Meerkeuzevraag – Rechtsregel uit Schwarz/Gnjatovic (HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4925)
Vraag:
Wat is volgens de Hoge Raad de juiste rechtsregel met betrekking tot de eis van verzuim bij ontbinding van een overeenkomst wegens schending van voortdurende verplichtingen, zoals in het arrest Schwarz/Gnjatovic?
A. Verzuim is altijd vereist voor ontbinding, ook bij voortdurende verplichtingen, tenzij partijen in de overeenkomst expliciet anders zijn overeengekomen.
B. Bij voortdurende verplichtingen is verzuim niet vereist voor ontbinding, indien de tekortkoming uit het verleden blijvend niet meer ongedaan kan worden gemaakt; art. 6:265 lid 2 BW is dan rechtstreeks van toepassing.
C. Bij een schending van een verplichting om zich te onthouden van bepaald gedrag (bijvoorbeeld agressie) moet altijd eerst een ingebrekestelling plaatsvinden voordat ontbinding mogelijk is.
D. Ontbinding wegens schending van voortdurende verplichtingen is alleen mogelijk wanneer tevens schadevergoeding wordt gevorderd op grond van art. 6:74 BW.
Correct antwoord: B
Toelichting:
A is onjuist: art. 6:265 lid 2 BW bepaalt juist dat verzuim niet vereist is als nakoming blijvend onmogelijk is — dat geldt ook voor voortdurende verplichtingen.
B is juist: bij voortdurende verplichtingen (zoals huurbetalingen of verbod op overlast) is nakoming voor het verleden blijvend onmogelijk. Verzuim is in dat geval géén vereiste voor ontbinding (HR Schwarz/Gnjatovic).
C is onjuist: verplichtingen “om niet te doen” vallen ook onder de regel van art. 6:265 lid 2 BW; een ingebrekestelling is dan dus niet vereist als de tekortkoming niet kan worden hersteld.
D is onjuist: ontbinding staat los van schadevergoeding. Ontbinding kan ook zonder vordering tot schadevergoeding plaatsvinden.
Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.
Stelling 1
Bij blijvende overmacht voor de debiteur bij een wederkerige overeenkomst kan de crediteur nooit een vordering tot nakoming en tot schadevergoeding instellen, maar heeft de crediteur wel, indien aan bepaalde vereisten is voldaan, de bevoegdheid tot ontbinding van de overeenkomst.
Stelling 2
Bij een toerekenbaar te kort komen van de debiteur bij een wederkerige overeenkomst moet de debiteur in het geval dat nakoming wel mogelijk is, in verzuim zijn, wil de crediteur een vordering tot schadevergoeding met succes kunnen instellen en wil de crediteur de bevoegdheid tot ontbinding
1. 1 en 2 zijn juist.
2. Alleen 1 is juist.
3. Alleen 2 is juist.
4. 1 en 2 zijn onjuist.
Stelling 1 is juist. In geval van overmacht is er geen sprake van een toerekenbare tekortkoming. Een vordering tot schadevergoeding is dus niet mogelijk. Indien een prestatie blijvend onmogelijk is, kan vanzelfsprekend geen nakoming van de prestatie worden gevorderd.
Stelling 2 is juist. Gegeven is dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van een wederkerige overeenkomst. Dat betekent dat de crediteur in principe zowel een vordering tot schadevergoeding als tot ontbinding kan instellen. Omdat gegeven is dat nakoming van de prestatie nog mogelijk is, dient in beide gevallen aan de betreffende vordering een ingebrekestelling vooraf te gaan. Zie de artikelen 6:74, tweede lid en artikel 6:265, tweede lid.
FONA BV sluit drie maanden na de Russische inval in Oekraïne een koopovereenkomst over de levering van graan uit Rusland. Als gevolg van sancties blijkt levering onmogelijk. Wat is juridisch gezien juist ten aanzien van de vraag of FONA BV aansprakelijk is voor de tekortkoming?
A. FONA BV is niet aansprakelijk, want het gaat om overmacht in de zin van artikel 6:75 BW: de sancties kwamen van buitenaf en lagen buiten haar invloedsfeer.
B. FONA BV is aansprakelijk, want ten tijde van het sluiten van de overeenkomst waren de risico’s voorzienbaar; op grond van verkeersopvattingen wordt de tekortkoming daarom aan haar toegerekend, ook zonder schuld.
C. FONA BV is alleen aansprakelijk als zij zich bij de overeenkomst uitdrukkelijk garant heeft gesteld voor levering, want zonder garantieclausule geldt sanctieschade als overmacht.
D. FONA BV is niet aansprakelijk zolang zij de sancties niet had kunnen voorzien op het exacte moment dat zij de uitvoer moest realiseren; het toetsmoment ligt immers bij uitvoering, niet bij contractsluiting.
Correct antwoord: B
📘 Toelichting:
A – Onjuist: dit lijkt overmacht, maar is het niet. De voorzienbaarheid ten tijde van contractsluiting sluit overmacht juist uit (art. 6:75 BW, laatste zin in samenhang met verkeersopvattingen).
B – ✅ JUIST: volgens de leer van toerekening krachtens verkeersopvattingen (art. 6:75 BW) is FONA BV aansprakelijk. Zij sloot de overeenkomst nadat de oorlog begon en sancties al voorzienbaar waren. Geen schuld vereist.
C – Onjuist: er is géén garantieclausule nodig om aansprakelijkheid aan te nemen; het gaat hier om verkeersopvattingen, niet om een contractuele grond (zoals bij art. 6:75, 2e zinsdeel).
D. FONA BV is niet aansprakelijk zolang zij de sancties niet had kunnen voorzien op het exacte moment dat zij de uitvoer moest realiseren; het toetsmoment ligt immers bij uitvoering, niet bij contractsluiting.
Z en A sluiten op 1 mei 2023 een koopovereenkomst waarbij Z zijn caravan verkoopt aan A voor € 20.000. Zij spreken af dat Z de caravan op 20 mei 2023 aan A zal leveren, en dat A uiterlijk op 15 juni 2023 de koopprijs moet betalen. Z deelt A mee dat hij op 16 juni 2023 met vakantie gaat en het geld dan nodig heeft. Z levert de caravan op 20 mei zoals afgesproken, maar A betaalt op 15 juni niet.
Vraag:
Is koper A vanaf 16 juni 2023 zonder ingebrekestelling in verzuim?
A. Nee, A is pas in verzuim als Z hem eerst in gebreke stelt.
B. Ja, want Z heeft aangegeven dat hij op vakantie gaat en het geld dan nodig heeft.
C. Nee, want bij betalingsverplichtingen is altijd een ingebrekestelling vereist.
D. Ja, omdat een fatale termijn is verstreken: A moest uiterlijk op 15 juni betalen.
Correct antwoord: D
Volgens artikel 6:83 sub a BW treedt verzuim zonder ingebrekestelling in als een fatale termijn is afgesproken en die verstrijkt zonder nakoming. Dat is hier het geval.
Antwoord B is onjuist omdat het motief van Z (vakantie) juridisch niet relevant is voor het intreden van verzuim.
“De … is de …, degene die recht heeft op de prestatie van de … .”
A. debiteur, schuldenaar, crediteur
B. schuldenaar, crediteur, debiteur
C. schuldenaar, debiteur, schuldeiser
D. crediteur, schuldeiser, debiteur
Correct antwoord: D
Toelichting: De crediteur is de juridische term voor de schuldeiser — degene die recht heeft op nakoming van een verbintenis door de debiteur (de schuldenaar).
Casusfragment (samengevat):
De heer Liet koopt bij vioolleraar Hollenberg een viool voor € 7.000. De viool wordt meteen geleverd, maar Liet betaalt de koopprijs niet. Hollenberg wil daarom de koopovereenkomst ontbinden.
Vraag:
Hollenberg wil de koopovereenkomst met Liet ontbinden vanwege het uitblijven van betaling. Welke van de onderstaande beweringen over de te volgen stappen en rechtsgevolgen is juist?
A. Omdat de koopprijs niet is betaald, is sprake van een fatale termijn ex art. 6:83 BW, waardoor verzuim automatisch intreedt en Hollenberg zonder ingebrekestelling mag ontbinden. De overeenkomst wordt dan geacht nooit te hebben bestaan.
B. Omdat betaling van de koopprijs is uitgebleven en dit een ernstige tekortkoming is, mag Hollenberg zonder meer de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden, zonder ingebrekestelling, op grond van art. 6:265 lid 2 BW.
C. Omdat het hier gaat om een wederkerige overeenkomst en de nakoming nog mogelijk is, moet Hollenberg Liet eerst in gebreke stellen (art. 6:82 lid 1 BW). Pas na verzuim mag hij de overeenkomst ontbinden. Ontbinding werkt ex nunc en leidt tot ongedaanmakingsverplichtingen (art. 6:271 BW).
D. Hollenberg moet altijd naar de rechter om ontbinding te vorderen; een buitengerechtelijke ontbinding is niet toegestaan wanneer de prestatie al geleverd is, zoals hier met de viool.
Correct antwoord: C
Welke van de onderstaande stellingen is juridisch juist met betrekking tot toerekening van een tekortkoming krachtens de overeenkomst, ondanks of juist bij afwezigheid van schuld?
A. Een tekortkoming is altijd toe te rekenen aan de debiteur, tenzij hij expliciet bewijst dat sprake is van overmacht volgens art. 6:75 BW.
B. Partijen kunnen in een overeenkomst afspreken dat een tekortkoming aan de debiteur wordt toegerekend, zelfs bij overmacht, of juist niet wordt toegerekend, ook al zou dat normaal wél zo zijn.
C. Alleen bij exoneratieclausules kan schuld van de debiteur worden uitgesloten; bij garantieclausules is dat niet mogelijk.
D. Een overeenkomst mag geen invloed hebben op de vraag of een tekortkoming toerekenbaar is; dit is volledig wettelijk geregeld in art. 6:76 en 6:77 BW.
Correct antwoord: B
📘 Toelichting:
A – Onjuist: art. 6:75 BW maakt duidelijk dat toerekening krachtens overeenkomst een zelfstandige grond is. Dus: ook bij overmacht kan tóch toerekening volgen als partijen dat zijn overeengekomen.
B – ✅ JUIST: partijen hebben contractsvrijheid. Ze kunnen via een garantieclausule juist wél aansprakelijkheid laten bestaan (zoals bij Frens/Gerrits), en via een exoneratieclausule aansprakelijkheid uitsluiten (zoals bij Jansen/Mertens) — ook als er normaal gesproken toerekening zou zijn.
C – Onjuist: het is precies andersom. Garantieclausules leiden tot méér toerekening (ook zonder schuld), en exoneraties tot minder toerekening (zelfs bij schuld).
D – Onjuist: art. 6:75 BW bepaalt expliciet dat ook de overeenkomst een toerekeningsgrond kan vormen
Welke van de onderstaande stellingen is juridisch juist op basis van de onderstaande casussen?
Casus 1: Bertus, eigenaar van een schildersbedrijf, stuurt zijn werknemer Kees naar klant Janus om diens huis wit te schilderen. Door een fout van Kees in het mengen van de verf, slaat het huis roze uit.
Casus 2: Nelis exploiteert een verhuisbedrijf. Bij het verhuizen van een vleugel voor klant Martijn gebruikt hij een nieuwe hijskabel, die onverwacht knapt. De vleugel raakt onherstelbaar beschadigd. Nelis treft geen blaam; de kabel was net geleverd.
Welke van de onderstaande conclusies over aansprakelijkheid is juist?
A. Bertus is niet aansprakelijk voor de fout van Kees, aangezien er geen sprake is van eigen schuld en Kees op eigen initiatief handelde.
B. Nelis is niet aansprakelijk omdat hij zorgvuldig heeft gehandeld bij de aanschaf van de hijskabel en dus geen enkel verwijt treft.
C. Bertus is aansprakelijk op grond van artikel 6:76 BW omdat hij zich bediende van een hulppersoon; Nelis is aansprakelijk op grond van artikel 6:77 BW omdat hij een ondeugdelijk hulpmiddel gebruikte, ook zonder schuld.
D. Beide ondernemers zijn alleen aansprakelijk indien de klant expliciet in het contract aansprakelijkheid bij derden heeft uitgesloten.
Correct antwoord: C
📘 Toelichting:
A – Onjuist: Artikel 6:76 BW bepaalt dat een debiteur aansprakelijk is voor gedragingen van hulppersonen die hij bij de uitvoering van zijn verbintenis inschakelt — ongeacht eigen schuld. Het feit dat Bertus zich van Kees bediende, maakt hem aansprakelijk.
B – Onjuist: Artikel 6:77 BW gaat over hulpmiddelen die een debiteur gebruikt bij de uitvoering van een verbintenis. Ook als de debiteur zelf geen schuld heeft, wordt een tekortkoming die voortvloeit uit een ondeugdelijk hulpmiddel aan hem toegerekend. Voorzorgsmaatregelen doen daaraan niet af.
C – ✅ JUIST: Deze stelling volgt direct uit de wet:
Art. 6:76 BW: aansprakelijkheid voor hulppersonen (casus Bertus/Kees).
Art. 6:77 BW: aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken (casus Nelis/hijskabel).
D – Onjuist: Dit verwart de zaak met exoneratiebedingen, die hier niet aan de orde zijn en bovendien uitdrukkelijk overeengekomen moeten zijn — wat in deze casus niet het geval is.
Welke stelling is onjuist?
1. Blijvende onmogelijkheid geldt als de onmogelijkheid een definitief karakter draagt, in de zin dat de tekortkoming ook niet meer door een latere nakoming kan worden geheeld.
2. Een beroemde violist is gecontracteerd om samen met het Residentieorkest een eenmalig vioolconcert in Amsterdam te geven op vrijdagavond op 25 juni 2021. Voor deze unieke gelegenheid zijn speciale advertenties geplaatst in verschillende dagbladen en er zijn grote posters gemaakt die overal in de straten worden opgehangen. Op de bewuste avond komt de violist niet opdagen. Hier is sprake van een nakoming die blijvend onmogelijk is.
3. Als nakoming niet blijvend onmogelijk is, geldt het vereiste dat (wil de schuldeiser recht hebben op schadevergoeding), de schuldenaar in het verzuim moet zijn.
4. Alle stellingen zijn juist
Verzuim kan — bij spoedeisende gebreken — intreden zonder ingebrekestelling, wanneer de schuldenaar onbereikbaar is of geen adequate actie onderneemt. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in zo’n situatie de wettelijke vereisten van art. 6:82 BW opzijzetten.
In welk arrest is dit bepaald?
1. Brok/Huberts arrest (heupdysplasie, 9 januari 1998, ECLI: NL: HR:1998: ZC 2541)
2. Schwarz / Gnjatovic arrest (11 januari 2002, ECLI: ECLI:NL:HR:2002:AD4925)
3. Oerlemans/Agro Driessen arrest (verwelkte rozen, 27 april 2001, ECLI:NL:HR 2001:AB 1338)
4. Endlich/Bouwmachines arrest (22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9494)
5. Kinheim/Pelders arrest (4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2004:AO9494)
W en V hebben een arbeidsovereenkomst gesloten waarin staat dat V als leraar Frans 15 uur per week lesgeeft bij het particuliere instituut van W. Op 23 april 2023 oordeelt de kantonrechter op verzoek van W dat de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie wordt ontbonden met ingang van diezelfde dag. V houdt dan op met werken en W stopt met betalen van loon.
Wat is juridisch juist over deze situatie?
A. De arbeidsovereenkomst is pas ontbonden zodra de uitspraak in kracht van gewijsde gaat, dus na afloop van de beroepstermijn.
B. De arbeidsovereenkomst is direct ontbonden per 23 april 2023, maar de uitspraak is pas definitief zodra deze in kracht van gewijsde gaat.
C. De arbeidsovereenkomst blijft bestaan zolang V in beroep kan gaan tegen de uitspraak.
D. Een rechterlijke uitspraak werkt nooit eerder dan het moment waarop zij in kracht van gewijsde is gegaan.
B. De arbeidsovereenkomst is direct ontbonden per 23 april 2023, maar de uitspraak is pas definitief zodra deze in kracht van gewijsde gaat.
==>
De rechter kan (en doet dat meestal) bepalen dat de ontbinding met onmiddellijke werking plaatsvindt (art. 6:269 BW). Maar het vonnis is nog niet onherroepelijk zolang de termijn voor hoger beroep nog loopt, en het dus nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.
Casus:
A (een particulier) verkoopt zijn slaapkamerameublement aan B voor € 1.000. A levert het ameublement direct aan B. B betaalt echter nooit. A verklaart daarop de overeenkomst te ontbinden. Inmiddels is B failliet verklaard. A wil het ameublement terug.
Vraag:
Wat is juridisch juist ten aanzien van de rechtsgevolgen van de ontbinding?
A. De ontbinding werkt terug tot het moment waarop de overeenkomst is gesloten, zodat A eigenaar blijft en het ameublement kan revindiceren, ook bij faillissement van B.
B. De ontbinding heeft géén terugwerkende kracht: de koop blijft tot het moment van ontbinding geldig. A kan daarom slechts een concurrente vordering instellen in het faillissement van B.
C. Door de ontbinding wordt de koopovereenkomst geacht nooit te hebben bestaan, zodat A het ameublement kan terugnemen op grond van zijn eigendomsrecht.
D. Ontbinding vernietigt de overeenkomst met terugwerkende kracht, maar als B failliet is, heeft A recht op voorrang als separatist wegens zijn eigendomsvoorbehoud.
Correct antwoord: B
Toelichting:
A is onjuist: ontbinding werkt niet terug tot het moment van het sluiten van de overeenkomst (art. 6:269 BW); de overeenkomst blijft geldig tot het tijdstip van ontbinding.
B is correct: art. 6:271 BW bepaalt dat er wél ongedaanmakingsverplichtingen ontstaan, maar de eigendom is al overgedragen vóór de ontbinding. A heeft daarom géén revindicatierecht, maar slechts een persoonlijke vordering tot teruggave. Bij faillissement is hij dan gewoon een concurrente schuldeiser.
C is fout: dit geldt bij vernietiging, niet bij ontbinding.
D is misleidend: er is in de casus geen eigendomsvoorbehoud overeengekomen, en ontbinding levert dat ook niet automatisch op.
In welke van de onderstaande situaties is een ingebrekestelling zonder aanmaning en termijnstelling rechtsgeldig, op basis van artikel 6:82 lid 2 BW?
Casus 1:
X heeft voor Z werkzaamheden verricht, maar doet dit gebrekkig. Z belt X meerdere keren, maar krijgt te horen dat X inmiddels voor twee maanden op reis is naar Australië. Z stuurt X een brief waarin hij X aansprakelijk stelt voor het niet behoorlijk nakomen, zonder hem een termijn te stellen.
Casus 2:
Derek zou voor Vaasen een antieke klok herstellen, maar doet dit bij herhaling gebrekkig. Na meerdere mondelinge verzoeken tot correct herstel, blijft Derek weg, reageert nergens op en laat niets meer van zich horen. Vaasen stuurt een brief waarin hij Derek aansprakelijk stelt voor het uitblijven van herstel, zonder termijn te geven.
Welke van de volgende beweringen is juist?
A. In casus 1 is de ingebrekestelling niet geldig, omdat er geen termijn voor herstel is opgenomen, en tijdelijke onmogelijkheid nooit een uitzondering op art. 6:82 lid 1 kan opleveren.
B. In casus 2 is de ingebrekestelling ongeldig, omdat Vaasen niet eerst schriftelijk had moeten sommeren en termijn geven voordat hij aansprakelijk stelde.
C. In beide casussen geldt een uitzondering op de vereisten van art. 6:82 lid 1 BW, zodat verzuim intreedt op grond van art. 6:82 lid 2 BW, ook zonder aanmaning en termijn.
D. In geen van beide gevallen is verzuim ingetreden, omdat schriftelijke ingebrekestelling altijd aanmaning én redelijke termijnstelling vereist, ongeacht de houding of afwezigheid van de debiteur.
Correct antwoord: C
📘 Toelichting
A – Onjuist: Art. 6:82 lid 2 BW bepaalt expliciet dat bij tijdelijke onmogelijkheid geen termijn hoeft te worden gesteld, zolang de debiteur schriftelijk aansprakelijk wordt gesteld.
B – Onjuist: Als uit de houding van de debiteur (zoals hier: herhaaldelijk nalaten, niet reageren, wegblijven) blijkt dat aanmaning nutteloos is, mag de schuldeiser direct aansprakelijk stellen (art. 6:82 lid 2).
C – ✅ JUIST: Beide situaties vallen precies binnen de uitzonderingen van art. 6:82 lid 2 BW:
Casus 1: tijdelijke onmogelijkheid door verblijf in Australië
Casus 2: houding van debiteur maakt aanmaning nutteloos
→ Een schriftelijke aansprakelijkstelling volstaat.
D – Onjuist: Dit is in strijd met het systeem van art. 6:82 BW. Lid 2 vormt nu juist een uitzondering op de hoofdregel van lid 1.
Op 2 maart 2024 verkoopt Jasper een zeldzame munt aan Lotte voor €1.000, met als voorwaarde dat Lotte uiterlijk op 10 maart het bedrag overmaakt. In de overeenkomst staat niets over verlenging of afwijkende betekenis van de datum. Lotte betaalt op 10 maart niet, en op 11 maart stuurt Jasper haar een e-mail met een betalingsherinnering, maar daarin wordt geen termijn voor betaling genoemd. Lotte reageert op 13 maart: “Ik weet niet wanneer ik kan betalen, misschien pas eind volgende maand.”
Welke van de onderstaande uitspraken over verzuim van Lotte is juridisch juist?
A. Lotte is pas in verzuim als zij een schriftelijke aanmaning ontvangt waarin een redelijke termijn voor betaling is opgenomen, en zij ook dan niet betaalt.
B. Lotte is sinds 11 maart in verzuim, omdat de overeengekomen fatale termijn van 10 maart is verstreken zonder betaling en art. 6:83 sub a BW bepaalt dat ingebrekestelling dan niet vereist is.
C. Lotte is pas in verzuim na 13 maart, omdat zij dan voor het eerst expliciet aangeeft dat betaling voorlopig uitblijft en art. 6:83 sub c BW van toepassing wordt.
D. Lotte is nog niet in verzuim, omdat de e-mail van Jasper van 11 maart geen redelijke termijn bevat en dus niet voldoet aan de eisen van art. 6:82 lid 1 BW.
Correct antwoord: B
📘 Toelichting:
A – Onjuist: In beginsel geldt dat verzuim pas intreedt na ingebrekestelling (art. 6:82 lid 1), tenzij er sprake is van een fatale termijn (zie art. 6:83 sub a BW). In deze casus is dat wél het geval.
B – ✅ JUIST: De overeengekomen datum van 10 maart is een fatale termijn. Nu die datum is verstreken zonder betaling, treedt het verzuim automatisch in op 11 maart, zonder dat ingebrekestelling nodig is (art. 6:83 sub a BW).
C – Onjuist: Een mededeling van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij niet zal nakomen kan verzuim veroorzaken (art. 6:83 sub c BW), maar deze vorm van verzuim is hier overbodig, omdat de fatale termijn al was verstreken.
D – Onjuist: De e-mail op 11 maart bevatte geen termijn, maar dat maakt niet uit — verzuim was al ingetreden op grond van art. 6:83 sub a BW door het verstrijken van de fatale termijn op 10 maart.
Welke stelling is onjuist?
1. Er is sprake van onmogelijkheid indien iedere door de verbintenis toegelaten wijze van nakoming is verhinderd.
2. Bij absolute onmogelijkheid is nakoming feitelijk volledig onmogelijk geworden, zonder enige resterende mogelijkheid tot uitvoering. De prestatie kan objectief niet meer worden verricht, door niemand, onder geen enkele omstandigheid.
3. Bij relatieve onmogelijkheid is nakoming in theorie nog mogelijk, maar zou alleen kunnen plaatsvinden tegen onevenredige risico’s of met onaanvaardbare gevolgen (zoals overtreding van de wet). De prestatie is technisch nog uitvoerbaar, maar in de praktijk redelijkerwijs niet meer van de schuldenaar te vergen.
4. Alle stellingen zijn juist.
Antwoord 2 is onjuist.
==> Moet zijn: “Bij absolute onmogelijkheid is nakoming feitelijk of juridisch volledig onmogelijk…”
Welke van de volgende combinaties bevat alle vereisten voor een geslaagde vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW, met daarbij een juiste omschrijving van toerekenbare tekortkoming?
A. (1) Wanprestatie, (2) schade, (3) conditio sine qua non-verband, (4) schuldaansprakelijkheid of opzet van de debiteur
B. (1) Tekortkoming, (2) toerekenbaarheid op grond van schuld of art. 6:76 BW, (3) aantoonbare vermogensschade, (4) verzuim van de schuldenaar
C. (1) Tekortkoming, (2) toerekenbaarheid aan de debiteur via schuld, wet, rechtshandeling of verkeersopvattingen, (3) enig nadeel (schade), (4) causaal verband volgens de conditio sine qua non-leer
D. (1) Tekortkoming, (2) schulderkenning of expliciete aansprakelijkheidsverklaring, (3) schade met economisch gewicht, (4) voorzienbaarheid van schade door de debiteur
Correct antwoord: C
📘 Toelichting per optie:
A – Onjuist: vereisten zijn deels juist, maar toerekening op grond van alleen schuld of opzet is te beperkt. Art. 6:74 jo. 6:75 BW erkent ook andere gronden zoals verkeersopvattingen of exoneraties.
B – Onjuist: schade hoeft niet vermogensschade te zijn en verzuim is bij schadevergoeding alleen relevant als nakoming nog mogelijk is (zie art. 6:74 lid 2 jo. afdeling 6.1.9 BW).
C – ✅ Juist: dit is een volledige weergave van de vier vereisten:
Tekortkoming (in neutrale zin),
Toerekenbaarheid via één van vier gronden: schuld, wet (zoals art. 6:76/6:77), rechtshandeling (garantie/exoneratie), of verkeersopvattingen,
Schade (enig nadeel volstaat),
Causaal verband: conditio sine qua non.
D – Onjuist: “schulderkenning” en “voorzienbaarheid” zijn geen wettelijke vereisten; “economisch gewicht” is ook geen voorwaarde (enig nadeel is al voldoende).
N en O hebben op 10 januari 2022 een overeenkomst gesloten, inhoudende dat N zijn vakantiehuisje in de bossen aan O zal verhuren voor de periode van 15 maart tot en met 15 juni 2022 voor een totale huurprijs van € 1250.
Op 27 februari 2022 gaat het vakantiehuisje van N door brand geheel verloren.
Is O nu bevoegd tot ontbinding van de overeenkomst N-O?
A. Nee, want er is nog geen sprake van verzuim bij N. Ontbinding is pas mogelijk na een ingebrekestelling of een redelijke termijn.
B. Ja, want er is sprake van een wederkerige overeenkomst en van blijvende onmogelijkheid tot nakoming door N. O hoeft N daarom niet eerst in gebreke te stellen en kan direct ontbinden (art. 6:265 lid 2 BW).
C. Nee, want door overmacht (brand) is er geen sprake van een toerekenbare tekortkoming, en zonder schuld is ontbinding niet mogelijk.
D. Ja, maar alleen als O kan aantonen dat N schuld heeft aan het ontstaan van de brand die het huisje verwoestte.
Correct antwoord: B
Toelichting:
A is onjuist: Verzuim is hier niet vereist, omdat sprake is van blijvende onmogelijkheid tot nakoming (art. 6:265 lid 2 BW). Een ingebrekestelling is dus niet nodig.
B is juist: De overeenkomst is wederkerig, er is een tekortkoming (het vakantiehuis kan niet meer worden verhuurd), en verzuim is niet vereist bij blijvende onmogelijkheid tot nakoming.
C is onjuist: Ontbinding vereist géén toerekenbare tekortkoming; het enige criterium is of de tekortkoming ontbinding rechtvaardigt (zie art. 6:265 lid 1). De discussie over schuld hoort bij schadevergoeding, niet bij ontbinding.
D is onjuist: Schuld is ook hier niet relevant voor de vraag of ontbinding mogelijk is. Zelfs als de brand buiten de schuld van N is ontstaan, is ontbinding mogelijk wegens blijvende onmogelijkheid.
Casus:
Stucadoor Bram heeft met opdrachtgever Greet een wederkerige overeenkomst gesloten: hij zou haar woonkamer stucen voor €2.000, te betalen na oplevering. Op de opleverdag constateert Greet dat een deel van de muur niet egaal is afgewerkt. Greet weigert vervolgens de betaling van het volledige bedrag. Bram erkent de klacht en biedt direct aan het herstelwerk binnen twee dagen kosteloos uit te voeren. Greet blijft weigeren te betalen, ook nadat het herstelwerk is uitgevoerd.
Vraag:
Welk juridisch oordeel ligt het meest in lijn met art. 6:262 BW en de uitleg van de exceptio non adimpleti contractus?
A. Greet mag de volledige betaling opschorten, ook nadat het herstelwerk is uitgevoerd, want de oorspronkelijke oplevering was niet deugdelijk.
B. Greet mag opschorten zolang de tekortkoming voortduurt, maar moet alsnog betalen zodra Bram zijn verplichting alsnog volledig is nagekomen.
C. Greet had het recht volledig op te schorten, want de wanprestatie gaf haar een zelfstandig recht op schadevergoeding.
D. Greet mocht niet opschorten, want bij een overeenkomst van aanneming bestaat geen recht op exceptio non adimpleti contractus.
Correct antwoord:
B. Greet mag opschorten zolang de tekortkoming voortduurt, maar moet alsnog betalen zodra Bram zijn verplichting alsnog volledig is nagekomen.
Toelichting:
A is onjuist: zodra Bram zijn verplichting alsnog volledig nakomt, vervalt het opschortingsrecht.
C is onjuist: schadevergoeding staat los van opschorting; bovendien moet de schade apart worden aangetoond en gevorderd.
D is onjuist: de exceptio geldt bij alle wederkerige overeenkomsten, inclusief aanneming van werk.
B is juist: art. 6:262 lid 2 BW bepaalt dat opschorting alleen mag zolang de tekortkoming voortduurt; daarna moet gepresteerd worden.
In welke van de onderstaande gevallen is een schriftelijke aanmaning met termijnstelling niet vereist voor het intreden van verzuim, conform artikel 6:82 lid 2 BW?
A.
De debiteur is op vakantie in Australië en kan tijdelijk geen herstelwerkzaamheden uitvoeren. De schuldeiser stuurt daarom een brief waarin hij de debiteur aansprakelijk stelt voor de vertraging, zonder termijn te stellen.
B.
De debiteur heeft aangekondigd over twee maanden alsnog te leveren. De schuldeiser wil echter versneld levering afdwingen, en stelt de debiteur direct aansprakelijk zonder eerst een termijn te gunnen.
C.
De schuldeiser heeft herhaaldelijk verzocht om herstel van een defect, waarop de debiteur steeds ontwijkend reageerde en uiteindelijk helemaal niets meer van zich laat horen. De schuldeiser stelt hem schriftelijk aansprakelijk, zonder termijn.
D.
De debiteur presteert niet op de afgesproken datum, maar verklaart telefonisch op die dag: “Ik ben ziek, dus ik doe het zodra ik beter ben.” De schuldeiser stuurt hem een ingebrekestelling met een termijn van 24 uur.
Correct antwoord: C
📘 Toelichting
A – Onjuist: Hoewel de debiteur tijdelijk niet kan nakomen (Australië), is dit wél een uitzondering op termijnstelling volgens art. 6:82 lid 2 BW. Maar let op: de formulering van optie A maakt de situatie juridisch twijfelachtig omdat de termijn mogelijk redelijkerwijs wel gesteld kon worden; het blijft daardoor niet het beste voorbeeld. De enige volledig juiste uitzondering is C.
B – Onjuist: Als de debiteur aangeeft wél nog te willen presteren, en de schuldeiser daartegenover geen redelijke termijn stelt, dan voldoet hij niet aan de hoofdregel van art. 6:82 lid 1 BW. Er is géén uitzondering van toepassing.
C – ✅ JUIST: Uit de houding van de debiteur blijkt dat aanmaning nutteloos is (art. 6:82 lid 2 sub b). Voldoet dus wél aan de uitzondering. Schriftelijke aansprakelijkstelling is dan voldoende voor intreden van verzuim.
D – Onjuist: Hoewel de debiteur tijdelijk niet kan nakomen (ziek), is een termijn van 24 uur bij ziekte waarschijnlijk onredelijk kort. Bovendien wordt hier wél een termijn gesteld, dus geen toepassing van de uitzonderingsregel.
Welke van de volgende beweringen is onjuist?
In het arrest Endlich-Bouwmachines, ECLI:NL:HR:2004:AO9494, overwoog de Hoge Raad dat een ingebrekestelling
1. de functie heeft om het verzuim vast te stellen.
2. de functie heeft om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven.
3. nader bepaalt tot welk tijdstip de nakoming nog mogelijk is, zonder dat van een tekortkoming sprake is.
4. (buiten de in de wet genoemde uitzonderingen) niet altijd nodig is om verzuim te doen intreden.
In genoemd arrest overwoog de Hoge Raad uitdrukkelijk, zie rechtsoverweging 3.4.4., dat een ingebrekestelling niet de functie heeft om het verzuim vast te stellen, maar het moment vastlegt waarop het verzuim zal intreden. De schuldenaar wordt door het uitbrengen van de ingebrekestelling nog een laatste kans op nakoming gegeven.
In geval van spoedeisende situaties met herstelwerkzaamheden, kan zonder ingebrekestelling of schriftelijke aanmaning verzuim intreden, indien de schuldenaar niet bereikt kan worden.
Welke van de onderstaande combinaties bevat uitsluitend vereisten die moeten zijn vervuld om te kunnen spreken van verzuim van de schuldenaar in de zin van artikel 6:81 BW en de daarop volgende bepalingen?
A.
De prestatie is opeisbaar
De prestatie blijft uit
De schuldeiser moet belang hebben bij directe nakoming
De vertraging is toerekenbaar aan de schuldenaar
B.
De prestatie is opeisbaar
De schuldenaar is in gebreke gesteld of art. 6:83 BW is van toepassing
De tekortkoming leidt tot schade
De schuldeiser heeft het recht op ontbinding ingeroepen
C.
De prestatie is opeisbaar
De prestatie blijft uit
De vertraging is toerekenbaar
Er is voldaan aan de voorwaarden van art. 6:82 of 6:83 BW
D.
De prestatie is niet blijvend onmogelijk
De schuldeiser heeft ingebrekestelling aangekondigd
De prestatie is opeisbaar
De verbintenis vloeit voort uit een overeenkomst of uit de wet
Correct antwoord: C
📘 Toelichting:
A – Onjuist: Vereiste 3 is fout: het hebben van “belang bij directe nakoming” is geen voorwaarde voor verzuim, maar kan relevant zijn voor andere vorderingen zoals aanvullende schadevergoeding.
B – Onjuist: Vereiste 3 en 4 zijn fout: het intreden van schade of het inroepen van ontbinding zijn geen voorwaarden voor verzuim, maar mogelijke gevolgen ervan.
C – ✅ JUIST: Dit zijn de vier juiste cumulatieve vereisten:
Opeisbaarheid van de prestatie
Uitblijven van nakoming
Toerekenbare vertraging (schuld of risico)
Ingebrekestelling óf automatische toepassing van art. 6:83 BW
D – Onjuist: “De verbintenis vloeit voort uit de wet of overeenkomst” is te ruim geformuleerd: dat is een vereiste voor het bestaan van een verbintenis, maar niet specifiek voor verzuim. Ook is “aankondigen” van ingebrekestelling juridisch betekenisloos — de vereiste is een daadwerkelijke ingebrekestelling conform art. 6:82 BW.
Welke van de onderstaande combinaties van stellingen bevat uitsluitend correcte uitleg van de vier cumulatieve vereisten voor verzuim in de zin van artikel 6:81 e.v. BW?
A.
De prestatie is opeisbaar: de prestatie moet op een door de schuldeiser gekozen moment uitgevoerd kunnen worden.
De prestatie blijft uit: er is sprake van blijvende onmogelijkheid van nakoming.
De tekortkoming is toerekenbaar: als de schuldenaar opzettelijk weigert te presteren.
Ingebrekestelling: een mondelinge waarschuwing met redelijke termijn is voldoende.
B.
De prestatie is opeisbaar: de verbintenis is direct opeisbaar tenzij anders overeengekomen; zie art. 6:38 BW.
De prestatie blijft uit: er is sprake van vertraging in de nakoming terwijl die nog wél mogelijk is.
De tekortkoming is toerekenbaar: indien deze aan schuld van de debiteur te wijten is of krachtens wet, rechtshandeling of verkeersopvattingen voor zijn rekening komt.
Ingebrekestelling: een schriftelijke aanmaning die de debiteur een laatste kans geeft tot nakoming.
C.
De prestatie is opeisbaar: zodra de schuldeiser betaling eist, is elke verbintenis direct opeisbaar.
De prestatie blijft uit: dit geldt alleen als de debiteur geen enkele inspanning levert.
De tekortkoming is toerekenbaar: dit is alleen het geval als sprake is van grove schuld.
Ingebrekestelling: vereist altijd een aangetekende brief met een termijn van minimaal twee weken.
D.
De prestatie is opeisbaar: de verplichting tot presteren is uitgesteld tot ingebrekestelling.
De prestatie blijft uit: het gaat om gevallen van blijvende onmogelijkheid.
De tekortkoming is toerekenbaar: de debiteur had recht op opschorting.
Ingebrekestelling: is alleen nodig bij verbintenissen uit onrechtmatige daad.
Correct antwoord: B
📘 Toelichting:
A – Onjuist:
Stelling 1 is te ruim geformuleerd (opeisbaarheid hangt af van de verbintenis, niet van de voorkeur van de schuldeiser).
Stelling 2 is fout: bij blijvende onmogelijkheid is geen sprake van verzuim.
Stelling 3 is onvolledig (toerekenbaarheid vereist niet per se opzet).
Stelling 4 is fout: schriftelijke aanmaning is vereist (art. 6:82 BW).
B – ✅ JUIST:
Volledige en correcte weergave van de vier vereisten:
Opeisbaarheid (art. 6:38 BW).
Uitblijven ondanks mogelijkheid tot nakoming.
Toerekenbaarheid via schuld, wet, rechtshandeling of verkeersopvattingen (art. 6:75 BW).
Ingebrekestelling: schriftelijk met redelijke termijn (art. 6:82 lid 1 BW).
C – Onjuist:
Stelling 1 is fout: opeisbaarheid vereist meer dan alleen een verzoek.
Stelling 2 is onvolledig.
Stelling 3 is fout: toerekenbaarheid vergt niet per se grove schuld.
Stelling 4 is onjuist: geen vaste termijn of aangetekende zending vereist, zolang het schriftelijk is.
D – Onjuist:
Stelling 1 is fout: opeisbaarheid komt vóór verzuim.
Stelling 2 verwart tijdelijke vertraging met blijvende onmogelijkheid.
Stelling 3 is fout: opschorting verhindert juist verzuim.
Stelling 4 is onjuist: bij onrechtmatige daad geldt juist géén ingebrekestelling (zie art. 6:83 sub b BW).
Elektronica-producent Soltech BV bestelt bij metaalbedrijf Ferrex een serie metalen connectoren met zeer precieze maatvoering, bedoeld voor een levering aan een buitenlandse afnemer. Ferrex levert de connectoren, maar na controle blijkt dat een groot deel ondeugdelijk is: ze zijn te breed en kunnen niet worden gebruikt. De buitenlandse levering moet daardoor met spoed uitgesteld worden. Soltech meldt Ferrex per e-mail dat de levering niet voldoet en dat zij schade zal verhalen. Soltech stelt Ferrex echter niet formeel in gebreke. Ferrex stelt zich in een latere rechtszaak op het standpunt dat zij niet in verzuim was, omdat Soltech geen ingebrekestelling heeft verzonden, en dat zij bovendien niet aansprakelijk is omdat zij eerder in een brief aansprakelijkheid voor productiefouten had uitgesloten, waarop Soltech niet had gereageerd.
Welk van de onderstaande standpunten is juridisch juist volgens het arrest Kinheim/Pelders?
A. Soltech kan geen schadevergoeding vorderen, omdat zij Ferrex niet formeel in gebreke heeft gesteld; er is daarom geen sprake van verzuim.
B. Ferrex is niet aansprakelijk voor schadevergoeding, omdat zij de aansprakelijkheid vooraf had uitgesloten en Soltech daar niet op heeft gereageerd.
C. Soltech kan voor de onherstelbare schade schadevergoeding vorderen zonder ingebrekestelling, omdat deze schade blijvend is, ook al is herstel van de connectoren zelf mogelijk.
D. Ferrex is alleen aansprakelijk voor schadevergoeding als Soltech aantoont dat Ferrex willens en wetens ondeugdelijk werk heeft geleverd.
Correct antwoord: C
Toelichting:
C is juist. De rechtsregel uit Kinheim/Pelders bepaalt dat als een deel van de schade blijvend is en niet ongedaan gemaakt kan worden (bijv. door reputatieschade of gemiste levering), verzuim zonder ingebrekestelling mogelijk is m.b.t. dat deel. Voor het herstelbare deel is wel een ingebrekestelling vereist (art. 6:82 lid 1 BW).
A is onjuist omdat het geen onderscheid maakt tussen herstelbare en blijvend onherstelbare schade.
B is onjuist: eenzijdige mededeling met aansprakelijkheidsuitsluiting is alleen bindend als er gerechtvaardigd vertrouwen ontstaat, en dat is er niet enkel door stilzwijgen.
D is onjuist: opzet of wetenschap is niet vereist voor aansprakelijkheid bij wanprestatie volgens art. 6:74 BW. Toerekenbaarheid volstaat.
Welke van de volgende combinaties van tekortkoming en rechtsgevolg is juridisch correct volgens het BW?
A. Bij blijvend onmogelijke nakoming is schadevergoeding mogelijk zonder verzuim, maar ontbinding vereist wél ingebrekestelling.
B. Bij tijdelijk onmogelijke nakoming is nakoming tijdelijk uitgesloten, schadevergoeding vereist verzuim (bijv. via aansprakelijkstelling), en ontbinding is mogelijk zonder verzuim.
C. Als nakoming nog mogelijk is, is schadevergoeding en ontbinding alleen mogelijk als de schuldenaar in verzuim is; nakoming kan worden gevorderd op grond van art. 3:296 BW.
D. Bij blijvend onmogelijke nakoming is nakoming uitgesloten, schadevergoeding vereist verzuim, en ontbinding vereist een schriftelijke aanmaning.
Correct antwoord: C
Toelichting:
A – Onjuist: Ontbinding vereist bij blijvende onmogelijkheid géén verzuim (art. 6:265), dus dat deel is fout.
B – Onjuist: Correcte onderdelen: nakoming tijdelijk uitgesloten en schadevergoeding vereist verzuim. Maar fout: ontbinding is bij tijdelijk onmogelijke nakoming alleen mogelijk zonder verzuim als de schuldenaar géén redelijk termijn heeft gekregen.
C – Juist: Alle drie onderdelen zijn correct volgens het schema:
Nakoming: ja, art. 3:296 BW
Schadevergoeding: ja, art. 6:74, mits in verzuim
Ontbinding: ja, art. 6:265, mits in verzuim
D – Onjuist: Schadevergoeding bij blijvende onmogelijkheid vereist géén verzuim, dus dit is fout.