L23 Flashcards

verbintenissen uit de wet: de rechtmatige daad (17 cards)

1
Q

Welke van de onderstaande situaties vormt wél een erkende vorm van een rechtmatige daad als bron van verbintenissen in de zin van het Burgerlijk Wetboek?

A. Nakoming van een natuurlijke verbintenis
B. Onverschuldigde betaling
C. Onbenoemde overeenkomst
D. Schadevergoeding bij noodtoestand
E. Morele verplichting

A

Correct antwoord: B. Onverschuldigde betaling

Toelichting:
A. Nakoming van een natuurlijke verbintenis – onjuist: leidt niet tot een afdwingbare verbintenis, en wordt niet als zelfstandige bron van verbintenissen gezien.

B. Onverschuldigde betaling – juist: geregeld in art. 6:203 BW e.v., vormt een rechtmatige daad als bron van verbintenissen.

C. Onbenoemde overeenkomst – onjuist: is wel een bron van verbintenissen, maar valt onder overeenkomst, niet onder rechtmatige daad.

D. Schadevergoeding bij noodtoestand – onjuist: kan voortvloeien uit een onrechtmatige daad of buitencontractuele schade, maar is geen aparte erkende categorie binnen rechtmatige daad.

E. Morele verplichting – onjuist: schept in beginsel geen juridisch afdwingbare verbintenis; dus geen bron van verbintenissen in juridische zin.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Jan de Pint steelt een aantal zeldzame heesters uit tuincentrum ‘Zomerweelde’ en plant deze in de tuin van Joris Goedbloed ter gelegenheid van diens 50ste verjaardag. Joris Goedbloed is vanzelfsprekend niet op de hoogte van de ‘herkomst’ van de heesters. Bij toeval komt het tuincentrum ‘Zomerweelde’ er achter dat de gestolen heesters bij Joris in de tuin geplant zijn.

Welke van de volgende vorderingen kan het tuincentrum ‘Zomerweelde’ met succes tegen Joris Goedbloed instellen?

(a) een revindicatievordering (artikel 5:2)
(b) een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212)
(c) een vordering wegens onverschuldigde betaling (artikel 6:203)
(d) geen enkele van de hier genoemde vorderingen

A

(d) geen enkele van de hier genoemde vorderingen

Ook alternatief (b) is onjuist. Een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212) heeft succes als aan de volgende vereisten is voldaan. Er moet sprake zijn van verrijking van de een (1) en verarming van de ander (2), terwijl er een zeker (causaal) verband dient te bestaan tussen de verrijking en de verarming (3). De verrijking moet bovendien ongerechtvaardigd zijn, dat wil zeggen dat er geen redelijke grond voor de verrijking aanwezig is (4). We kunnen zonder meer concluderen dat hier aan de eerste drie vereisten is voldaan. Joris is verrijkt met de heesters in zijn tuin terwijl tuincentrum ‘Zomerweelde’ is verarmd. Ook bestaat er een zekere band tussen de verrijking van Joris en de verarming van het tuincentrum: Jan de Pint heeft de heesters immers uit het tuincentrum gestolen en deze geplant in de tuin van Joris. Toch zal een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking hier niet slagen, omdat de verrijking van Joris Goedbloed niet ongerechtvaardigd genoemd kan worden (vereiste 4), aangezien Joris de heesters ter gelegenheid van zijn 50ste verjaardag cadeau heeft gekregen van Jan de Pint. Voor deze verrijking bestaat met andere woorden een redelijke grond, namelijk de schenkingsovereenkomst. Dat Jan de Pint de heesters heeft gestolen van tuincentrum ‘Zomerweelde’ is een feit dat Joris niet kan worden tegengeworpen.
Ook alternatief (c) is onjuist. Van onverschuldigde betaling is sprake als iemand zonder rechtsgrond een goed aan een ander geeft. Degene die dat goed zonder rechtsgrond heeft gegeven, is gerechtigd dit van de ontvanger terug te vorderen (zie artikel 6:203). De vordering strekt dus tot het ongedaan maken van een geleverde prestatie. Hiervan is in deze casus geen sprake. Tuincentrum ‘Zomerweelde’ heeft geen goed aan Joris gegeven; niet gezegd kan worden dat tuincentrum ‘Zomerweelde’ op enigerlei wijze een prestatie heeft verricht jegens Joris Goedbloed.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Welke van de onderstaande beweringen over zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 BW e.v. is juist?

A. Zaakwaarneming vereist voorafgaande goedkeuring van de belanghebbende, en de waarnemer mag op elk moment zonder nadere zorgverplichting stoppen.
B. Zaakwaarneming komt tot stand zodra de belanghebbende achteraf akkoord gaat, en de waarnemer is verplicht de zaak altijd tot het einde af te handelen.
C. Zaakwaarneming vereist geen voorafgaande toestemming van de belanghebbende, maar de waarnemer moet de zaak met redelijkheid voortzetten en mag pas stoppen als dit geen schade oplevert.
D. Zaakwaarneming is slechts geldig indien de waarnemer handelt op grond van een natuurlijke verbintenis en kan op elk moment beëindigd worden zonder verdere verplichtingen.

A

Correct antwoord: C.
==> Toelichting:
A: onjuist – zaakwaarneming vereist géén voorafgaande toestemming; en de waarnemer mag niet zomaar stoppen.

B: onjuist – de toestemming van de belanghebbende achteraf is niet constitutief voor het ontstaan van zaakwaarneming; en de verplichting tot voortzetting is begrensd door redelijkheid.

C: juist – dit volgt uit art. 6:198 BW (geen toestemming vereist) en art. 6:199 lid 1 BW (redelijke voortzetting).

D: onjuist – natuurlijke verbintenis is een ander concept; beëindiging is niet zonder meer vrijblijvend.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke van de onderstaande uitspraken over het begrip zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 BW is juist?

A. Het woord ‘zaak’ in zaakwaarneming verwijst naar een stoffelijk object als bedoeld in artikel 3:2 BW.
B. Zaakwaarneming is slechts mogelijk bij de behartiging van belangen die betrekking hebben op stoffelijke zaken.
C. Het woord ‘zaak’ in zaakwaarneming staat voor ‘belang’, en hoeft niet te slaan op een goed of stoffelijk object.
D. Zaakwaarneming is alleen mogelijk indien sprake is van schade aan een zaak in de zin van het goederenrecht.

A

Correct antwoord: C. Het woord ‘zaak’ in zaakwaarneming staat voor ‘belang’, en hoeft niet te slaan op een goed of stoffelijk object.

Toelichting:
A. onjuist: dat is een verwarring met het goederenrechtelijke begrip ‘zaak’ (art. 3:2 BW).

B. onjuist: belangen kunnen ook immaterieel zijn (zoals het regelen van iemands administratie tijdens diens afwezigheid).

C. ✅ juist: ‘zaak’ = ‘belang’ in deze context; zie de definitie in art. 6:198 BW.

D. onjuist: schade aan een zaak is géén vereiste voor zaakwaarneming.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Welke rechtsregel formuleerde de Hoge Raad in Van der Tuuk Adriani/Batelaan met betrekking tot verrijking die voortvloeit uit een wettelijke regeling?

A. Een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is uitgesloten indien de verrijking berust op een publiekrechtelijke bevoegdheid of besluit.
B. Verrijking op basis van de wet kan onder geen beding als ongerechtvaardigd worden beschouwd.
C. Een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking is slechts mogelijk als alle wettelijke criteria van art. 6:212 BW strikt zijn vervuld.
D. Ook indien een verrijking voortvloeit uit een wettelijke regeling, kan zij alsnog ongerechtvaardigd zijn, mits de vordering aansluit bij de in de wet geregelde gevallen en past binnen het stelsel van het recht.

A

Correct antwoord: D
Uitleg: Dit is de kern van het arrest: de HR bevestigt dat ook een wettelijke basis voor verrijking niet uitsluit dat deze als ongerechtvaardigd wordt aangemerkt, als de situatie zich leent voor analoge toepassing van wettelijke regelingen — in lijn met Quint/Te Poel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Mark Spits redt de verdrinkende peuter Chantal uit de Maas en maakt daarbij stomerijkosten. Hij vordert vergoeding van de ouders op grond van zaakwaarneming (art. 6:198 BW). De ouders stellen dat Mark daartoe verplicht was op grond van artikel 450 Sr (niet-naleving hulpverleningsplicht is strafbaar), en dat er daarom geen sprake is van zaakwaarneming.
Welk van de volgende stellingen is juist met betrekking tot de toepasselijkheid van zaakwaarneming in deze situatie?

A. De vordering van Mark faalt, omdat zijn reddingsactie verplicht was op grond van een wettelijke plicht, en daarom geen vrijwillige belangenbehartiging vormt.
B. Zaakwaarneming is uitgesloten wanneer het handelen van de waarnemer verplicht is op grond van enige wettelijke bepaling, ongeacht of die publiek- of privaatrechtelijk is.
C. Zaakwaarneming is slechts uitgesloten wanneer het handelen zijn grond vindt in een privaatrechtelijke rechtsverhouding; een publiekrechtelijke verplichting sluit zaakwaarneming niet uit.
D. Omdat Mark geen specifieke afspraak had met de ouders van Chantal, ontbreekt een rechtsverhouding, en kan dus geen sprake zijn van uitsluiting van zaakwaarneming.

A

Correct antwoord: C
==>Toelichting:
A ❌ Onjuist De verplichting uit art. 450 Sr is publiekrechtelijk van aard. Zaakwaarneming wordt uitsluitend uitgesloten bij een privaatrechtelijke rechtsverhouding.
B ❌ Onjuist Alleen een privaatrechtelijke rechtsgrond sluit zaakwaarneming uit. Publiekrechtelijke verplichtingen (zoals een hulpverleningsplicht) laten de kwalificatie als zaakwaarneming ongemoeid.
C ✅ Juist Dit is de kern van art. 6:198 BW en bevestigd door literatuur en rechtspraak: de uitsluiting geldt alleen bij een privaatrechtelijke rechtsverhouding.
D ❌ Onjuist Het ontbreken van een overeenkomst bevestigt juist dat Mark handelde zonder rechtsverhouding, wat zaakwaarneming juist mogelijk maakt – mits aan de overige voorwaarden is voldaan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke van de volgende beschrijvingen geeft het meest correcte en volledige beeld van de feitelijke gang van zaken in het arrest Van der Tuuk Adriani/Batelaan?

A. Batelaan, een apotheekhoudend huisarts, verkoopt zijn apotheek aan Van der Tuuk Adriani, maar komt later terug op de verkoop. De intrekking van zijn vergunning was onterecht, waardoor hij schadevergoeding vordert.
B. Van der Tuuk Adriani biedt Batelaan aan zijn apotheek over te nemen. Batelaan weigert, waarop Van der Tuuk zich zelfstandig vestigt als apotheker. De vergunning van Batelaan wordt ingetrokken. Batelaan wil later alsnog op het aanbod ingaan, maar Van der Tuuk weigert.
C. Batelaan verkoopt zijn apotheek aan Van der Tuuk Adriani, maar de verkoop wordt door de overheid vernietigd. Batelaan lijdt daardoor schade en vordert vergoeding.
D. Van der Tuuk Adriani verkrijgt de apotheek van Batelaan via een aanbesteding door de gemeente. Batelaan betwist deze procedure en stelt een vordering in wegens wanprestatie.

A

Correct antwoord: B
Uitleg: Antwoord B beschrijft de relevante feiten: aanbod tot overname, weigering, zelfstandige vestiging van Van der Tuuk, intrekking vergunning Batelaan, en diens latere poging om alsnog het aanbod te aanvaarden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

A huurt een pand van B. In de veronderstelling dat hij het pand nog jarenlang zal huren, investeert A op eigen kosten in het pand: hij laat een luxe keuken plaatsen en de binnenmuren schilderen. Kort daarna verkoopt B het pand aan C, zonder overleg met A. C zegt de huurovereenkomst op zodra dit rechtens mogelijk is. A moet vertrekken. C profiteert vervolgens van de aangebrachte verbeteringen. A wil C aanspreken op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
Is A’s vordering tegen C op grond van ongerechtvaardigde verrijking kansrijk?

A. Ja, want C is verrijkt en A is verarmd; dat is voldoende voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:212 BW.
B. Ja, want C heeft geprofiteerd van investeringen waarvoor A geen vergoeding heeft ontvangen.
C. Nee, want er bestaat geen voldoende verband tussen de verrijking van C en de verarming van A.
D. Nee, want A had geen toestemming van B of C om de verbeteringen aan te brengen, en daarom ontbreekt een rechtsgrond.
E. Geen antwoord is juist.

A

Correct antwoord: C.
Toelichting:
A is onjuist: verrijking en verarming zijn nodig, maar onvoldoende; er moet ook voldoende juridisch causaal verband bestaan.

B is onjuist: hoewel C profiteert, is dat indirect via de koop van het pand van B; het voordeel vloeit niet rechtstreeks voort uit A’s verarming.

C is ✅ juist: het verband tussen A’s investering en C’s verrijking is te indirect; A heeft geïnvesteerd op basis van een relatie met B, niet met C.

D is onjuist: toestemming is geen vereiste voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking; het ontbreken daarvan tast hooguit een ander vereiste aan (zoals rechtsgrond), maar is niet doorslaggevend in deze situatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke van de onderstaande beweringen geeft het meest correcte oordeel over de kans van slagen van Batelaans vordering tegen Adriani wegens ongerechtvaardigde verrijking?

A. De vordering slaagt niet, omdat de verrijking van Adriani voortvloeit uit een wettelijke regeling, en dat maakt de verrijking gerechtvaardigd.
B. De vordering slaagt, omdat er sprake is van verrijking van Adriani, verarming van Batelaan, voldoende causaal verband daartussen, en het ontbreken van een redelijke grond voor de verrijking.
C. De vordering faalt, omdat Batelaan vrijwillig het aanbod van Adriani afwees en zijn schade dus aan zichzelf te wijten heeft.
D. De vordering slaagt alleen als wordt aangetoond dat Adriani misbruik maakte van het vergunningensysteem om Batelaan uit de markt te drukken.

A

Correct antwoord: B
==> Toelichting:
A ❌ Onjuist De Hoge Raad stelt juist dat het enkele feit dat de verrijking voortkomt uit een wettelijke regeling niet betekent dat deze gerechtvaardigd is. De toets is of er een redelijke grond is waarom Adriani de verrijking mag behouden.
B ✅ Juist Er is sprake van verrijking, verarming, voldoende verband, en de HR oordeelt dat de schade niet zozeer een maatschappelijk risico is dat Batelaan zelf moet dragen. Dat maakt de verrijking ongerechtvaardigd.
C ❌ Onjuist Dat Batelaan aanvankelijk het aanbod weigerde, doet niet af aan het later ontstane vermogensverschuivingsprobleem tussen hem en Adriani.
D ❌ Onjuist Er is geen vereiste dat er sprake is van misbruik of onrechtmatig handelen door Adriani. Ongerechtvaardigde verrijking vereist géén onrechtmatigheid, alleen het ontbreken van een redelijke grond voor de verrijking.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Antoine en Frederique zijn buren van elkaar. Als Antoine tijdens de zomermaanden enkele weken in een in alle opzichten ontoegankelijk gebied in het buitenland vertoeft, raakt het dak van het huis van Antoine door een hevige storm beschadigd. Als Frederique dit ziet, besluit zij meteen actie te ondernemen om verdere schade te voorkomen. Zij geeft opdracht aan dakdekkersbedrijf Govers om het dak te repareren. De rekening betaalt zij zolang uit eigen zak.

Frederique kan de voorgeschoten reparatiekosten van Antoine terugvorderen…
a. op grond van een tussen hen bestaande overeenkomst.
b. op grond van een verbintenis uit zaakwaarneming.
c. op grond van een verbintenis uit onverschuldigde betaling.

A

b. op grond van een verbintenis uit zaakwaarneming.

Er is geen overeenkomst tussen Antoine en Frederique. Ook is er geen sprake van onverschuldigde betaling. Het kenmerk van onverschuldigde betaling is immers dat men zonder rechtsgrond een goed aan een ander heeft gegeven. Degene die een ander zonder rechtsgrond een goed heeft gegeven, is gerechtigd dit als onverschuldigde betaling van de ontvanger terug te vorderen (artikel 6:203). Frederique heeft echter geen goed aan Antoine gegeven, zodat er tussen hen geen sprake kan zijn van een verbintenis uit onverschuldigde betaling.

Frederiques handelen is te bestempelen als zaakwaarneming. Gezegd kan immers worden, dat Frederique zich willens en wetens en op redelijke grond heeft ingelaten met de behartiging van Hendriks belangen, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen (zie artikel 6:198).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Welke van de onderstaande opties is géén bron van verbintenissen in de zin van het Nederlands verbintenissenrecht?

A. De overeenkomst
B. De onrechtmatige daad
C. De rechtmatige daad
D. De goede trouw
E. De wet

A

Correct antwoord: D. De goede trouw

Toelichting:
A. Overeenkomst – juist: dit is een primaire bron van verbintenissen (art. 6:213 BW).

B. Onrechtmatige daad – juist: verbindt de dader tot schadevergoeding (art. 6:162 BW).

C. Rechtmatige daad – juist: o.a. zaakwaarneming, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking vallen hieronder (art. 6:198 e.v. BW).

D. Goede trouw – onjuist: goede trouw is een normatief beginsel dat invloed heeft op de inhoud of uitleg van verbintenissen, maar is zelf geen bron van verbintenissen.

E. De wet – juist: omvat alle wettelijke gronden voor verbintenissen, waaronder ook bovengenoemde gronden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

A sluit met B een overeenkomst, inhoudende dat A de auto van B zal kopen. De overeenkomst is echter nietig op grond van artikel 3:40, omdat A de auto met ‘zwart geld’ betaald heeft.

Hebben B en A recht op teruggave van de verrichte prestaties?

Opties:
a. Nee, aangezien de overeenkomst nietig is.
b. Ja, beiden op grond van onverschuldigde betaling.
c. Enkel B op grond van onverschuldigde betaling.
d. Enkel B op grond van ongerechtvaardigde verrijking.

A

b. Ja, beiden op grond van onverschuldigde betaling.

Gegeven is dat de betreffende overeenkomst nietig is. Dat betekent ook dat de rechtsgrond voor betaling nietig is. Betaling in artikel 6:203 ziet op iedere jegens een ander verrichte prestatie.
Zowel A als B hebben een prestatie in de zin van dit artikel verricht. Als beide prestaties verricht zijn heeft B recht op teruggave van de auto en A recht op teruggave van de koopsom.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Welke van de onderstaande combinaties bevat alleen rechtmatige daden die in het Nederlandse verbintenissenrecht worden erkend als bron van verbintenissen?

A. Zaakwaarneming – Ongerechtvaardigde verrijking – Nakoming van een natuurlijke verbintenis
B. Onverschuldigde betaling – Zaakwaarneming – Ongerechtvaardigde verrijking
C. Ongerechtvaardigde verrijking – Noodtoestand – Morele verplichting
D. Zaakwaarneming – Onrechtmatige daad – Onverschuldigde betaling
E. Onverschuldigde betaling – Morele plicht – Bewaring van andermans zaak

A

Correct antwoord: B. Onverschuldigde betaling – Zaakwaarneming – Ongerechtvaardigde verrijking

Toelichting:
A. Nakoming van een natuurlijke verbintenis: geen afdwingbare verbintenis → geen rechtsbron.

B. [Juist]: dit zijn de drie wettelijke categorieën van rechtmatige daad (zie art. 6:198–212 BW).

C. Noodtoestand en morele verplichting: spelen een rol in het aansprakelijkheidsrecht of ethiek, maar zijn geen zelfstandige bronnen van verbintenissen.

D. Onrechtmatige daad: is geen rechtmatige daad, maar een aparte bron van verbintenissen (art. 6:162 BW).

E. Morele plicht en bewaring van andermans zaak: geen wettelijk erkende categorieën; bewaring zou onder zaakwaarneming kunnen vallen maar moet dan aan specifieke eisen voldoen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Welke van de onderstaande uitspraken over het begrip “schade” in het Nederlandse civiele recht is juist?

A. Zowel bij ongerechtvaardigde verrijking als bij onrechtmatige daad wordt schade volledig vergoed, ongeacht of de wederpartij is verrijkt.
B. Bij ongerechtvaardigde verrijking strekt de schadevergoeding uitsluitend tot het bedrag van de verrijking van de ontvanger, terwijl bij onrechtmatige daad de volledige schade van het slachtoffer wordt vergoed, ook als de dader daar zelf niet beter van is geworden.
C. Het begrip schade bij ongerechtvaardigde verrijking ziet uitsluitend op vermogensschade, terwijl bij onrechtmatige daad ook affectieschade en immateriële schade vergoed moeten worden.
D. Bij onrechtmatige daad is schade slechts vergoedbaar indien ook sprake is van verrijking aan de zijde van de dader, terwijl dat bij ongerechtvaardigde verrijking niet vereist is.

A

Correct antwoord: B.
==>
Toelichting:
A is onjuist: bij ongerechtvaardigde verrijking geldt juist een maximum: de schade wordt alleen vergoed voor zover de ander is verrijkt (art. 6:212 BW).

B is juist: art. 6:212 BW beperkt de vergoeding tot het bedrag van de verrijking, terwijl art. 6:162 BW de volledige schade vergoedt — ongeacht of de dader ook verrijkt is.

C is onjuist: ook bij art. 6:212 BW kan niet-vermogensschade in uitzonderlijke gevallen een rol spelen, en bovendien is dit niet het kerndistinctiepunt.

D is onjuist: bij onrechtmatige daad is verrijking van de dader geen vereiste; schadeplichtigheid ontstaat bij onrechtmatigheid, toerekenbaarheid en schade.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Persoon X gaat op vakantie en vraagt persoon Y om op zijn huis te letten. Y stemt daarmee in. Tijdens de vakantie repareert Y een kapotte regenpijp aan het huis van X om waterschade te voorkomen. X keert terug en weigert de gemaakte kosten te vergoeden.
Kan Y zich met succes beroepen op zaakwaarneming in de zin van artikel 6:198 BW?

A. Ja, want Y heeft bewust en op redelijke grond het belang van X behartigd.
B. Ja, want zaakwaarneming vereist geen schriftelijke overeenkomst of toestemming vooraf.
C. Nee, want Y handelde op grond van een bestaande privaatrechtelijke rechtsverhouding en is dus geen zaakwaarnemer.
D. Nee, want er is pas sprake van zaakwaarneming als X de gedraging van Y achteraf uitdrukkelijk goedkeurt.

A

Correct antwoord: C. Nee, want Y handelde op grond van een bestaande privaatrechtelijke rechtsverhouding en is dus geen zaakwaarnemer.

Toelichting:
A. onjuist: hoewel die elementen aanwezig zijn, ontbreekt het essentiële vereiste dat Y zonder rechtsverhouding handelde.

B. onjuist: het klopt dat toestemming vooraf niet nodig is, maar in dit geval is er wél een overeenkomst vooraf.

C. ✅ juist: Y handelde op basis van een opdracht, dus is er géén zaakwaarneming.

D. onjuist: zaakwaarneming vereist geen uitdrukkelijke goedkeuring achteraf; dat is verwarring met ratificatie of bekrachtiging.

==> persoon Y is in dit geval géén zaakwaarnemer in de zin van artikel 6:198 BW, want hij handelt op grond van een bestaande (privaatrechtelijke) rechtsverhouding — namelijk een opdracht van X.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Op 18 mei 2020 ontvangt consument X per ongeluk tweemaal hetzelfde product van webwinkel Y. De fout ligt bij de bezorgdienst, maar webwinkel Y is wel de afzender van beide pakketten.
De winkel ontdekt pas op 3 augustus 2022 dat het product dubbel is verzonden én dat X dit nog steeds in bezit heeft.
De winkel onderneemt geen actie tot 4 oktober 2027, wanneer zij X sommeert om het tweede product alsnog te retourneren of te vergoeden.
X weigert dit, met het argument dat de vordering verjaard is.
Welke van de onderstaande stellingen is juist?

A. De vordering is verjaard, want de termijn van vijf jaar begon te lopen op het moment van de dubbele levering in mei 2020.
B. De vordering is niet verjaard, want de verjaringstermijn begon pas te lopen op het moment van bezorging aan X.
C. De vordering is verjaard, want de verjaringstermijn begon te lopen op 3 augustus 2022 en eindigde op 3 augustus 2027. De aanmaning op 4 oktober 2027 kwam te laat.
D. De vordering is niet verjaard, want de verjaringstermijn begon pas te lopen op 3 augustus 2022 en eindigt op 3 augustus 2027. De sommatie op 4 oktober 2027 is binnen zes maanden na het einde van de termijn en dus nog geldig.
E. De vordering is niet verjaard, want de bezorgfout maakt het een uitzonderingssituatie waarin geen verjaring geldt.

A

Correct antwoord: C
==>
De vordering van webwinkel Y betreft een onverschuldigde betaling, omdat zij een tweede product heeft geleverd zonder dat daar een rechtsgrond voor bestond. Dit valt onder artikel 6:203 lid 1 BW.
De verjaringstermijn voor zo’n vordering is geregeld in artikel 3:309 BW.
In deze casus is webwinkel Y op 3 augustus 2022 voor het eerst bekend geworden met:

het bestaan van de vordering (de foutieve dubbele levering), én

de identiteit van de ontvanger (X).

De verjaringstermijn begint dus op 4 augustus 2022 te lopen en eindigt op 4 augustus 2027 (artikel 3:309 BW).

Webwinkel Y onderneemt echter pas actie op 4 oktober 2027, wat na het verstrijken van de termijn is. Er is geen sprake van stuiting (bijvoorbeeld via aanmaning of erkenning), zoals geregeld in artikel 3:317 BW, en dus is de vordering verjaard.

17
Q

Wat was de centrale rechtsvraag in het arrest Van der Tuuk Adriani/Batelaan?

A. Kan een apotheekhoudend arts met terugwerkende kracht aanspraak maken op schadevergoeding wegens een onrechtmatige intrekking van zijn vergunning?
B. Mag een concurrerende apotheker zich in een gemeente vestigen waar al een apotheekhoudend arts actief is?
C. Ontstaat een verbintenis uit ongerechtvaardigde verrijking indien een ondernemer profijt trekt uit een publiekrechtelijke vergunning die ten nadele van een ander is ingetrokken?
D. Heeft een geweigerd aanbod tot contractvorming gevolgen voor de aansprakelijkheid wegens gederfde inkomsten?

A

Correct antwoord: C
Uitleg: De HR moest beoordelen of een apotheker die voordeel behaalt door het wegvallen van de vergunning van een ander, op grond van ongerechtvaardigde verrijking tot schadevergoeding kan worden verplicht.