Is art. 6:217 BW van toepassing op koopovereenkomsten?
1. Ja
2. Nee
Voor het stellen van een vormvereiste bij een formele overeenkomst zijn een aantal redenen te geven.
Wat hoort er niet bij?
1. De rechtszekerheid is met een vormvereiste gediend.
2. Een vormvereiste kan strekken tot bescherming van een zwak geachte tegenpartij.
3. Een vormvereiste kan gesteld zijn vanwege de noodzaak van aanwezigheid van een deskundige (zoals een notaris) bij een moeilijk contract.
4. Alle antwoorden horen er bij.
Wat is geen soort benoemde overeenkomsten?
1. Koopovereenkomst
2. Bruikleenovereenkomst
3. Ruilovereenkomst
4. Schenkingsovereenkomst
5. Alle antwoorden zijn benoemde overeenkomst.
Anne zegt tegen Bert dat zij haar caravan wil verkopen aan Bert en Bert verklaart tegen Anne dat hij de caravan van Anne wil kopen.
Hier is sprake van een:
1. Goederenrechtelijke overeenkomst
2. Obligatoire overeenkomst
3. Bewijsovereenkomst
4. Familierechtelijke overeenkomst
5. Geen van deze opties is juist
Goederenrechtelijke overeenkomst: tweezijdige overeenkomst die tot stand komt bij het leveren van goederen.
Welke stelling is onjuist?
1. Een schenkingsovereenkomst is een eenzijdige overeenkomst.
2. Een koopovereenkomst is een wederkerige overeenkomst.
3. Een huisverkoop is een formele overeenkomst.
4. Een bruikleenovereenkomst is een reële overeenkomst
5. Alle stellingen zijn juist
6. Alle stellingen zijn onjuist
Welke stelling is onjuist?
1. Bij burgerlijke koop is titel 1 van boek 7 BW in beginsel regelend recht.
2. Bij handelskoop koop is titel 1 van boek 7 BW in beginsel regelend recht.
3. Bij consumentenkoop is titel 1 van boek 7 BW in beginsel dwingend recht.
4. Geen antwoord is onjuist.
Hoe onstaat een overeenkomst?
1. Door consensus (wilsverklaring, aanbod en aanvaarding)
2. Door formele vastlegging van het consensus
3. Door overgave van het goed, dan wel uitvoeren van de prestatie waar de overeenkomst over gaat
4. Geen enkel antwoord is altijd juist
Geef aan welke overeenkomsten wederkerig zijn:
1. de arbeidsovereenkomst
2. de overeenkomst waarbij A zich jegens B die blind is, verbindt een jaar lang iedere dag de krant voor te lezen tegen betaling
3. de bruikleenovereenkomst
4. de overeenkomst waarbij C zijn bovenwoning voor een half jaar verhuurt aan D en C gedurende dat half jaar iedere ochtend een ontbijt verzorgt voor D
5. de koopovereenkomst
6. de ruilovereenkomst
Mogelijke antwoorden:
1. Geen overeenkomst is wederkerig
2. Overeenkomsten 1+4+5 zijn wederkerig
3. Overeenkomsten 1+2+4+5+6 zijn wederkerig
4. Alle overeenkomsten zijn wederkerig.
Wat is de ruilovereenkomst niet?
1. Aflopende overeenkomst
2. Wederkerige overeenkomst
3. Overeenkomst anders dan om niet
4. Overeenkomst onder bezwarende titel
5. Geen antwoord is juist
✅ Aflopende overeenkomst – want na uitwisseling eindigt de verplichting.
✅ Wederkerige overeenkomst – beide partijen verplichten zich tot een prestatie in ruil voor de prestatie van de ander.
✅ Overeenkomst anders dan om niet – want er is geen sprake van een schenking; beide partijen krijgen iets terug.
✅ Overeenkomst onder bezwarende titel – beide partijen nemen verplichtingen op zich die economische waarde hebben.
Celia komt met David overeen dat David gedurende zijn vakantie de boottrailer van Celia mag lenen. In de vakantie geeft Celia de trailer daadwerkelijk te leen aan David. De zaak moet wel weer worden teruggegeven aan de eigenaar.
Er is hier sprake van:
1. een huurovereenkomst
2. een bruikleenovereenkomst
3. Opzetcontract
4. Geen overeenkomst
Een overeenkomst is een … rechtshandeling, waarbij een of meer partijen … een … aangaan
Wat is geen overeenkomst onder bezwarende titel?
1. Ruilovereenkomst
2. Koopovereenkomst
3. Huurovereenkomst
4. Arbeidsovereenkomst
5. Bruikleenovereenkomst
Bij consumentenkoop heeft / is art. 7:17 BW een…
1. dwingendrechtelijk karakter
2. regelendrechtelijk karakter
3. niet van toepassing
4. geen van deze antwoorden is juist
Geef aan welke overeenkomsten consensueel zijn:
1. de arbeidsovereenkomst
2. de overeenkomst waarbij A zich jegens B die blind is, verbindt een jaar lang iedere dag de krant voor te lezen tegen betaling
3. de bruikleenovereenkomst
4. de overeenkomst waarbij C zijn bovenwoning voor een half jaar verhuurt aan D en C gedurende dat half jaar iedere ochtend een ontbijt verzorgt voor D
5. de koopovereenkomst
6. de ruilovereenkomst
Mogelijke antwoorden:
1. Geen overeenkomst is consensueel
2. Overeenkomsten 2+5+6 zijn consensueel
3. Overeenkomsten 1+2+4+5+6 zijn consensueel
4. Overeenkomsten 2+3+4+5+6 zijn consensueel
5. Alle overeenkomsten zijn consensueel.
… (vul in) is een … overeenkomst. Dit houdt in dat de overeenkomst pas ontstaat wanneer de zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft is overgegeven aan de tegenpartij.
1. Een schenkingsovereenkomst, reële
2. Het verkopen van een huis, formele
3. Een bruikleenovereenkomst, reële
4. Een hypotheek, formele
Is art. 6:268 BW van toepassing op koopovereenkomsten?
1. Ja
2. Nee
Welk beginsel van het overeenkomstrecht is in art. 6:248 BW te vinden?
1. de contractsvrijheid
2. de verbindende kracht van de overeenkomsten
3. het consensualisme
4. Geen antwoord is juist
Titel 5 van boek 6 BW is van toepassing op:
1. benoemde overeenkomsten
2. onbenoemde overeenkomsten
3. gemengde overeenkomsten
4. 1+2
5. 1+2+3
6. 1+3
Welke stelling is onjuist?
Stelling A: Een wederkerige overeenkomst is een overeenkomst waarbij de wilsverklaringen van minstens twee partijen nodig is.
Stelling B: Bij een eenzijdige rechtshandeling heeft slechts één partij een verbintenis.
Mogelijke opties:
1. Alleen stelling A is juist
2. Alleen stelling B is juist
3. Beide stellingen zijn juist
4. Beide stellingen zijn onjuist
De onderscheiding tussen eenzijdige en wederkerige overeenkomsten heeft betrekking op de verbintenissen (het aantal verbintenissen) die uit de overeenkomst voortvloeien (terwijl de onderscheiding tussen eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen ziet op het tot stand komen van de overeenkomst).
Het beginsel van consensualisme houdt in:
1. een verbintenis komt tot stand door wilsovereenstemming (consensus) tussen de betrokken partijen, en er gelden geen vormvereisten voor een verbintenis
2. een verbintenis komt tot stand door wilsovereenstemming (consensus) tussen de betrokken partijen, en er gelden vormvereisten voor een overeenkomst
3. een verbintenis komt tot stand door wilsovereenstemming (consensus) tussen de betrokken partijen, en er gelden geen vormvereisten voor een overeenkomst
4. een overeenkomst komt tot stand door wilsovereenstemming (consensus) tussen de betrokken partijen, en er gelden vormvereisten voor een overeenkomst
Welke stelling is onjuist?
1. De bruikleenovereenkomst is een benoemde overeenkomst (art. 7A:1777), een eenzijdige overeenkomst, een overeenkomst om niet, een voortdurende overeenkomst, een reële overeenkomst.
2. De overeenkomst A-B, inhoudende dat A elke dag tegen betaling de krant voorleest aan B is een benoemde overeenkomst, een wederkerige overeenkomst, een overeenkomst onder bezwarende titel, een voortdurende overeenkomst, een consensuele overeenkomst.
3. De arbeidsovereenkomst is een benoemde overeenkomst (art. 7:610 e.v.), een wederkerige overeenkomst, een overeenkomst onder bezwarende titel, een voortdurende overeenkomst, een formele overeenkomst.
4. Alle stellingen zijn juist.
5. Alle stellingen zijn onjuist.
Een koopovereenkomst waarbij zowel de koper als de verkoper deze overeenkomst afsluiten als privépersoon heet een … (vul in).
De wettelijke regels van titel 7.1 BW zijn … van toepassing, … .
Is art. 6:85 BW van toepassing op koopovereenkomsten?
1. Ja
2. Nee
Wat is de schenkingsovereenkomst niet?
1. Voorbijgaande overeenkomst
2. Eenzijdige overeenkomst
3. Reële overeenkomst
4. Overeenkomst om niet
5. Geen antwoord is juist