Wat is een juiste omschrijving van een erfdienstbaarheid in de zin van artikel 5:70 lid 1 BW?
A. Het is een beperkt recht dat de eigenaar van het dienend erf verplicht om bepaalde rechtshandelingen te dulden, zoals het afstaan van een deel van zijn perceel voor gemeenschappelijk gebruik.
B. Het is een afhankelijk recht dat verbonden is aan een erf, waarbij de eigenaar van dat erf op basis van een notariële akte en inschrijving in de openbare registers het recht verkrijgt op het gebruik van een voorziening op een aangrenzend perceel.
C. Het is een gebruiksrecht dat voortvloeit uit duurzame en zichtbare uitoefening van een feitelijke toestand, waarbij het recht van natrekking wordt doorbroken in het voordeel van de eigenaar van het heersend erf.
D. Het is een beperkt zakelijk recht dat ten behoeve van een heersend erf inhoudt dat de eigenaar daarvan bevoegd is om op, boven of onder het dienend erf iets te dulden of niet te doen, zoals het gebruik van een pad, afvoer of uitzicht.
Correct antwoord: D
📚 Uitleg waarom de andere antwoorden fout maar verleidelijk zijn:
A. Klinkt juridisch — maar is fout omdat een erfdienstbaarheid nooit een verplichting tot rechtshandelen inhoudt (zie HR 2003, Van Ommen/Baris). Ze ziet alleen op feitelijk dulden of nalaten.
B. Verwijst correct naar de vereisten van vestiging (akte + inschrijving), en noemt het erf. Maar noemt het een afhankelijk recht, terwijl een erfdienstbaarheid juist een beperkt maar zelfstandig zakelijk recht is (art. 3:8 BW, niet art. 3:7 BW).
C. Is een verwarring met verkrijgende verjaring of vestiging van een erfdienstbaarheid door verjaring (art. 5:72 BW). Bovendien is er geen sprake van doorbreking van natrekking, want dat speelt bij opstal, niet bij erfdienstbaarheden.
D. Is juist: dit beschrijft precies wat in art. 5:70 lid 1 BW staat:
Een erfdienstbaarheid is een last waarmede een erf (het dienend erf) ten behoeve van een ander erf (het heersend erf) is bezwaard, in die zin dat de eigenaar van het heersend erf bepaalde bevoegdheden uitoefent op het dienend erf of dat de eigenaar van het dienend erf bepaalde handelingen moet nalaten of dulden.
Veelvoorkomende voorbeelden:
Recht van weg, voetpad of rijpad
Recht op waterafvoer
Recht op licht en uitzicht, ook als dat in strijd is met burenrecht (bijv. art. 5:50 BW)
Welke stelling is onjuist?
1. Een beperkt recht is een recht dat is afgeleid uit een meer omvattend recht, dat met het beperkte recht is bezwaard.
2. Wettelijke regeling van beperkte rechten vinden we in Boek 5.
3. Het meest omvattende recht dat men op een (vermogens)recht kan hebben heet ‘gerechtigd zijn tot’ of ‘recht hebben’ op.
4. Alle stellingen zijn juist
5. Alle stellingen zijn onjuist
In welke van de onderstaande voorbeelden is sprake van een toegestane uitzondering op het verbod van een “doen” binnen een erfdienstbaarheid?
1. In de vestigingsakte is bepaald dat de eigenaar van het dienend erf verplicht is een houten schutting te plaatsen tussen de erven, omdat die nodig is om inkijk op het heersend erf te beperken.
2. De eigenaar van het dienend erf is verplicht om jaarlijks een rapport op te stellen over de staat van zijn erf en dit aan de eigenaar van het heersend erf te overhandigen.
3. In de vestigingsakte is bepaald dat de eigenaar van het dienend erf verplicht is om iedere maand een bedrag van € 50 te betalen aan de eigenaar van het heersend erf.
4. De eigenaar van het dienend erf is verplicht om jaarlijks het gras op het erf van het heersend erf te maaien.
Welk(e) voorbeeld (of voorbeelden) is/zijn rechtsgeldig als inhoud van een erfdienstbaarheid?
1. Alleen 1
2. Alleen 1 en 3
3. Alleen 2 en 4
4. Alleen 1, 3 en 4
3 is NIET toegestaan: Volgens artikel 5:70 lid 2 BW mag een geldsom (retributie) worden opgelegd als dat in de vestigingsakte is opgenomen. Echter, artikel 5:70 lid 2 BW ziet uitsluitend op een geldsom (retributie) die de eigenaar van het heersend erf moet betalen aan de eigenaar van het dienend erf, niet andersom.
2 is niet toegestaan: Het opstellen van een rapport is een rechtshandeling, en géén feitelijk doen; zulke verplichtingen mogen geen onderdeel zijn van een erfdienstbaarheid.
4 is niet toegestaan: Onderhoudsplicht van het heersend erf is niet toegestaan – artikel 5:71 lid 2 ziet alleen op onderhoud van het dienend erf.
Welke uitspraak over eigendom in relatie tot erfpacht en het recht van opstal is juist?
❌ Waarom de andere antwoorden onjuist zijn:
Antwoord 1: Onjuist. Het doel van opstalrecht is juist om afwijking van natrekking mogelijk te maken.
Antwoord 2: Onjuist. Soms is erfpacht gecombineerd met opstal.
Antwoord 3: Onjuist. Dit is juist niet het geval bij een recht van opstal; daar blijft het gebouw bij de opstaller, niet bij de grondeigenaar.
Welke stelling is onjuist?
1. Als Joosten een recht van erfpacht krijgt op een stuk grond van de gemeente, heeft de gemeente tijdens de duur van het erfpachtrecht de blote eigendom van de grond.
2. Erfpacht, vruchtgebruik en pandrecht zijn beperkte rechten van het type “gebruiksrecht”.
3. Gebruiksrechten verschaffen de beperkt gerechtigde het genot en gebruik van het goed waarop zij rusten. Zekerheidsrechten verschaffen de rechthebbende de bevoegdheid het goed waarop zij rusten, te gelde te maken, teneinde uit de opbrengst een geldvordering bij voorrang te verhalen.
4. Alle antwoorden zijn juist.
5. Meerdere antwoorden zijn onjuist.
Wat is geen verplichting van de vruchtgebruiker?
1. Beheer van de goederen.
2. Bij het begin van het vruchtgebruik een boedelbeschrijving op te maken.
3. Aan het vruchtgebruik onderworpen voorwerp te verzekeren tegen die gevaren, waartoe het gebruikelijk is een verzekering af te sluiten.
4. Gewone herstellingen te verrichten en ervoor te betalen.
5. Het zijn allemaal verplichtingen van de vruchtgebruiker.
Welke van de volgende afspraken kan niet in de vorm van een erfdienstbaarheid worden gegoten?
(a) b+d
(b) A, eigenaar van een grachtenpand, bedingt van zijn buurman B dat laatstgenoemde zijn huis niet zal verkopen aan een derde zonder de instemming van A met betrekking tot de persoon van de koper.
(c) geen antwoord is juist
(d) A, eigenaar van een woonhuis, komt met zijn buurman B overeen dat laatstgenoemde geen hoog opschietende bomen op zijn grond zal planten.
(b) A, eigenaar van een grachtenpand, bedingt van zijn buurman B dat laatstgenoemde zijn huis niet zal verkopen aan een derde zonder de instemming van A met betrekking tot de persoon van de koper.
==>
De last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt, kan niet bestaan in een verplichting om rechtshandelingen te dulden of niet te doen. De last kan alleen bestaan in een feitelijk dulden of nalaten (artikel 5:71, eerste lid). De verplichting om een huis niet te verkopen aan een derde zonder de instemming van de buurman kan dus niet in de vorm van een erfdienstbaarheid worden gegoten.
De verplichting genoemd in (d) bestaat uit een feitelijk dulden of nalaten, zodat deze tot inhoud van een erfdienstbaarheid kunnen worden gemaakt.
Welke van de onderstaande situaties zijn rechtsgeldige erfdienstbaarheden in de zin van artikel 5:70 lid 1 BW en artikel 5:71 BW?
1. Buurman A verplicht zich tegenover buurman B om op zijn erf geen gebouw hoger dan zeven meter op te richten, zodat B voldoende zonlicht in zijn tuin houdt.
2. De eigenaar van het dienend erf moet jaarlijks op verzoek van de eigenaar van het heersend erf een schriftelijk rapport opstellen over zijn grondgebruik.
3. Een fabriek wordt verplicht om geen gassen te lozen die schadelijk zijn voor een wijngaard op een op grote afstand gelegen erf.
4. De eigenaar van het dienend erf moet op verzoek van de eigenaar van het heersend erf een vergoeding betalen voor gebruik van diens oprit.
Welke combinatie bevat uitsluitend rechtsgeldige erfdienstbaarheden?
1. Alleen 1
2. Alleen 1 en 2
3. Alleen 1 en 3
4. Alleen 2 en 4
Optie 3 is geldig: hoewel het heersend erf op afstand ligt, is er sprake van feitelijk gedrag (nalaten van lozing) ten behoeve van dat erf — toegestaan volgens rechtspraak en literatuur.
Optie 2 is niet geldig: de last betreft een rechtshandeling (opstellen rapport), en niet een feitelijke gedraging.
Optie 4 is niet geldig: het gaat hier om een verplichting tot betaling (verbintenisrechtelijk), wat geen toegestane last is onder art. 5:71 BW.
Waarom is het recht van vruchtgebruik geregeld in Boek 3 BW, en het recht van erfdienstbaarheid in Boek 5 BW?
1. Omdat vruchtgebruik alleen op onroerende zaken rust, en erfdienstbaarheid ook op vorderingen kan worden gevestigd.
2. Omdat vruchtgebruik een beperkt recht is dat zowel op zaken als op vermogensrechten kan rusten, terwijl erfdienstbaarheid uitsluitend op zaken kan rusten.
3. Omdat vruchtgebruik door natuurlijke personen wordt gebruikt en erfdienstbaarheid door rechtspersonen.
4. Omdat Boek 3 uitsluitend vermogensrechten behandelt en Boek 5 uitsluitend gebruiksrechten.
Antwoord 2 – ✅ Juist: Beantwoordt de vraag exact volgens de uitleg in de reader en BW-systematiek.
Antwoord 3 – Onjuist: Dit onderscheid wordt niet gemaakt in de systematiek van het BW.
Antwoord 4 – Onjuist: Boek 3 behandelt alle goederen en vermogensrechten; Boek 5 behandelt zakelijke rechten op zaken.
Welke van de volgende indelingen van beperkte rechten in gebruiksrechten en zekerheidsrechten is correct?
1.
* Gebruiksrechten: vruchtgebruik, opstal, pandrecht
* Zekerheidsrechten: erfpacht, erfdienstbaarheden, hypotheekrecht
2.
* Gebruiksrechten: erfpacht, opstal, erfdienstbaarheden, vruchtgebruik
* Zekerheidsrechten: hypotheekrecht, pandrecht
3.
* Gebruiksrechten: erfdienstbaarheden, hypotheekrecht, opstal
* Zekerheidsrechten: vruchtgebruik, erfpacht, pandrecht
4.
* Gebruiksrechten: opstal, pandrecht, hypotheekrecht
* Zekerheidsrechten: vruchtgebruik, erfpacht, erfdienstbaarheden
==>
Gebruiksrechten geven de gerechtigde het recht een goed te gebruiken of te genieten.
Zekerheidsrechten geven de gerechtigde het recht om zich met voorrang op het goed te verhalen bij wanbetaling.
In welk van de onderstaande gevallen werkt vermenging niet ten nadele van een derde met een beperkt recht?
1. Anna heeft een recht van erfpacht op een stuk grond. Op dat erfpachtrecht is door Ben een recht van vruchtgebruik gevestigd. Anna doet afstand van haar erfpachtrecht.
2. Dirk heeft een recht van opstal. Op het opstalrecht rust een hypotheekrecht ten behoeve van Bank Y. Dirk koopt het stuk grond waarop hij opstalhouder was.
3. Eva heeft een recht van vruchtgebruik op een woning van Fiona. Eva overlijdt, en Fiona wordt daardoor weer volledig eigenaar van de woning.
4. Gijs heeft een recht van opstal. Hij verkrijgt later ook het eigendom van de onderliggende grond. Op het opstalrecht rust geen ander beperkt recht.
Welke combinatie van goed en vereiste vestigingshandeling is correct volgens het Burgerlijk Wetboek?
1.
Type goed: Vordering op naam
* Vestiging: Notariële akte en inschrijving in het Kadaster
2.
* Type goed: Roerende zaak
* Vestiging: Akte en mededeling aan de schuldenaar
3.
* Type goed: Goed waarvan men het bezit niet heeft
* Vestiging: Akte
4.
* Type goed: Registergoed
* Vestiging: Feitelijke macht overdragen aan de verkrijger
Merel heeft een geldvordering op Veerle ten bedrage van € 10.000. Op 1 mei 2021 besluit Merel op deze vordering een recht van vruchtgebruik te vestigen ten behoeve van Fleur. Daartoe wordt op 15 mei 2021 een onderhandse akte van verlening van vruchtgebruik opgemaakt, welke akte zowel door Merel als door Fleur wordt ondertekend. Op 20 mei 2021 doet Fleur mededeling van de akte aan Veerle. Op 25 mei 2021 doet Merel mededeling van de akte aan Veerle.
Heeft Fleur een geldig recht van vruchtgebruik verkregen en zo ja, op welke datum?
1. Nee, aangezien het recht van vruchtgebruik niet op de juiste wijze is gevestigd.
2. Ja, op 15 mei 2021.
3. Ja, op 20 mei 2021.
4. Ja, op 25 mei 2021.
Volgens artikel 3:94, eerste lid kan de mededeling aan de debiteur van de vordering geschieden door degene die het recht van vruchtgebruik vestigt óf door de vruchtgebruiker.
Op 20 mei 2021heeft Fleur (de vruchtgebruiker) aan Veerle (de debiteur) mededeling gedaan van de vestiging van het recht van vruchtgebruik, zodat op die datum het recht van vruchtgebruik tot stand is gekomen.
Nu in casu slechts sprake is van een onderhandse akte van verlening van vruchtgebruik, die niet geregistreerd is, is mededeling aan de debiteur van de vordering een constitutief (noodzakelijk) vereiste.
De tweede mededeling, door Merel, op 25 mei 2021 is eigenlijk overbodig en heeft geen zelfstandig rechtgevolg.
Welke van de volgende casussen bevat een zelfstandig opstalrecht?
Casus 1 – Bouwbedrijf Delta bouwt een transformatorstation op grond van de provincie. Via notariële akte en inschrijving verkrijgt Delta een opstalrecht op die grond. Het bedrijf heeft verder geen erfpacht of ander zakelijk recht op het perceel.
Casus 2 – Sofie heeft een stuk grond in eigendom en verleent haar buurman Bart toestemming om een tuinhuisje te plaatsen dat eigendom van Bart blijft. Er is geen notariële akte opgesteld.
Casus 3 – Op een perceel dat in eigendom is van een woningcorporatie rust een erfpachtrecht ten behoeve van Samira. De woningcorporatie vestigt ten behoeve van Samira een opstalrecht op diezelfde grond voor een door haar gebouwde schuur.
Casus 4 – Pieter heeft een recht van gebruik op een stuk tuin achter een appartementencomplex. Hij zet daar een kas neer. Er is geen opstalrecht gevestigd, maar de eigenaar van de grond geeft mondeling toestemming.
Welke combinatie is juist?
1. Alleen casus 1
2. Alleen casus 1 en 2
3. Alleen casus 1 en 3
4. Casus 1, 2 en 4
Casus 2 – Geen opstalrecht: Er is slechts toestemming, geen vestiging volgens art. 3:89 BW en 5:101 BW.
Casus 3 – Afhankelijk opstalrecht: Het opstalrecht is verbonden aan het erfpachtrecht van Samira, en kan daar niet zonder bestaan.
Casus 4 – Geen opstalrecht: Er is geen vestiging volgens de vereisten van het BW, slechts gebruiksrecht met feitelijke toestemming.
Beoordeel de juistheid van de volgende stellingen.
Stelling 1
A heeft een recht van vruchtgebruik op het recht van erfpacht van B op C’s grond. Het gevolg van het tenietgaan van het erfpachtrecht van B door afstand is dat A’s vruchtgebruik ook tenietgaat.
Stelling 2
D heeft een recht van erfpacht op een stuk grond van E, op welk stuk grond later door E een recht van hypotheek wordt gevestigd ten behoeve van F. Het gevolg van het tenietgaan van het erfpachtrecht van D door afstand is dat bij een eventuele openbare verkoop van het stuk grond door hypotheekhouder F geen rekening hoeft te worden gehouden met het erfpachtrecht.
1. 1 en 2 zijn juist.
2. Alleen 1 is juist.
3. Alleen 2 is juist.
4. 1 en 2 zijn onjuist.
Stelling 2 is juist. De afstand werkt namelijk wel ten voordele van hen die op het bezwaarde goed een beperkt recht hebben en het tenietgaande beperkte recht moesten eerbiedigen. In dit geval moest de hypotheekhouder als jonger absoluut gerechtigde het erfpachtrecht van oudere datum eerbiedigen. Nu dit erfpachtrecht door afstand is teniet gegaan, hoeft de hypotheekhouder bij de executie van de grond het erfpachtrecht niet meer te eerbiedigen.
==> Mbt stelling 2:
Artikel 3:81 lid 3 BW – Beperking op werking van afstand:
“Afstand en vermenging werken niet ten nadele van hen die op het tenietgaande beperkte recht op hun beurt een beperkt recht hebben. Vermenging werkt evenmin ten voordele van hen die op het bezwaarde goed een beperkt recht hebben en het tenietgaande recht moesten eerbiedigen.”
==> Mbt stelling 2: Er is géén wetsartikel dat expliciet zegt dat afstand van een erfpachtrecht “werkt ten voordele van de hypotheekhouder”.
Maar die rechtsregel volgt impliciet uit het systeem van het goederenrecht; de wet zegt niets over afstand ten voordele van iemand die juist door dat recht werd beperkt (zoals een hypotheekhouder op het hoofdrecht).
Welke van de onderstaande uitspraken over uitzonderingen op het verbod van een ‘doen’ in het kader van een erfdienstbaarheid zijn juist?
1. Volgens artikel 5:71 lid 1 BW mag een verplichting tot het aanbrengen van beplanting onderdeel zijn van een erfdienstbaarheid, mits dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de hoofdverplichting.
2. Volgens artikel 5:71 lid 2 BW mag een verplichting tot onderhoud van het dienend erf zelfstandig de inhoud vormen van een erfdienstbaarheid.
3. Volgens artikel 5:71 lid 1 BW mag een verplichting tot een doen zelfstandig de inhoud vormen van een erfdienstbaarheid.
4. Volgens artikel 5:70 lid 2 BW kan een retributieverplichting deel uitmaken van een erfdienstbaarheid, mits opgenomen in de vestigingsakte.
Welke combinatie bevat uitsluitend juiste uitspraken?
1. Alleen 1 en 2
2. Alleen 1, 2 en 4
3. Alleen 2 en 3
4. Alleen 1, 3 en 4
2 is juist: Lid 2 BW staat toe dat onderhoudsverplichtingen zelfstandig de inhoud van de erfdienstbaarheid vormen.
3 is onjuist: In lid 1 mogen verplichtingen tot een doen niet zelfstandig de inhoud vormen van een erfdienstbaarheid; ze moeten samengaan met een dulden of niet-doen.
4 is juist: Art. 5:70 lid 2 BW bepaalt dat een retributie wél mag als die in de vestigingsakte is opgenomen.
Joosten krijgt van de gemeente een recht van erfpacht op een stuk grond. Wat is juist met betrekking tot de eigendomsverhouding tussen Joosten en de gemeente?
1. Joosten wordt juridisch eigenaar van de grond en de gemeente behoudt alleen het gebruiksrecht.
2. Joosten heeft het volle eigendomsrecht op de grond zolang het erfpachtrecht duurt.
3. De gemeente blijft eigenaar van de grond, maar haar bevoegdheden zijn beperkt; zij houdt tijdens het erfpachtrecht slechts de blote eigendom.
4. Joosten en de gemeente worden beiden mede-eigenaar van de grond zolang het erfpachtrecht voortduurt.
Vul in:
… rechten zijn rechten die zijn afgeleid uit een meeromvattend recht (het moederrecht).
… rechten zijn rechten die verbonden zijn aan een ander recht (het hoofdrecht).
… beperkte rechten zijn tevens afhankelijke rechten
Vul in: … breekt natrekking: Door het vestigen van … wordt de mogelijkheid geschapen om gebouwen, werken en beplantingen in eigendom te hebben zonder de grond, die dan aan een ander toebehoort.
Erfpacht geeft wel gebruiksrechten op grond en gebouwen, maar doorbreekt natrekking niet op dezelfde wijze als opstal.
Vruchtgebruik geeft gebruiksrechten, maar geen eigendom.
Huur is een persoonlijk recht en verschaft geen eigendom of doorbreking van natrekking.
Karel is eigenaar van een caravan. Hij komt met Leo overeen dat Leo gedurende twee jaar een recht van gebruik krijgt op de caravan. Karel draagt de caravan fysiek over aan Leo. Wat is juridisch juist?
1. Leo is gebruiker geworden van de caravan van Karel, omdat bij roerende zaken feitelijke overgave voldoende is voor vestiging van het gebruiksrecht (art. 3:90 en 3:91 BW).
2. Leo is pas gebruiker geworden zodra een notariële akte is opgemaakt en ingeschreven in het openbare register (art. 3:89 BW).
3. Leo heeft nog geen gebruiksrecht verkregen, omdat ook toestemming van de gemeente vereist is bij het vestigen van gebruiksrechten op voertuigen.
4. Leo is geen gebruiker geworden, omdat een beperkt recht op een roerende zaak alleen kan worden gevestigd door schriftelijke overeenkomst.
Feitelijke overgave van de zaak is vereist (art. 3:90 BW).
Bij aanwezigheid van een overeenkomst en verschaffing van feitelijke macht, is het gebruiksrecht gevestigd (art. 3:91 BW indien sprake is van houderschap).
→ Leo is dus juridisch gebruiker geworden van de caravan.
Welke stelling is onjuist?
1. Het recht van vruchtgebruik is gebonden aan het leven van de vruchtgebruiker en gaat teniet bij de dood van de vruchtgebruiker.
2. Als het recht van vruchtgebruik gevestigd is ten behoeve van een rechtspersoon, dan eindigt het recht door ontbinden van de rechtspoon en in ieder geval dertig jaar na de dag van vestiging van het recht.
3. Een vruchtgebruiker heeft het recht de aan zijn recht onderworpen goederen te gebruiken, maar niet op te maken.
4. De vruchtgebruiker mag alle handelingen verrichten voor een goed beheer van de goederen die aan het vruchtgebruik zijn onderworpen. Dit betreft normale exploitatie.
5. Meerdere stellingen zijn onjuist
Stelling 3 is onjuist.
==>
Mbt 1: Juist. Zie artikel 3: 203 lid 1 BW – vruchtgebruik eindigt bij overlijden van de natuurlijke persoon voor wie het is gevestigd (tenzij anders is bepaald).
==> Mbt 2: Juist. Zie artikel 3:203 lid 2 BW – vruchtgebruik voor rechtspersonen kent een maximale duur van 30 jaar.
==> Mbt 3: Onjuist / onvolledig.
De wet maakt onderscheid tussen gebruikszaken (zaken die bij normaal gebruik vergaan, zoals brandstof of voedsel) en niet-gebruikszaken.
➡️ Volgens artikel 3:228 lid 2 BW mag de vruchtgebruiker gebruikszaken opmaken (mits het gebruik dit meebrengt), tenzij anders bepaald bij vestiging.
==> Mbt 4: Juist. Zie artikel 3:207 lid 1 BW – de vruchtgebruiker oefent zijn recht uit met inachtneming van een goed beheer.
Op welke manieren kan een erfdienstbaarheid tenietgaan?
1. Zoals in het algemeen bij beperkte rechten (bijvoorbeeld door vermenging, afstand of het verstrijken van een termijn)
2. Door opzegging door de eigenaar van het dienend erf, ongeacht wat in de vestigingsakte is bepaald
3. Door rechterlijke opheffing als de erfdienstbaarheid geen redelijk nut (meer) heeft voor het heersend erf
4. Alleen als beide eigenaren daarmee instemmen
Welke combinatie is juist?
1. Alleen 1
2. Alleen 3
3. Alleen 1 en 3
4. Alleen 2 en 4
3 is juist: Volgens artikel 5:79 BW kan de rechter een erfdienstbaarheid opheffen als zij voor het heersend erf geen redelijk nut (meer) heeft.
2 is onjuist: Opzegging is geen standaard beëindigingsgrond bij erfdienstbaarheid, tenzij expliciet overeengekomen (en zelfs dan zelden toepasselijk).
4 is onjuist: Instemming is niet vereist voor elke vorm van beëindiging, bijvoorbeeld niet bij vermenging of rechterlijke opheffing.
Welke stelling is onjuist?
1. Een beperkte zakelijk gerechtigde krijgt een geheel zelfstandig recht, dat in beperkte(re) omvang soortgelijke bevoegdheden als de eigendom verschaft en een belasting vormt voor het eigendomsrecht dat blijft bestaan bij de eigenaar.
2. Een eigenaar (rechthebbende) kan zichzelf in zijn eigen bevoegdheden beperken door ten behoeve van derden beperkte rechten op zijn goed te vestigen.
3. Jan heeft de eigendom van een stuk grond. Hij vestigt op dit stuk grond ten behoeve van Chris een recht van erfpacht. Het eigendomsrecht van Jan is het moederrecht.
4. In Boek 3 zijn beperkte rechten geregeld die gevestigd kunnen worden op vermogensrechten. In boek 5 zijn beperkte rechten geregeld die betrekking hebben tot de eigendom van zaken.
5. Alle stellingen zijn juist
6. Alle stellingen zijn onjuist
Welke stelling is onjuist?
1. Pand is een beperkt recht dat tevens afhankelijk recht is.
2. Hypotheek is een beperkt recht dat tevens afhankelijk recht is.
3. Erfdienstbaarheid is een beperkt recht dat tevens afhankelijk recht is.
4. Opstal is een beperkt recht dat tevens afhankelijk recht is.
5. Alle stellingen zijn juist
6. Alle stellingen zijn onjuist.
==> Opstal is een beperkt recht dat tevens afhankelijk recht is. ❌ Onjuist
Beperkt recht: Ja, zie art. 5:101 BW.
Afhankelijk recht: Niet per definitie. Opstal kan zelfstandig zijn (standaard), maar kan ook als afhankelijk recht worden gevestigd (bijvoorbeeld in combinatie met erfpacht of huurrecht).
→ Het is dus niet juist te zeggen dat opstal altijd een afhankelijk recht is.