HC2 Flashcards

(30 cards)

1
Q

Welke algemene beïnvloedingsmodellen worden gebruikt voor analyse van doelgroep en interventie?

A
  1. Elaboration Likelihood Model (ELM) 2. Inoculation Theory 3. Theory of Planned Behavior 4. Reasoned Action Model (RAM) 5. Cialdini’s principes van sociale invloed
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat verklaart het Elaboration Likelihood Model (ELM)?

A

Het model verklaart hoe overtuiging verloopt via twee routes: centrale (diep, bewust) en perifere (oppervlakkig, via cues).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wanneer gebruik je de centrale route (ELM)?

A

Wanneer iemand gemotiveerd en cognitief in staat is om informatie diep te verwerken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wanneer gebruik je de perifere route (ELM)?

A

Wanneer iemand weinig motivatie of capaciteit heeft en beïnvloed wordt door heuristieken of signalen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is het doel van Inoculation Theory?

A

Mensen weerbaarder maken tegen misinformatie door vooraf zwakke tegenargumenten te geven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Hoe werkt Inoculation Theory?

A

Door een waarschuwing en een zwakke aanval te geven, leren mensen argumenten weerleggen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat verklaart de Theory of Planned Behavior?

A

Gedrag wordt voorspeld door intentie, die afhankelijk is van attitudes, normen en waargenomen controle.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn Cialdini’s principes van sociale invloed?

A
  1. Wederkerigheid 2. Schaarste 3. Autoriteit 4. Consistentie 5. Sympathie 6. Sociale bewijskracht
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke technologiegerichte modellen worden gebruikt voor gedragsverandering?

A
  1. Fogg Behavior Model (B=MAT) 2. Persuasive Systems Design (PSD) 3. Reasoned Action Model (RAM)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat verklaart het Fogg Behavior Model (B=MAT)?

A

Gedrag ontstaat wanneer motivatie, ability en een trigger tegelijkertijd aanwezig zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat gebeurt er als één component ontbreekt in Fogg?

A

Dan vindt het gedrag niet plaats.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is het doel van Persuasive Systems Design (PSD)?

A

Een gestructureerde aanpak bieden om technologie te ontwerpen die gedrag beïnvloedt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Waarom is technologie volgens PSD nooit neutraal?

A

Omdat ontwerpkeuzes altijd gedrag sturen of beïnvloeden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat zijn ethische principes van PSD?

A
  1. Geen verborgen doelen 2. Bruikbaar ontwerp 3. Niet-opdringerig
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Welke stappen biedt PSD voor interventieontwerp?

A
  1. Context analyseren 2. Strategie bepalen 3. Functies selecteren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat betekent doelgroep binnen PSD-context?

A

De groep waarop de interventie zich richt.

17
Q

Wat betekent intent binnen PSD-context?

A

Het doel van de interventie.

18
Q

Wat betekent persuader binnen PSD-context?

A

Wie beïnvloedt en waarom.

19
Q

Wat betekent change type binnen PSD-context?

A

Welk gedrag of denken moet veranderen.

20
Q

Welke contextfactoren analyseer je binnen PSD?

A
  1. Gebeurtenis 2. Gebruikscontext 3. Gebruikersprofiel 4. Technologische context
21
Q

Wat omvat de boodschap binnen PSD-strategie?

A

De inhoud, toon, emotie, feedback en mate van personalisatie.

22
Q

Welke elementen horen bij de boodschap?

A
  1. Kennisoverdracht 2. Waarschuwingen 3. Herinneringen 4. Aanmoediging
23
Q

Wat is de route binnen PSD-strategie?

A

Hoe de boodschap wordt overgebracht via kanaal, interactie en psychologische route.

24
Q

Welke psychologische routes bestaan?

A
  1. Centrale route 2. Perifere route
25
Wat zijn drijfveren van polarisatie?
1. Identiteit en groepsgevoel 2. Sociale media en algoritmen
26
Welke denkfouten spelen bij sociale media?
1. Confirmation bias 2. Availability heuristic 3. False consensus effect
27
Welke factoren analyseer je met RAM in doelgroep?
1. Overtuigingen 2. Normen 3. Denkfouten 4. Beperkingen 5. Vaardigheden
28
Wat betekent ‘meestromen’?
Het benutten van denkfouten om gedrag te beïnvloeden.
29
Wat betekent ‘tegenstroom’?
Het neutraliseren van denkfouten om gedrag te veranderen.
30
Wat is de kern van design thinking mindset?
Itereren, omgaan met onzekerheid en blijven aanpassen.