote Dit is meestal het aantal deelnemers in een studie.
48
Wat is de **steekproevenverdeling**?
De theoretische verdeling waar een schatter uit afkomstig is ## Footnote Het toont de verdeling van waarden die de schatter kan aannemen.
49
Wat zijn **stimuli** in onderzoek?
Beelden, geluiden, woorden of video’s die aan deelnemers gepresenteerd worden ## Footnote Ze maken vaak deel uit van meetinstrumenten.
50
Wat is een **subpopulatie**?
Een specifieker gedefinieerde populatie ## Footnote Voorbeelden zijn mannen of jongeren.
51
Wat is een **systematische meetfout**?
Een systematische vertekening van het meetresultaat ## Footnote Dit kan voortkomen uit een niet-valide meetinstrument.
52
Wat is een **type 1-fout** in de nulhypothese-significantietoetsing (NHST)?
De kans dat de nulhypothese ten onrechte wordt verworpen ## Footnote De kans op een type 1-fout wordt door onderzoekers zelf bepaald en is gelijk aan de gehanteerde alpha.
53
Wat is een **type 2-fout** in de nulhypothese-significantietoetsing (NHST)?
De kans dat de nulhypothese ten onrechte niet wordt verworpen ## Footnote Dit betekent dat een studie er niet in slaagt een verband aan te tonen dat in werkelijkheid wel bestaat in de populatie.
54
Hoe verhoudt de kans op een **type 2-fout** zich tot de **power** van een studie?
De kans op een type 2-fout is het complement van de power ## Footnote Samen zijn ze precies 1.
55
Wat is een voorbeeld van een **trait-variabele**?
Persoonlijkheidskenmerken ## Footnote Trait-variabelen veranderen bijna niet over de tijd.
56
Wat is een voorbeeld van een **state-variabele**?
Humeur ## Footnote Humeur kan erg veranderlijk zijn van moment tot moment.
57
Wat is een **transformatie** in de context van datapunten?
De toepassing van dezelfde berekening op alle datapunten ## Footnote Voorbeelden van transformaties zijn centreren en standaardiseren.
58
Wat is een **bimodale verdeling**?
Een verdeling met twee toppen ## Footnote Dit wordt ook wel een tweetoppige verdeling genoemd.
59
Wat is de relatie tussen **steekproefomvang** en de kans op een type 2-fout?
Hoe groter de steekproefomvang, hoe groter de power en hoe kleiner de kans op een type 2-fout ## Footnote Een grotere steekproefomvang resulteert in een smallere steekproevenverdeling door minder meetfout.
60
Wat zijn de gevolgen van **accurate meting** voor de kans op een type 2-fout?
Het verlaagt de kans op een type 2-fout ## Footnote Accurater meten resulteert in een smallere steekproevenverdeling.