L19 Flashcards

rechten crediteur bij niet-nakoming (79 cards)

1
Q

Meerkeuzevraag – Rechtsregel uit Schwarz/Gnjatovic (HR 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD4925)

Vraag:
Wat is volgens de Hoge Raad de juiste rechtsregel met betrekking tot de eis van verzuim bij ontbinding van een overeenkomst wegens schending van voortdurende verplichtingen, zoals in het arrest Schwarz/Gnjatovic?

A. Verzuim is altijd vereist voor ontbinding, ook bij voortdurende verplichtingen, tenzij partijen in de overeenkomst expliciet anders zijn overeengekomen.
B. Bij voortdurende verplichtingen is verzuim niet vereist voor ontbinding, indien de tekortkoming uit het verleden blijvend niet meer ongedaan kan worden gemaakt; art. 6:265 lid 2 BW is dan rechtstreeks van toepassing.
C. Bij een schending van een verplichting om zich te onthouden van bepaald gedrag (bijvoorbeeld agressie) moet altijd eerst een ingebrekestelling plaatsvinden voordat ontbinding mogelijk is.
D. Ontbinding wegens schending van voortdurende verplichtingen is alleen mogelijk wanneer tevens schadevergoeding wordt gevorderd op grond van art. 6:74 BW.

A

Correct antwoord: B

Toelichting:
A is onjuist: art. 6:265 lid 2 BW bepaalt juist dat verzuim niet vereist is als nakoming blijvend onmogelijk is — dat geldt ook voor voortdurende verplichtingen.

B is juist: bij voortdurende verplichtingen (zoals huurbetalingen of verbod op overlast) is nakoming voor het verleden blijvend onmogelijk. Verzuim is in dat geval géén vereiste voor ontbinding (HR Schwarz/Gnjatovic).

C is onjuist: verplichtingen “om niet te doen” vallen ook onder de regel van art. 6:265 lid 2 BW; een ingebrekestelling is dan dus niet vereist als de tekortkoming niet kan worden hersteld.

D is onjuist: ontbinding staat los van schadevergoeding. Ontbinding kan ook zonder vordering tot schadevergoeding plaatsvinden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Beoordeel de juistheid van de volgende twee stellingen.

Stelling 1
Bij blijvende overmacht voor de debiteur bij een wederkerige overeenkomst kan de crediteur nooit een vordering tot nakoming en tot schadevergoeding instellen, maar heeft de crediteur wel, indien aan bepaalde vereisten is voldaan, de bevoegdheid tot ontbinding van de overeenkomst.

Stelling 2
Bij een toerekenbaar te kort komen van de debiteur bij een wederkerige overeenkomst moet de debiteur in het geval dat nakoming wel mogelijk is, in verzuim zijn, wil de crediteur een vordering tot schadevergoeding met succes kunnen instellen en wil de crediteur de bevoegdheid tot ontbinding
1. 1 en 2 zijn juist.
2. Alleen 1 is juist.
3. Alleen 2 is juist.
4. 1 en 2 zijn onjuist.

A
  1. 1 en 2 zijn juist.

Stelling 1 is juist. In geval van overmacht is er geen sprake van een toerekenbare tekortkoming. Een vordering tot schadevergoeding is dus niet mogelijk. Indien een prestatie blijvend onmogelijk is, kan vanzelfsprekend geen nakoming van de prestatie worden gevorderd.
Stelling 2 is juist. Gegeven is dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van een wederkerige overeenkomst. Dat betekent dat de crediteur in principe zowel een vordering tot schadevergoeding als tot ontbinding kan instellen. Omdat gegeven is dat nakoming van de prestatie nog mogelijk is, dient in beide gevallen aan de betreffende vordering een ingebrekestelling vooraf te gaan. Zie de artikelen 6:74, tweede lid en artikel 6:265, tweede lid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

FONA BV sluit drie maanden na de Russische inval in Oekraïne een koopovereenkomst over de levering van graan uit Rusland. Als gevolg van sancties blijkt levering onmogelijk. Wat is juridisch gezien juist ten aanzien van de vraag of FONA BV aansprakelijk is voor de tekortkoming?

A. FONA BV is niet aansprakelijk, want het gaat om overmacht in de zin van artikel 6:75 BW: de sancties kwamen van buitenaf en lagen buiten haar invloedsfeer.
B. FONA BV is aansprakelijk, want ten tijde van het sluiten van de overeenkomst waren de risico’s voorzienbaar; op grond van verkeersopvattingen wordt de tekortkoming daarom aan haar toegerekend, ook zonder schuld.
C. FONA BV is alleen aansprakelijk als zij zich bij de overeenkomst uitdrukkelijk garant heeft gesteld voor levering, want zonder garantieclausule geldt sanctieschade als overmacht.
D. FONA BV is niet aansprakelijk zolang zij de sancties niet had kunnen voorzien op het exacte moment dat zij de uitvoer moest realiseren; het toetsmoment ligt immers bij uitvoering, niet bij contractsluiting.

A

Correct antwoord: B

📘 Toelichting:
A – Onjuist: dit lijkt overmacht, maar is het niet. De voorzienbaarheid ten tijde van contractsluiting sluit overmacht juist uit (art. 6:75 BW, laatste zin in samenhang met verkeersopvattingen).

B – ✅ JUIST: volgens de leer van toerekening krachtens verkeersopvattingen (art. 6:75 BW) is FONA BV aansprakelijk. Zij sloot de overeenkomst nadat de oorlog begon en sancties al voorzienbaar waren. Geen schuld vereist.

C – Onjuist: er is géén garantieclausule nodig om aansprakelijkheid aan te nemen; het gaat hier om verkeersopvattingen, niet om een contractuele grond (zoals bij art. 6:75, 2e zinsdeel).

D. FONA BV is niet aansprakelijk zolang zij de sancties niet had kunnen voorzien op het exacte moment dat zij de uitvoer moest realiseren; het toetsmoment ligt immers bij uitvoering, niet bij contractsluiting.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Z en A sluiten op 1 mei 2023 een koopovereenkomst waarbij Z zijn caravan verkoopt aan A voor € 20.000. Zij spreken af dat Z de caravan op 20 mei 2023 aan A zal leveren, en dat A uiterlijk op 15 juni 2023 de koopprijs moet betalen. Z deelt A mee dat hij op 16 juni 2023 met vakantie gaat en het geld dan nodig heeft. Z levert de caravan op 20 mei zoals afgesproken, maar A betaalt op 15 juni niet.

Vraag:
Is koper A vanaf 16 juni 2023 zonder ingebrekestelling in verzuim?

A. Nee, A is pas in verzuim als Z hem eerst in gebreke stelt.
B. Ja, want Z heeft aangegeven dat hij op vakantie gaat en het geld dan nodig heeft.
C. Nee, want bij betalingsverplichtingen is altijd een ingebrekestelling vereist.
D. Ja, omdat een fatale termijn is verstreken: A moest uiterlijk op 15 juni betalen.

A

Correct antwoord: D
Volgens artikel 6:83 sub a BW treedt verzuim zonder ingebrekestelling in als een fatale termijn is afgesproken en die verstrijkt zonder nakoming. Dat is hier het geval.
Antwoord B is onjuist omdat het motief van Z (vakantie) juridisch niet relevant is voor het intreden van verzuim.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

“De … is de …, degene die recht heeft op de prestatie van de … .”

A. debiteur, schuldenaar, crediteur
B. schuldenaar, crediteur, debiteur
C. schuldenaar, debiteur, schuldeiser
D. crediteur, schuldeiser, debiteur

A

Correct antwoord: D

Toelichting: De crediteur is de juridische term voor de schuldeiser — degene die recht heeft op nakoming van een verbintenis door de debiteur (de schuldenaar).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Casusfragment (samengevat):
De heer Liet koopt bij vioolleraar Hollenberg een viool voor € 7.000. De viool wordt meteen geleverd, maar Liet betaalt de koopprijs niet. Hollenberg wil daarom de koopovereenkomst ontbinden.

Vraag:
Hollenberg wil de koopovereenkomst met Liet ontbinden vanwege het uitblijven van betaling. Welke van de onderstaande beweringen over de te volgen stappen en rechtsgevolgen is juist?

A. Omdat de koopprijs niet is betaald, is sprake van een fatale termijn ex art. 6:83 BW, waardoor verzuim automatisch intreedt en Hollenberg zonder ingebrekestelling mag ontbinden. De overeenkomst wordt dan geacht nooit te hebben bestaan.

B. Omdat betaling van de koopprijs is uitgebleven en dit een ernstige tekortkoming is, mag Hollenberg zonder meer de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden, zonder ingebrekestelling, op grond van art. 6:265 lid 2 BW.

C. Omdat het hier gaat om een wederkerige overeenkomst en de nakoming nog mogelijk is, moet Hollenberg Liet eerst in gebreke stellen (art. 6:82 lid 1 BW). Pas na verzuim mag hij de overeenkomst ontbinden. Ontbinding werkt ex nunc en leidt tot ongedaanmakingsverplichtingen (art. 6:271 BW).

D. Hollenberg moet altijd naar de rechter om ontbinding te vorderen; een buitengerechtelijke ontbinding is niet toegestaan wanneer de prestatie al geleverd is, zoals hier met de viool.

A

Correct antwoord: C

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke van de onderstaande stellingen is juridisch juist met betrekking tot toerekening van een tekortkoming krachtens de overeenkomst, ondanks of juist bij afwezigheid van schuld?

A. Een tekortkoming is altijd toe te rekenen aan de debiteur, tenzij hij expliciet bewijst dat sprake is van overmacht volgens art. 6:75 BW.
B. Partijen kunnen in een overeenkomst afspreken dat een tekortkoming aan de debiteur wordt toegerekend, zelfs bij overmacht, of juist niet wordt toegerekend, ook al zou dat normaal wél zo zijn.
C. Alleen bij exoneratieclausules kan schuld van de debiteur worden uitgesloten; bij garantieclausules is dat niet mogelijk.
D. Een overeenkomst mag geen invloed hebben op de vraag of een tekortkoming toerekenbaar is; dit is volledig wettelijk geregeld in art. 6:76 en 6:77 BW.

A

Correct antwoord: B

📘 Toelichting:
A – Onjuist: art. 6:75 BW maakt duidelijk dat toerekening krachtens overeenkomst een zelfstandige grond is. Dus: ook bij overmacht kan tóch toerekening volgen als partijen dat zijn overeengekomen.

B – ✅ JUIST: partijen hebben contractsvrijheid. Ze kunnen via een garantieclausule juist wél aansprakelijkheid laten bestaan (zoals bij Frens/Gerrits), en via een exoneratieclausule aansprakelijkheid uitsluiten (zoals bij Jansen/Mertens) — ook als er normaal gesproken toerekening zou zijn.

C – Onjuist: het is precies andersom. Garantieclausules leiden tot méér toerekening (ook zonder schuld), en exoneraties tot minder toerekening (zelfs bij schuld).

D – Onjuist: art. 6:75 BW bepaalt expliciet dat ook de overeenkomst een toerekeningsgrond kan vormen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Welke van de onderstaande stellingen is juridisch juist op basis van de onderstaande casussen?

Casus 1: Bertus, eigenaar van een schildersbedrijf, stuurt zijn werknemer Kees naar klant Janus om diens huis wit te schilderen. Door een fout van Kees in het mengen van de verf, slaat het huis roze uit.
Casus 2: Nelis exploiteert een verhuisbedrijf. Bij het verhuizen van een vleugel voor klant Martijn gebruikt hij een nieuwe hijskabel, die onverwacht knapt. De vleugel raakt onherstelbaar beschadigd. Nelis treft geen blaam; de kabel was net geleverd.

Welke van de onderstaande conclusies over aansprakelijkheid is juist?

A. Bertus is niet aansprakelijk voor de fout van Kees, aangezien er geen sprake is van eigen schuld en Kees op eigen initiatief handelde.
B. Nelis is niet aansprakelijk omdat hij zorgvuldig heeft gehandeld bij de aanschaf van de hijskabel en dus geen enkel verwijt treft.
C. Bertus is aansprakelijk op grond van artikel 6:76 BW omdat hij zich bediende van een hulppersoon; Nelis is aansprakelijk op grond van artikel 6:77 BW omdat hij een ondeugdelijk hulpmiddel gebruikte, ook zonder schuld.
D. Beide ondernemers zijn alleen aansprakelijk indien de klant expliciet in het contract aansprakelijkheid bij derden heeft uitgesloten.

A

Correct antwoord: C

📘 Toelichting:
A – Onjuist: Artikel 6:76 BW bepaalt dat een debiteur aansprakelijk is voor gedragingen van hulppersonen die hij bij de uitvoering van zijn verbintenis inschakelt — ongeacht eigen schuld. Het feit dat Bertus zich van Kees bediende, maakt hem aansprakelijk.

B – Onjuist: Artikel 6:77 BW gaat over hulpmiddelen die een debiteur gebruikt bij de uitvoering van een verbintenis. Ook als de debiteur zelf geen schuld heeft, wordt een tekortkoming die voortvloeit uit een ondeugdelijk hulpmiddel aan hem toegerekend. Voorzorgsmaatregelen doen daaraan niet af.

C – ✅ JUIST: Deze stelling volgt direct uit de wet:

Art. 6:76 BW: aansprakelijkheid voor hulppersonen (casus Bertus/Kees).

Art. 6:77 BW: aansprakelijkheid voor gebrekkige zaken (casus Nelis/hijskabel).

D – Onjuist: Dit verwart de zaak met exoneratiebedingen, die hier niet aan de orde zijn en bovendien uitdrukkelijk overeengekomen moeten zijn — wat in deze casus niet het geval is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke stelling is onjuist?
1. Blijvende onmogelijkheid geldt als de onmogelijkheid een definitief karakter draagt, in de zin dat de tekortkoming ook niet meer door een latere nakoming kan worden geheeld.
2. Een beroemde violist is gecontracteerd om samen met het Residentieorkest een eenmalig vioolconcert in Amsterdam te geven op vrijdagavond op 25 juni 2021. Voor deze unieke gelegenheid zijn speciale advertenties geplaatst in verschillende dagbladen en er zijn grote posters gemaakt die overal in de straten worden opgehangen. Op de bewuste avond komt de violist niet opdagen. Hier is sprake van een nakoming die blijvend onmogelijk is.
3. Als nakoming niet blijvend onmogelijk is, geldt het vereiste dat (wil de schuldeiser recht hebben op schadevergoeding), de schuldenaar in het verzuim moet zijn.
4. Alle stellingen zijn juist

A
  1. Alle stellingen zijn juist
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Verzuim kan — bij spoedeisende gebreken — intreden zonder ingebrekestelling, wanneer de schuldenaar onbereikbaar is of geen adequate actie onderneemt. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in zo’n situatie de wettelijke vereisten van art. 6:82 BW opzijzetten.
In welk arrest is dit bepaald?
1. Brok/Huberts arrest (heupdysplasie, 9 januari 1998, ECLI: NL: HR:1998: ZC 2541)
2. Schwarz / Gnjatovic arrest (11 januari 2002, ECLI: ECLI:NL:HR:2002:AD4925)
3. Oerlemans/Agro Driessen arrest (verwelkte rozen, 27 april 2001, ECLI:NL:HR 2001:AB 1338)
4. Endlich/Bouwmachines arrest (22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9494)
5. Kinheim/Pelders arrest (4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2004:AO9494)

A
  1. Endlich/Bouwmachines arrest (22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9494)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

W en V hebben een arbeidsovereenkomst gesloten waarin staat dat V als leraar Frans 15 uur per week lesgeeft bij het particuliere instituut van W. Op 23 april 2023 oordeelt de kantonrechter op verzoek van W dat de arbeidsovereenkomst wegens wanprestatie wordt ontbonden met ingang van diezelfde dag. V houdt dan op met werken en W stopt met betalen van loon.

Wat is juridisch juist over deze situatie?

A. De arbeidsovereenkomst is pas ontbonden zodra de uitspraak in kracht van gewijsde gaat, dus na afloop van de beroepstermijn.
B. De arbeidsovereenkomst is direct ontbonden per 23 april 2023, maar de uitspraak is pas definitief zodra deze in kracht van gewijsde gaat.
C. De arbeidsovereenkomst blijft bestaan zolang V in beroep kan gaan tegen de uitspraak.
D. Een rechterlijke uitspraak werkt nooit eerder dan het moment waarop zij in kracht van gewijsde is gegaan.

A

B. De arbeidsovereenkomst is direct ontbonden per 23 april 2023, maar de uitspraak is pas definitief zodra deze in kracht van gewijsde gaat.
==>
De rechter kan (en doet dat meestal) bepalen dat de ontbinding met onmiddellijke werking plaatsvindt (art. 6:269 BW). Maar het vonnis is nog niet onherroepelijk zolang de termijn voor hoger beroep nog loopt, en het dus nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Casus:

A (een particulier) verkoopt zijn slaapkamerameublement aan B voor € 1.000. A levert het ameublement direct aan B. B betaalt echter nooit. A verklaart daarop de overeenkomst te ontbinden. Inmiddels is B failliet verklaard. A wil het ameublement terug.

Vraag:

Wat is juridisch juist ten aanzien van de rechtsgevolgen van de ontbinding?

A. De ontbinding werkt terug tot het moment waarop de overeenkomst is gesloten, zodat A eigenaar blijft en het ameublement kan revindiceren, ook bij faillissement van B.

B. De ontbinding heeft géén terugwerkende kracht: de koop blijft tot het moment van ontbinding geldig. A kan daarom slechts een concurrente vordering instellen in het faillissement van B.

C. Door de ontbinding wordt de koopovereenkomst geacht nooit te hebben bestaan, zodat A het ameublement kan terugnemen op grond van zijn eigendomsrecht.

D. Ontbinding vernietigt de overeenkomst met terugwerkende kracht, maar als B failliet is, heeft A recht op voorrang als separatist wegens zijn eigendomsvoorbehoud.

A

Correct antwoord: B

Toelichting:

A is onjuist: ontbinding werkt niet terug tot het moment van het sluiten van de overeenkomst (art. 6:269 BW); de overeenkomst blijft geldig tot het tijdstip van ontbinding.

B is correct: art. 6:271 BW bepaalt dat er wél ongedaanmakingsverplichtingen ontstaan, maar de eigendom is al overgedragen vóór de ontbinding. A heeft daarom géén revindicatierecht, maar slechts een persoonlijke vordering tot teruggave. Bij faillissement is hij dan gewoon een concurrente schuldeiser.

C is fout: dit geldt bij vernietiging, niet bij ontbinding.

D is misleidend: er is in de casus geen eigendomsvoorbehoud overeengekomen, en ontbinding levert dat ook niet automatisch op.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

In welke van de onderstaande situaties is een ingebrekestelling zonder aanmaning en termijnstelling rechtsgeldig, op basis van artikel 6:82 lid 2 BW?

Casus 1:
X heeft voor Z werkzaamheden verricht, maar doet dit gebrekkig. Z belt X meerdere keren, maar krijgt te horen dat X inmiddels voor twee maanden op reis is naar Australië. Z stuurt X een brief waarin hij X aansprakelijk stelt voor het niet behoorlijk nakomen, zonder hem een termijn te stellen.

Casus 2:
Derek zou voor Vaasen een antieke klok herstellen, maar doet dit bij herhaling gebrekkig. Na meerdere mondelinge verzoeken tot correct herstel, blijft Derek weg, reageert nergens op en laat niets meer van zich horen. Vaasen stuurt een brief waarin hij Derek aansprakelijk stelt voor het uitblijven van herstel, zonder termijn te geven.

Welke van de volgende beweringen is juist?

A. In casus 1 is de ingebrekestelling niet geldig, omdat er geen termijn voor herstel is opgenomen, en tijdelijke onmogelijkheid nooit een uitzondering op art. 6:82 lid 1 kan opleveren.

B. In casus 2 is de ingebrekestelling ongeldig, omdat Vaasen niet eerst schriftelijk had moeten sommeren en termijn geven voordat hij aansprakelijk stelde.

C. In beide casussen geldt een uitzondering op de vereisten van art. 6:82 lid 1 BW, zodat verzuim intreedt op grond van art. 6:82 lid 2 BW, ook zonder aanmaning en termijn.

D. In geen van beide gevallen is verzuim ingetreden, omdat schriftelijke ingebrekestelling altijd aanmaning én redelijke termijnstelling vereist, ongeacht de houding of afwezigheid van de debiteur.

A

Correct antwoord: C

📘 Toelichting
A – Onjuist: Art. 6:82 lid 2 BW bepaalt expliciet dat bij tijdelijke onmogelijkheid geen termijn hoeft te worden gesteld, zolang de debiteur schriftelijk aansprakelijk wordt gesteld.

B – Onjuist: Als uit de houding van de debiteur (zoals hier: herhaaldelijk nalaten, niet reageren, wegblijven) blijkt dat aanmaning nutteloos is, mag de schuldeiser direct aansprakelijk stellen (art. 6:82 lid 2).

C – ✅ JUIST: Beide situaties vallen precies binnen de uitzonderingen van art. 6:82 lid 2 BW:

Casus 1: tijdelijke onmogelijkheid door verblijf in Australië

Casus 2: houding van debiteur maakt aanmaning nutteloos
→ Een schriftelijke aansprakelijkstelling volstaat.

D – Onjuist: Dit is in strijd met het systeem van art. 6:82 BW. Lid 2 vormt nu juist een uitzondering op de hoofdregel van lid 1.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Op 2 maart 2024 verkoopt Jasper een zeldzame munt aan Lotte voor €1.000, met als voorwaarde dat Lotte uiterlijk op 10 maart het bedrag overmaakt. In de overeenkomst staat niets over verlenging of afwijkende betekenis van de datum. Lotte betaalt op 10 maart niet, en op 11 maart stuurt Jasper haar een e-mail met een betalingsherinnering, maar daarin wordt geen termijn voor betaling genoemd. Lotte reageert op 13 maart: “Ik weet niet wanneer ik kan betalen, misschien pas eind volgende maand.”

Welke van de onderstaande uitspraken over verzuim van Lotte is juridisch juist?

A. Lotte is pas in verzuim als zij een schriftelijke aanmaning ontvangt waarin een redelijke termijn voor betaling is opgenomen, en zij ook dan niet betaalt.
B. Lotte is sinds 11 maart in verzuim, omdat de overeengekomen fatale termijn van 10 maart is verstreken zonder betaling en art. 6:83 sub a BW bepaalt dat ingebrekestelling dan niet vereist is.
C. Lotte is pas in verzuim na 13 maart, omdat zij dan voor het eerst expliciet aangeeft dat betaling voorlopig uitblijft en art. 6:83 sub c BW van toepassing wordt.
D. Lotte is nog niet in verzuim, omdat de e-mail van Jasper van 11 maart geen redelijke termijn bevat en dus niet voldoet aan de eisen van art. 6:82 lid 1 BW.

A

Correct antwoord: B

📘 Toelichting:
A – Onjuist: In beginsel geldt dat verzuim pas intreedt na ingebrekestelling (art. 6:82 lid 1), tenzij er sprake is van een fatale termijn (zie art. 6:83 sub a BW). In deze casus is dat wél het geval.

B – ✅ JUIST: De overeengekomen datum van 10 maart is een fatale termijn. Nu die datum is verstreken zonder betaling, treedt het verzuim automatisch in op 11 maart, zonder dat ingebrekestelling nodig is (art. 6:83 sub a BW).

C – Onjuist: Een mededeling van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij niet zal nakomen kan verzuim veroorzaken (art. 6:83 sub c BW), maar deze vorm van verzuim is hier overbodig, omdat de fatale termijn al was verstreken.

D – Onjuist: De e-mail op 11 maart bevatte geen termijn, maar dat maakt niet uit — verzuim was al ingetreden op grond van art. 6:83 sub a BW door het verstrijken van de fatale termijn op 10 maart.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Welke stelling is onjuist?
1. Er is sprake van onmogelijkheid indien iedere door de verbintenis toegelaten wijze van nakoming is verhinderd.
2. Bij absolute onmogelijkheid is nakoming feitelijk volledig onmogelijk geworden, zonder enige resterende mogelijkheid tot uitvoering. De prestatie kan objectief niet meer worden verricht, door niemand, onder geen enkele omstandigheid.
3. Bij relatieve onmogelijkheid is nakoming in theorie nog mogelijk, maar zou alleen kunnen plaatsvinden tegen onevenredige risico’s of met onaanvaardbare gevolgen (zoals overtreding van de wet). De prestatie is technisch nog uitvoerbaar, maar in de praktijk redelijkerwijs niet meer van de schuldenaar te vergen.
4. Alle stellingen zijn juist.

A

Antwoord 2 is onjuist.
==> Moet zijn: “Bij absolute onmogelijkheid is nakoming feitelijk of juridisch volledig onmogelijk…”

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Welke van de volgende combinaties bevat alle vereisten voor een geslaagde vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW, met daarbij een juiste omschrijving van toerekenbare tekortkoming?

A. (1) Wanprestatie, (2) schade, (3) conditio sine qua non-verband, (4) schuldaansprakelijkheid of opzet van de debiteur
B. (1) Tekortkoming, (2) toerekenbaarheid op grond van schuld of art. 6:76 BW, (3) aantoonbare vermogensschade, (4) verzuim van de schuldenaar
C. (1) Tekortkoming, (2) toerekenbaarheid aan de debiteur via schuld, wet, rechtshandeling of verkeersopvattingen, (3) enig nadeel (schade), (4) causaal verband volgens de conditio sine qua non-leer
D. (1) Tekortkoming, (2) schulderkenning of expliciete aansprakelijkheidsverklaring, (3) schade met economisch gewicht, (4) voorzienbaarheid van schade door de debiteur

A

Correct antwoord: C

📘 Toelichting per optie:
A – Onjuist: vereisten zijn deels juist, maar toerekening op grond van alleen schuld of opzet is te beperkt. Art. 6:74 jo. 6:75 BW erkent ook andere gronden zoals verkeersopvattingen of exoneraties.

B – Onjuist: schade hoeft niet vermogensschade te zijn en verzuim is bij schadevergoeding alleen relevant als nakoming nog mogelijk is (zie art. 6:74 lid 2 jo. afdeling 6.1.9 BW).

C – ✅ Juist: dit is een volledige weergave van de vier vereisten:

Tekortkoming (in neutrale zin),

Toerekenbaarheid via één van vier gronden: schuld, wet (zoals art. 6:76/6:77), rechtshandeling (garantie/exoneratie), of verkeersopvattingen,

Schade (enig nadeel volstaat),

Causaal verband: conditio sine qua non.

D – Onjuist: “schulderkenning” en “voorzienbaarheid” zijn geen wettelijke vereisten; “economisch gewicht” is ook geen voorwaarde (enig nadeel is al voldoende).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

N en O hebben op 10 januari 2022 een overeenkomst gesloten, inhoudende dat N zijn vakantiehuisje in de bossen aan O zal verhuren voor de periode van 15 maart tot en met 15 juni 2022 voor een totale huurprijs van € 1250.

Op 27 februari 2022 gaat het vakantiehuisje van N door brand geheel verloren.

Is O nu bevoegd tot ontbinding van de overeenkomst N-O?
A. Nee, want er is nog geen sprake van verzuim bij N. Ontbinding is pas mogelijk na een ingebrekestelling of een redelijke termijn.

B. Ja, want er is sprake van een wederkerige overeenkomst en van blijvende onmogelijkheid tot nakoming door N. O hoeft N daarom niet eerst in gebreke te stellen en kan direct ontbinden (art. 6:265 lid 2 BW).

C. Nee, want door overmacht (brand) is er geen sprake van een toerekenbare tekortkoming, en zonder schuld is ontbinding niet mogelijk.

D. Ja, maar alleen als O kan aantonen dat N schuld heeft aan het ontstaan van de brand die het huisje verwoestte.

A

Correct antwoord: B

Toelichting:

A is onjuist: Verzuim is hier niet vereist, omdat sprake is van blijvende onmogelijkheid tot nakoming (art. 6:265 lid 2 BW). Een ingebrekestelling is dus niet nodig.

B is juist: De overeenkomst is wederkerig, er is een tekortkoming (het vakantiehuis kan niet meer worden verhuurd), en verzuim is niet vereist bij blijvende onmogelijkheid tot nakoming.

C is onjuist: Ontbinding vereist géén toerekenbare tekortkoming; het enige criterium is of de tekortkoming ontbinding rechtvaardigt (zie art. 6:265 lid 1). De discussie over schuld hoort bij schadevergoeding, niet bij ontbinding.

D is onjuist: Schuld is ook hier niet relevant voor de vraag of ontbinding mogelijk is. Zelfs als de brand buiten de schuld van N is ontstaan, is ontbinding mogelijk wegens blijvende onmogelijkheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Casus:
Stucadoor Bram heeft met opdrachtgever Greet een wederkerige overeenkomst gesloten: hij zou haar woonkamer stucen voor €2.000, te betalen na oplevering. Op de opleverdag constateert Greet dat een deel van de muur niet egaal is afgewerkt. Greet weigert vervolgens de betaling van het volledige bedrag. Bram erkent de klacht en biedt direct aan het herstelwerk binnen twee dagen kosteloos uit te voeren. Greet blijft weigeren te betalen, ook nadat het herstelwerk is uitgevoerd.

Vraag:
Welk juridisch oordeel ligt het meest in lijn met art. 6:262 BW en de uitleg van de exceptio non adimpleti contractus?

A. Greet mag de volledige betaling opschorten, ook nadat het herstelwerk is uitgevoerd, want de oorspronkelijke oplevering was niet deugdelijk.
B. Greet mag opschorten zolang de tekortkoming voortduurt, maar moet alsnog betalen zodra Bram zijn verplichting alsnog volledig is nagekomen.
C. Greet had het recht volledig op te schorten, want de wanprestatie gaf haar een zelfstandig recht op schadevergoeding.
D. Greet mocht niet opschorten, want bij een overeenkomst van aanneming bestaat geen recht op exceptio non adimpleti contractus.

A

Correct antwoord:
B. Greet mag opschorten zolang de tekortkoming voortduurt, maar moet alsnog betalen zodra Bram zijn verplichting alsnog volledig is nagekomen.

Toelichting:

A is onjuist: zodra Bram zijn verplichting alsnog volledig nakomt, vervalt het opschortingsrecht.

C is onjuist: schadevergoeding staat los van opschorting; bovendien moet de schade apart worden aangetoond en gevorderd.

D is onjuist: de exceptio geldt bij alle wederkerige overeenkomsten, inclusief aanneming van werk.

B is juist: art. 6:262 lid 2 BW bepaalt dat opschorting alleen mag zolang de tekortkoming voortduurt; daarna moet gepresteerd worden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

In welke van de onderstaande gevallen is een schriftelijke aanmaning met termijnstelling niet vereist voor het intreden van verzuim, conform artikel 6:82 lid 2 BW?

A.
De debiteur is op vakantie in Australië en kan tijdelijk geen herstelwerkzaamheden uitvoeren. De schuldeiser stuurt daarom een brief waarin hij de debiteur aansprakelijk stelt voor de vertraging, zonder termijn te stellen.

B.
De debiteur heeft aangekondigd over twee maanden alsnog te leveren. De schuldeiser wil echter versneld levering afdwingen, en stelt de debiteur direct aansprakelijk zonder eerst een termijn te gunnen.

C.
De schuldeiser heeft herhaaldelijk verzocht om herstel van een defect, waarop de debiteur steeds ontwijkend reageerde en uiteindelijk helemaal niets meer van zich laat horen. De schuldeiser stelt hem schriftelijk aansprakelijk, zonder termijn.

D.
De debiteur presteert niet op de afgesproken datum, maar verklaart telefonisch op die dag: “Ik ben ziek, dus ik doe het zodra ik beter ben.” De schuldeiser stuurt hem een ingebrekestelling met een termijn van 24 uur.

A

Correct antwoord: C

📘 Toelichting
A – Onjuist: Hoewel de debiteur tijdelijk niet kan nakomen (Australië), is dit wél een uitzondering op termijnstelling volgens art. 6:82 lid 2 BW. Maar let op: de formulering van optie A maakt de situatie juridisch twijfelachtig omdat de termijn mogelijk redelijkerwijs wel gesteld kon worden; het blijft daardoor niet het beste voorbeeld. De enige volledig juiste uitzondering is C.

B – Onjuist: Als de debiteur aangeeft wél nog te willen presteren, en de schuldeiser daartegenover geen redelijke termijn stelt, dan voldoet hij niet aan de hoofdregel van art. 6:82 lid 1 BW. Er is géén uitzondering van toepassing.

C – ✅ JUIST: Uit de houding van de debiteur blijkt dat aanmaning nutteloos is (art. 6:82 lid 2 sub b). Voldoet dus wél aan de uitzondering. Schriftelijke aansprakelijkstelling is dan voldoende voor intreden van verzuim.

D – Onjuist: Hoewel de debiteur tijdelijk niet kan nakomen (ziek), is een termijn van 24 uur bij ziekte waarschijnlijk onredelijk kort. Bovendien wordt hier wél een termijn gesteld, dus geen toepassing van de uitzonderingsregel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Welke van de volgende beweringen is onjuist?

In het arrest Endlich-Bouwmachines, ECLI:NL:HR:2004:AO9494, overwoog de Hoge Raad dat een ingebrekestelling
1. de functie heeft om het verzuim vast te stellen.
2. de functie heeft om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven.
3. nader bepaalt tot welk tijdstip de nakoming nog mogelijk is, zonder dat van een tekortkoming sprake is.
4. (buiten de in de wet genoemde uitzonderingen) niet altijd nodig is om verzuim te doen intreden.

A
  1. de functie heeft om het verzuim vast te stellen.

In genoemd arrest overwoog de Hoge Raad uitdrukkelijk, zie rechtsoverweging 3.4.4., dat een ingebrekestelling niet de functie heeft om het verzuim vast te stellen, maar het moment vastlegt waarop het verzuim zal intreden. De schuldenaar wordt door het uitbrengen van de ingebrekestelling nog een laatste kans op nakoming gegeven.
In geval van spoedeisende situaties met herstelwerkzaamheden, kan zonder ingebrekestelling of schriftelijke aanmaning verzuim intreden, indien de schuldenaar niet bereikt kan worden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Welke van de onderstaande combinaties bevat uitsluitend vereisten die moeten zijn vervuld om te kunnen spreken van verzuim van de schuldenaar in de zin van artikel 6:81 BW en de daarop volgende bepalingen?

A.

De prestatie is opeisbaar

De prestatie blijft uit

De schuldeiser moet belang hebben bij directe nakoming

De vertraging is toerekenbaar aan de schuldenaar

B.

De prestatie is opeisbaar

De schuldenaar is in gebreke gesteld of art. 6:83 BW is van toepassing

De tekortkoming leidt tot schade

De schuldeiser heeft het recht op ontbinding ingeroepen

C.

De prestatie is opeisbaar

De prestatie blijft uit

De vertraging is toerekenbaar

Er is voldaan aan de voorwaarden van art. 6:82 of 6:83 BW

D.

De prestatie is niet blijvend onmogelijk

De schuldeiser heeft ingebrekestelling aangekondigd

De prestatie is opeisbaar

De verbintenis vloeit voort uit een overeenkomst of uit de wet

A

Correct antwoord: C

📘 Toelichting:
A – Onjuist: Vereiste 3 is fout: het hebben van “belang bij directe nakoming” is geen voorwaarde voor verzuim, maar kan relevant zijn voor andere vorderingen zoals aanvullende schadevergoeding.

B – Onjuist: Vereiste 3 en 4 zijn fout: het intreden van schade of het inroepen van ontbinding zijn geen voorwaarden voor verzuim, maar mogelijke gevolgen ervan.

C – ✅ JUIST: Dit zijn de vier juiste cumulatieve vereisten:

Opeisbaarheid van de prestatie

Uitblijven van nakoming

Toerekenbare vertraging (schuld of risico)

Ingebrekestelling óf automatische toepassing van art. 6:83 BW

D – Onjuist: “De verbintenis vloeit voort uit de wet of overeenkomst” is te ruim geformuleerd: dat is een vereiste voor het bestaan van een verbintenis, maar niet specifiek voor verzuim. Ook is “aankondigen” van ingebrekestelling juridisch betekenisloos — de vereiste is een daadwerkelijke ingebrekestelling conform art. 6:82 BW.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Welke van de onderstaande combinaties van stellingen bevat uitsluitend correcte uitleg van de vier cumulatieve vereisten voor verzuim in de zin van artikel 6:81 e.v. BW?

A.

De prestatie is opeisbaar: de prestatie moet op een door de schuldeiser gekozen moment uitgevoerd kunnen worden.

De prestatie blijft uit: er is sprake van blijvende onmogelijkheid van nakoming.

De tekortkoming is toerekenbaar: als de schuldenaar opzettelijk weigert te presteren.

Ingebrekestelling: een mondelinge waarschuwing met redelijke termijn is voldoende.

B.

De prestatie is opeisbaar: de verbintenis is direct opeisbaar tenzij anders overeengekomen; zie art. 6:38 BW.

De prestatie blijft uit: er is sprake van vertraging in de nakoming terwijl die nog wél mogelijk is.

De tekortkoming is toerekenbaar: indien deze aan schuld van de debiteur te wijten is of krachtens wet, rechtshandeling of verkeersopvattingen voor zijn rekening komt.

Ingebrekestelling: een schriftelijke aanmaning die de debiteur een laatste kans geeft tot nakoming.

C.

De prestatie is opeisbaar: zodra de schuldeiser betaling eist, is elke verbintenis direct opeisbaar.

De prestatie blijft uit: dit geldt alleen als de debiteur geen enkele inspanning levert.

De tekortkoming is toerekenbaar: dit is alleen het geval als sprake is van grove schuld.

Ingebrekestelling: vereist altijd een aangetekende brief met een termijn van minimaal twee weken.

D.

De prestatie is opeisbaar: de verplichting tot presteren is uitgesteld tot ingebrekestelling.

De prestatie blijft uit: het gaat om gevallen van blijvende onmogelijkheid.

De tekortkoming is toerekenbaar: de debiteur had recht op opschorting.

Ingebrekestelling: is alleen nodig bij verbintenissen uit onrechtmatige daad.

A

Correct antwoord: B

📘 Toelichting:
A – Onjuist:

Stelling 1 is te ruim geformuleerd (opeisbaarheid hangt af van de verbintenis, niet van de voorkeur van de schuldeiser).

Stelling 2 is fout: bij blijvende onmogelijkheid is geen sprake van verzuim.

Stelling 3 is onvolledig (toerekenbaarheid vereist niet per se opzet).

Stelling 4 is fout: schriftelijke aanmaning is vereist (art. 6:82 BW).

B – ✅ JUIST:

Volledige en correcte weergave van de vier vereisten:

Opeisbaarheid (art. 6:38 BW).

Uitblijven ondanks mogelijkheid tot nakoming.

Toerekenbaarheid via schuld, wet, rechtshandeling of verkeersopvattingen (art. 6:75 BW).

Ingebrekestelling: schriftelijk met redelijke termijn (art. 6:82 lid 1 BW).

C – Onjuist:

Stelling 1 is fout: opeisbaarheid vereist meer dan alleen een verzoek.

Stelling 2 is onvolledig.

Stelling 3 is fout: toerekenbaarheid vergt niet per se grove schuld.

Stelling 4 is onjuist: geen vaste termijn of aangetekende zending vereist, zolang het schriftelijk is.

D – Onjuist:

Stelling 1 is fout: opeisbaarheid komt vóór verzuim.

Stelling 2 verwart tijdelijke vertraging met blijvende onmogelijkheid.

Stelling 3 is fout: opschorting verhindert juist verzuim.

Stelling 4 is onjuist: bij onrechtmatige daad geldt juist géén ingebrekestelling (zie art. 6:83 sub b BW).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Elektronica-producent Soltech BV bestelt bij metaalbedrijf Ferrex een serie metalen connectoren met zeer precieze maatvoering, bedoeld voor een levering aan een buitenlandse afnemer. Ferrex levert de connectoren, maar na controle blijkt dat een groot deel ondeugdelijk is: ze zijn te breed en kunnen niet worden gebruikt. De buitenlandse levering moet daardoor met spoed uitgesteld worden. Soltech meldt Ferrex per e-mail dat de levering niet voldoet en dat zij schade zal verhalen. Soltech stelt Ferrex echter niet formeel in gebreke. Ferrex stelt zich in een latere rechtszaak op het standpunt dat zij niet in verzuim was, omdat Soltech geen ingebrekestelling heeft verzonden, en dat zij bovendien niet aansprakelijk is omdat zij eerder in een brief aansprakelijkheid voor productiefouten had uitgesloten, waarop Soltech niet had gereageerd.

Welk van de onderstaande standpunten is juridisch juist volgens het arrest Kinheim/Pelders?

A. Soltech kan geen schadevergoeding vorderen, omdat zij Ferrex niet formeel in gebreke heeft gesteld; er is daarom geen sprake van verzuim.

B. Ferrex is niet aansprakelijk voor schadevergoeding, omdat zij de aansprakelijkheid vooraf had uitgesloten en Soltech daar niet op heeft gereageerd.

C. Soltech kan voor de onherstelbare schade schadevergoeding vorderen zonder ingebrekestelling, omdat deze schade blijvend is, ook al is herstel van de connectoren zelf mogelijk.

D. Ferrex is alleen aansprakelijk voor schadevergoeding als Soltech aantoont dat Ferrex willens en wetens ondeugdelijk werk heeft geleverd.

A

Correct antwoord: C

Toelichting:
C is juist. De rechtsregel uit Kinheim/Pelders bepaalt dat als een deel van de schade blijvend is en niet ongedaan gemaakt kan worden (bijv. door reputatieschade of gemiste levering), verzuim zonder ingebrekestelling mogelijk is m.b.t. dat deel. Voor het herstelbare deel is wel een ingebrekestelling vereist (art. 6:82 lid 1 BW).

A is onjuist omdat het geen onderscheid maakt tussen herstelbare en blijvend onherstelbare schade.

B is onjuist: eenzijdige mededeling met aansprakelijkheidsuitsluiting is alleen bindend als er gerechtvaardigd vertrouwen ontstaat, en dat is er niet enkel door stilzwijgen.

D is onjuist: opzet of wetenschap is niet vereist voor aansprakelijkheid bij wanprestatie volgens art. 6:74 BW. Toerekenbaarheid volstaat.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Welke van de volgende combinaties van tekortkoming en rechtsgevolg is juridisch correct volgens het BW?

A. Bij blijvend onmogelijke nakoming is schadevergoeding mogelijk zonder verzuim, maar ontbinding vereist wél ingebrekestelling.
B. Bij tijdelijk onmogelijke nakoming is nakoming tijdelijk uitgesloten, schadevergoeding vereist verzuim (bijv. via aansprakelijkstelling), en ontbinding is mogelijk zonder verzuim.
C. Als nakoming nog mogelijk is, is schadevergoeding en ontbinding alleen mogelijk als de schuldenaar in verzuim is; nakoming kan worden gevorderd op grond van art. 3:296 BW.
D. Bij blijvend onmogelijke nakoming is nakoming uitgesloten, schadevergoeding vereist verzuim, en ontbinding vereist een schriftelijke aanmaning.

A

Correct antwoord: C

Toelichting:
A – Onjuist: Ontbinding vereist bij blijvende onmogelijkheid géén verzuim (art. 6:265), dus dat deel is fout.

B – Onjuist: Correcte onderdelen: nakoming tijdelijk uitgesloten en schadevergoeding vereist verzuim. Maar fout: ontbinding is bij tijdelijk onmogelijke nakoming alleen mogelijk zonder verzuim als de schuldenaar géén redelijk termijn heeft gekregen.

C – Juist: Alle drie onderdelen zijn correct volgens het schema:

Nakoming: ja, art. 3:296 BW

Schadevergoeding: ja, art. 6:74, mits in verzuim

Ontbinding: ja, art. 6:265, mits in verzuim

D – Onjuist: Schadevergoeding bij blijvende onmogelijkheid vereist géén verzuim, dus dit is fout.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
In welke van de onderstaande gevallen treedt verzuim in zonder ingebrekestelling, op grond van artikel 6:83 BW, en is het juridisch juist verklaard? Casus 1 – Schadevergoeding: De vordering van Claire op Wim is gebaseerd op een schadevergoedingsverbintenis wegens wanprestatie (art. 6:74 BW). Wim is al eerder in verzuim geraakt mbt deze claim. Claire vordert €2.000 schadevergoeding, maar Wim betaalt dit bedrag niet, zelfs niet nadat Claire hem daartoe mondeling heeft verzocht. Casus 2 – Mededeling van debiteur: Tanja verkoopt haar motor aan Patrick met leveringsdatum 1 september. Op 29 augustus stuurt Patrick haar een e-mail waarin staat: "Ik trek me terug uit de deal. Je zult de motor op 1 september niet van me ontvangen." Casus 3 – Vaste termijn: Erik huurt een zaal voor een evenement op 1 juli met verplichting tot betaling op dezelfde dag. Hij betaalt de overeengekomen huurprijs op 2 juli, zonder voorafgaande ingebrekestelling. Welke bewering is juist? A. Alleen in casus 1 is sprake van verzuim zonder ingebrekestelling, omdat schadevergoeding na wanprestatie altijd direct opeisbaar is. B. In alle drie de casussen treedt verzuim automatisch in zonder ingebrekestelling, op basis van respectievelijk art. 6:83 sub b, sub c en sub a BW. C. Alleen in casus 2 is sprake van automatisch verzuim zonder ingebrekestelling, omdat de debiteur expliciet laat weten niet te zullen nakomen (art. 6:83 sub c BW). D. In casus 1 treedt geen verzuim in, omdat schadevergoeding op grond van art. 6:74 BW pas na ingebrekestelling opeisbaar is, zelfs als de debiteur al in verzuim was.
Correct antwoord: B Toelichting: Casus 1 → art. 6:83 sub b BW: De schadevergoedingsverplichting is reeds ontstaan (Wim was al in verzuim), dus zodra hij niet tijdig betaalt, treedt opnieuw verzuim in zonder ingebrekestelling. Casus 2 → art. 6:83 sub c BW: Uit de expliciete mededeling van Patrick blijkt dat hij niet zal nakomen → verzuim treedt direct in. Casus 3 → art. 6:83 sub a BW: Voor de betaling is een vaste datum afgesproken (1 juli), dus zodra die datum verstrijkt zonder betaling, treedt verzuim in zonder ingebrekestelling.
26
Welke stelling is juist? 1. Overmacht is een vorm van niet-toerekenbare tekortkoming, waarbij nakoming blijvend onmogelijk of tijdelijk onmogelijk is. 2. Als de tekortkoming wel te wijten is aan de schuld van de debiteur, kan er geen sprake zijn van overmacht. 3. Wanneer de ene partij bij een wederkerige overeenkomst haar verbintenis niet nakomt, mag de andere partij haar eigen prestatie alleen opschorten als haar wederprestatie reeds opeisbaar is geworden en bovendien slechts nadat zij de wederpartij eerst schriftelijk in gebreke heeft gesteld. 4. Alle stellingen zijn juist 5. Alle stellingen zijn onjuist
1. Overmacht is een vorm van niet-toerekenbare tekortkoming, waarbij nakoming blijvend onmogelijk of tijdelijk onmogelijk is. ==> Mbt 2: Onjuist want: Wanneer is er is van overmacht waardoor de debiteur niet verplicht is de schade te vergoeden? (art. 6:75 BW): * De tekortkoming is niet te wijten aan de schuld van de debiteur. * De tekortkoming komt krachtens de wet, krachtens rechtshandeling of krachtens de in het verkeer geldende opvattingen niet voor rekening van de debiteur. ==> Mbt 3: Het tweede deel van de stelling is onjuist: een ingebrekestelling is geen vereiste voor toepassing van art. 6:262 BW. De schuldeiser mag onder omstandigheden direct opschorten, zonder eerst een schriftelijke ingebrekestelling te sturen.
27
Welke van de onderstaande beweringen geeft de kerninhoud van artikel 6:74 BW het best weer? A. Alleen als nakoming blijvend onmogelijk is, is de schuldenaar verplicht schade te vergoeden — tenzij de schuldeiser in verzuim is. B. Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar tot schadevergoeding, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. Als nakoming niet blijvend onmogelijk is, is verzuim vereist. C. Iedere wanprestatie leidt automatisch tot schadevergoeding, ongeacht toerekenbaarheid of verzuim. D. Alleen opzettelijke tekortkomingen brengen een schadevergoedingsplicht met zich mee, tenzij anders overeengekomen in de verbintenis.
Correct antwoord: B Toelichting: Artikel 6:74 BW stelt dat een tekortkoming tot schadeplichtigheid leidt, tenzij de tekortkoming niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Als nakoming nog mogelijk is, moet het verzuim worden vastgesteld op grond van afdeling 6.1.9 BW (art. 6:81 e.v.).
28
Welke stelling is onjuist? 1. Ontbinding werkt ex nunc. 2. Bij niet-nakoming heeft schuldeiser uit hoofde van verbintenis het recht op nakoming. 3. Bij niet-nakoming heeft schuldeiser uit hoofde van de verbintenis het recht op schadevergoeding. 4. Alle stellingen zijn juist. 5. Alle stellingen zijn onjuist
3. Bij niet-nakoming heeft schuldeiser uit hoofde van de verbintenis het recht op schadevergoeding. ==> Moet zijn: 3. Bij niet-nakoming heeft schuldeiser uit hoofde van SCHENDING VAN de verbintenis het recht op schadevergoeding.
29
Welke stelling is onjuist? 1. Bij blijvende onmogelijkheid in de nakoming, als aan de vereisten van art. 6:74 BW is voldaan, heeft de crediteur recht op vervangende en aanvullende schadevergoeding. 2. Bij blijvende onmogelijkheid in de nakoming, wordt de verplichting tot nakoming van rechtswege omgezet in een verplichting tot vervangende schadevergoeding. 3. Wanneer nakoming niet blijvend onmogelijk is, dan ontstaat het recht op schadevergoeding niet automatisch (van rechtswege) bij een tekortkoming, tenzij de schuldenaar in verzuim is geraakt. 4. Als nakoming niet blijvend onmogelijk is, ontstaat het recht op schadevergoeding van rechtswege indien er sprake is van een tekortkoming die aan de schuldenaar kan worden toegerekend, of de schuldenaar in verzuim is geraakt. 5. Alle stellingen zijn juist.
4. Als nakoming niet blijvend onmogelijk is, ontstaat het recht op schadevergoeding van rechtswege indien er sprake is van een tekortkoming die aan de schuldenaar kan worden toegerekend, of de schuldenaar in verzuim is geraakt. ==> Moet zijn: Als nakoming niet blijvend onmogelijk is, ontstaat het recht op schadevergoeding van rechtswege indien er sprake is van een tekortkoming die aan de schuldenaar kan worden toegerekend, EN de schuldenaar in verzuim is geraakt.
30
In welke van de onderstaande situaties wordt een tekortkoming zonder schuld van de debiteur toch aan hem toegerekend, en op juiste wettelijke grondslag? A. Een loodgieter gebruikt een ondeugdelijk afdichtmiddel dat hij van de klant heeft gekregen; door een lekkage ontstaat waterschade. De schade wordt toegerekend op grond van art. 6:77 BW, omdat de zaak gebrekkig was. B. Een aannemer schakelt een onderaannemer in voor schilderwerk. Deze onderaannemer morst verf op de vloer van de opdrachtgever. De tekortkoming wordt aan de aannemer toegerekend op grond van art. 6:76 BW. C. Een meubelzaak levert een kast die defect raakt door een fabrieksfout in het hout. De verkoper is alleen aansprakelijk als hij bekend was met het gebrek; anders geldt art. 6:77 BW niet. D. Een arts verricht een operatie met een instrument dat hij van het ziekenhuis heeft geleend; het breekt af. Omdat het hulpmiddel niet zijn eigendom is, kan hij zich beroepen op art. 6:75 BW en is hij niet aansprakelijk.
Correct antwoord: B 📘 Toelichting A – Onjuist: art. 6:77 BW geldt alleen als het hulpmiddel door de debiteur zelf is gebruikt in de uitvoering van zijn verbintenis. Als het van de schuldeiser komt (zoals hier), is de bepaling niet van toepassing. B – ✅ JUIST: De onderaannemer is een hulppersoon in de zin van art. 6:76 BW. De hoofddebiteur (de aannemer) is aansprakelijk voor fouten van hulppersonen die hij inschakelt bij de uitvoering van zijn verbintenis — zelfs zonder eigen schuld. C – Onjuist: art. 6:77 BW is juist niet afhankelijk van wetenschap of schuld. Een gebrekkige hulpzaak leidt tot toerekening, tenzij dit onredelijk is. Hier wordt de vereiste ten onrechte verscherpt. D – Onjuist: Het eigendom van het hulpmiddel is niet doorslaggevend. De arts gebruikte het hulpmiddel zelf bij uitvoering van zijn verbintenis. Art. 6:77 BW kan dus alsnog tot toerekening leiden.
31
Bekijk de volgende situaties: Casus 1 – P en Q (verkeersongeval): P rijdt met zijn auto tegen het tuinhek van Q. Het schadeherstel bedraagt €280. Q spreekt P aan tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. P weigert echter direct te betalen. Casus 2 – Klaartje en Naaiboetiek Bertien (jurk): Klaartje laat bij Naaiboetiek Bertien een jurk maken van zijde voor een totaalprijs van €1000. Na vier keer terugkomen wegens gebreken zegt Bertien uiteindelijk: "Je kunt met je jurk op de Mokerhei gaan zitten, ik kijk er niet meer naar." Vraag: Welke juridische kwalificatie is correct in het licht van art. 6:83 sub b en c BW? A. In casus 1 is een ingebrekestelling vereist, omdat P niet heeft erkend dat hij aansprakelijk is, en zonder erkenning kan verzuim niet van rechtswege intreden. B. In casus 2 is Bertien pas in verzuim zodra Klaartje haar een redelijke termijn heeft gesteld in een schriftelijke ingebrekestelling; haar opmerking op zichzelf is onvoldoende. C. In casus 1 is P van rechtswege in verzuim zodra hij niet terstond betaalt; het gaat hier om een schadevergoedingsverbintenis uit onrechtmatige daad (art. 6:83 sub b BW). D. In casus 2 is verzuim nog niet ingetreden, omdat het aannemen van verzuim op grond van een opmerking van de debiteur alleen mogelijk is als de prestatie reeds blijvend onmogelijk is geworden.
Correct antwoord: C Toelichting: Antwoord A – Onjuist: Voor verbintenissen tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad geldt géén vereiste van ingebrekestelling. De verbintenis moet "terstond" worden nagekomen (art. 6:83 sub b BW), dus zodra P niet betaalt, is hij van rechtswege in verzuim. Antwoord B – Onjuist: Bertien heeft zich zodanig uitgelaten dat Klaartje redelijkerwijs mag aannemen dat zij niet meer zal nakomen. Dit valt onder art. 6:83 sub c BW – verzuim treedt van rechtswege in. Een ingebrekestelling is dan niet vereist. Antwoord C – Juist: Art. 6:83 sub b BW bepaalt dat bij schadevergoedingsverbintenissen (zoals uit onrechtmatige daad) verzuim intreedt zonder ingebrekestelling als de schuldenaar niet terstond nakomt. Dat is hier het geval. Antwoord D – Onjuist: Blijvende onmogelijkheid is niet vereist voor toepassing van art. 6:83 sub c BW. Het gaat erom dat de crediteur uit de houding of mededeling van de debiteur redelijkerwijs mag afleiden dat deze niet zal nakomen.
32
Een aannemer A en opdrachtgever B sluiten op 1 mei 2024 een overeenkomst: A zal op 1 augustus 2024 een serre bij B opleveren. In de overeenkomst staat dat oplevering op 1 augustus "essentieel is vanwege een geplande bruiloft op 3 augustus". A levert pas op 4 augustus 2024, zonder enige verklaring vooraf. B vordert schadevergoeding omdat de serre tijdens de bruiloft niet beschikbaar was. A beroept zich erop dat het een kleine vertraging betrof die geen ernstige schade kon veroorzaken en dat hij niet eerst in gebreke is gesteld. Vraag: Wat is juridisch het meest juist ten aanzien van de vraag of A schadeplichtig is? A. A is alleen schadeplichtig als sprake is van blijvende onmogelijkheid van nakoming; nu dat niet het geval is, is ingebrekestelling vereist op grond van art. 6:82 lid 1 BW, en dat is niet gebeurd. B. A is schadeplichtig omdat de vertraging toerekenbaar is, en er sprake is van verzuim van rechtswege: door de expliciete termijn voor oplevering was deze fataal (art. 6:83 sub a BW), zodat geen ingebrekestelling vereist was. C. A is schadeplichtig, maar slechts als B had aangetoond dat A bij het sluiten van de overeenkomst had toegezegd dat de opleveringsdatum werd gegarandeerd; zonder garantie is er overmacht en dus geen verzuim. D. A is niet schadeplichtig, omdat pas na ingebrekestelling en het verstrijken van een redelijke termijn verzuim kan intreden; fatale termijnen gelden alleen bij consumentenkoop.
Correct antwoord: B Toelichting: Antwoord A – Onjuist: Verzuim is vereist bij een niet-blijvende onmogelijkheid, maar ingebrekestelling is niet vereist als een fatale termijn is afgesproken (art. 6:83 sub a BW). Hier is die termijn expliciet essentieel gemaakt in de overeenkomst. Antwoord B – Juist: Alle vereisten van art. 6:74 lid 1 zijn vervuld: tekortkoming in nakoming (te late levering), schade (serre niet beschikbaar tijdens bruiloft), causaal verband, en toerekenbare vertraging. Verzuim is van rechtswege ingetreden (art. 6:83 sub a BW), omdat er een fatale termijn was afgesproken (oplevering op 1 augustus was essentieel). A is dus schadeplichtig. Antwoord C – Onjuist: Een garantie is niet vereist voor aansprakelijkheid. De toerekening vloeit hier voort uit de contractuele termijn die door A niet is nagekomen (art. 6:83 sub a jo. 6:74 BW). Geen sprake van overmacht of uitsluiting. Antwoord D – Onjuist: Art. 6:83 sub a BW geldt ook buiten consumentenkoop. Een fatale termijn maakt ingebrekestelling overbodig.
33
Welke van de volgende combinaties van tekortkoming en rechtsgevolg is volledig juist volgens het BW bij een situatie van overmacht? A. Bij blijvende onmogelijkheid door overmacht zijn zowel nakoming als schadevergoeding uitgesloten, maar ontbinding is mogelijk zonder dat verzuim vereist is. B. Bij tijdelijke overmacht is schadevergoeding in beginsel mogelijk, zolang de debiteur maar in verzuim wordt gesteld zodra nakoming weer mogelijk is. C. Bij blijvende overmacht is nakoming juridisch nog steeds afdwingbaar, maar schadevergoeding is uitgesloten en ontbinding vereist verzuim. D. Bij tijdelijke overmacht is nakoming tijdelijk uitgesloten, schadevergoeding niet mogelijk, en ontbinding kan slechts met een ingebrekestelling.
Correct antwoord: A Toelichting: A – Juist: Nakoming: uitgesloten (blijvende onmogelijkheid) Schadevergoeding: uitgesloten bij overmacht (art. 6:74 BW) Ontbinding: mogelijk, art. 6:265 BW – géén verzuim vereist bij blijvende onmogelijkheid B – Onjuist: Schadevergoeding is uitgesloten bij overmacht, óók bij tijdelijke onmogelijkheid (zie art. 6:74 BW) C – Onjuist: Nakoming is uitgesloten bij blijvende onmogelijkheid – kan dus niet meer worden afgedwongen D – Onjuist: Ontbinding is wél mogelijk bij tijdelijke overmacht, zonder ingebrekestelling (art. 6:265 BW), mits de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt.
34
Welke van de onderstaande omschrijvingen geeft het meest correct de juridische betekenis weer van gevolgschade bij een ondeugdelijke prestatie, en de reden waarom daarvoor géén ingebrekestelling vereist is? A. Gevolgschade is schade die voortvloeit uit het niet tijdig verrichten van de prestatie. Omdat de termijn is verstreken, is sprake van verzuim van rechtswege, zodat een ingebrekestelling overbodig is. B. Gevolgschade is schade die voortvloeit uit het feit dat de schuldenaar de prestatie helemaal niet levert. Omdat er dan geen prestatie meer mogelijk is, is er altijd sprake van overmacht en kan geen schadevergoeding worden gevorderd. C. Gevolgschade is schade die de schuldeiser lijdt ten gevolge van de ondeugdelijkheid van de prestatie van de schuldenaar. Omdat deze schade blijvend is en niet meer ongedaan gemaakt kan worden door latere nakoming, wordt aangenomen dat voor deze schade sprake is van blijvende onmogelijkheid tot nakoming, zodat geen verzuim en dus ook geen ingebrekestelling vereist is (vgl. HR Kinheim/Pelders). D. Gevolgschade is schade die ontstaat wanneer de schuldeiser te laat een beroep doet op ontbinding. Omdat deze schade aan de schuldeiser zelf te wijten is, komt zij in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking en is ingebrekestelling overbodig.
Correct antwoord: C Dit is de enige optie die juist: de inhoud van gevolgschade correct omschrijft, én de juridische reden weergeeft waarom voor vergoeding van deze schade geen ingebrekestelling vereist is, gebaseerd op de leer uit het arrest HR 4 februari 2000, Kinheim/Pelders (ECLI:NL:HR:2000:AA4732).
35
Liet koopt op 1 april 2025 een viool van Hollenberg voor € 7.000. De viool wordt direct geleverd, maar betaling blijft uit. Op 8 april 2025 wordt Liet failliet verklaard. Hollenberg heeft op dat moment nog geen ingebrekestelling gestuurd, noch de overeenkomst ontbonden. Hij vraagt zich af of hij de viool nu nog kan terugkrijgen. Wat is in deze situatie juridisch juist? A. Hollenberg kan de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden en de viool revindiceren, want de viool is niet betaald en daarom juridisch nooit overgedragen. B. Hollenberg heeft recht op teruggave van de viool uit de boedel op grond van zijn ongedaanmakingsvordering uit art. 6:271 BW, die voorrang heeft op de schuldeisers van Liet. C. Hollenberg kan de overeenkomst nog wel ontbinden, maar zijn vordering tot teruggave van de viool geldt slechts als een concurrente vordering in het faillissement. D. Hollenberg is door het faillissement van Liet automatisch gerechtigd de eigendom van de viool terug te nemen, omdat betaling is uitgebleven en de ontbinding pas daarna plaatsvindt.
Correct antwoord: C. Toelichting: De overeenkomst is vóór het faillissement tot stand gekomen en de viool is geleverd — daarmee is de eigendom overgegaan op Liet. Ontbinding ná faillissement heeft géén terugwerkende kracht (art. 6:269 BW), dus Hollenberg krijgt geen goederenrechtelijk recht op de viool terug. Zijn vordering tot ongedaanmaking is slechts persoonlijk en dus een concurrente vordering binnen het faillissement【6:271 BW】【Faillissementswet】【HR 2000, Kinheim/Pelders analogie】. ==> Ik verwijs naar Kinheim/Pelders omdat dit arrest: uitlegt wanneer verzuim vereist is voor schadevergoeding en ontbinding; bevestigt dat de gevolgen van ontbinding persoonlijke verbintenissen opleveren (art. 6:271 BW); en dus duidelijk maakt waarom Hollenberg géén recht van revindicatie meer heeft, maar slechts een persoonlijke ongedaanmakingsvordering — precies wat hem in het faillissement van Liet juridisch benadeelt.
36
Twee partijen sluiten een koopovereenkomst: Casus 1 – Z en A (caravan): Z verkoopt zijn caravan aan A. Levering vindt plaats op 20 mei 2021. Volgens de overeenkomst moet A uiterlijk op 15 juni 2021 de koopprijs betalen. Die datum verstrijkt zonder betaling. Casus 2 – Theulen en Gerrits (bankstellen): Theulen verkoopt een partij bankstellen aan Gerrits. In de overeenkomst is opgenomen dat levering niet zal plaatsvinden vóór 20 december 2021, vanwege lange levertijden. Op 21 december is nog niet geleverd. Welk(e) van de onderstaande beweringen is juridisch juist? A. In beide casussen treedt verzuim automatisch in zonder ingebrekestelling, omdat in beide gevallen een vaste datum in de overeenkomst staat. B. Alleen in casus 1 treedt verzuim automatisch in zonder ingebrekestelling, want daar is sprake van een fatale termijn in de zin van art. 6:83 sub a BW. C. Alleen in casus 2 treedt verzuim automatisch in zonder ingebrekestelling, omdat de leveringsdatum na 20 december ligt en die datum dus is verstreken. D. In geen van beide gevallen treedt verzuim in zonder ingebrekestelling, want een expliciete sommatie is altijd vereist.
Correct antwoord: B Toelichting: Casus 1 – art. 6:83 sub a BW is van toepassing: De betalingstermijn is een fatale termijn. A moest uiterlijk 15 juni betalen. Die dag is verstreken, en er is geen indicatie dat de termijn een andere strekking had. Daarom is A vanaf 16 juni van rechtswege in verzuim, zonder ingebrekestelling. Casus 2 – uitzondering op art. 6:83 sub a BW: De afgesproken termijn (“niet leveren vóór 20 december”) is géén fatale termijn. Het is juist bedoeld als uitstel – Theulen hoefde nog niet te presteren. Pas als Gerrits na 20 december een ingebrekestelling stuurt met een redelijke termijn, kan verzuim intreden.
37
Welke van de onderstaande beweringen is juridisch correct met betrekking tot de toerekening van een tekortkoming aan de debiteur zonder schuld, maar krachtens verkeersopvattingen? A. Als de tekortkoming voortkomt uit een onvoorziene omstandigheid, wordt deze volgens verkeersopvattingen altijd toegerekend aan de schuldeiser, tenzij anders overeengekomen. B. Een tekortkoming wordt volgens verkeersopvattingen toegerekend aan de debiteur als deze voortvloeit uit persoonlijke omstandigheden of uit een voorzienbaar risico dat hij bij het aangaan van de overeenkomst kende of behoorde te kennen. C. Verkeersopvattingen zijn slechts van toepassing op gevallen waarin de debiteur bij het sluiten van de overeenkomst grove schuld had, maar de wederpartij hiervan geen nadeel ondervond. D. Wanneer de debiteur door persoonlijke ziekte of faillissement niet kan presteren, is er sprake van overmacht en kan hem op grond van verkeersopvattingen niets worden toegerekend.
Correct antwoord: B 📘 Toelichting per optie: A – Onjuist: als een omstandigheid onvoorzienbaar was, is juist eerder sprake van overmacht. Dit gaat bovendien ten onrechte over toerekening aan de schuldeiser i.p.v. de debiteur. B – ✅ JUIST: dit is exact wat art. 6:75 BW in combinatie met de jurisprudentie (zoals FONA en Derris) bepaalt: bij voorzienbare omstandigheden of persoonlijke omstandigheden binnen de risicosfeer van de debiteur, vindt toerekening plaats krachtens verkeersopvattingen — ook zonder schuld. C – Onjuist: verkeersopvattingen hebben niet alleen betrekking op grove schuld, en ook niet alleen bij geen nadeel. Het gaat juist om risicotoerekening, los van schuldgraad. D – Onjuist: persoonlijke omstandigheden zoals ziekte of geldgebrek worden juist niet als overmacht aangemerkt als ze binnen de eigen risicosfeer van de debiteur vallen → zie Derris-arrest.
38
Hendriks en Simons zijn op 25 juni 2021 overeengekomen dat Hendriks per 1 juli 2021 zijn auto voor een half jaar aan Simons zal verhuren. Simons zal per maand de huur aan Hendriks betalen. Op 28 juni 2021 breekt er door blikseminslag brand uit in de garage van Hendriks, waar de auto staat geparkeerd. Door de brand gaat de auto geheel verloren. Welke vordering kan Simons met succes jegens Hendriks instellen? 1. noch nakoming, noch schadevergoeding, noch ontbinding 2. slechts ontbinding en/of schadevergoeding 3. slechts schadevergoeding 4. slechts ontbinding.
4. slechts ontbinding. In casu is immers sprake van overmacht (niet toerekenbaar niet nakomen) aan de zijde van Hendriks, waardoor enkel een vordering tot ontbinding mogelijk is. Elke vordering tot schadevergoeding vereist immers toerekenbaar niet nakomen.
39
In welk arrest is bepaald dat de verkoper van een industrieel vervaardigd product in beginsel het risico draagt voor verborgen gebreken, ook als hij deze niet kende of hoefde te kennen, hetgeen een verzwaring van de aansprakelijkheid van de verkoper op basis van verkeersopvattingen is? 1. Schwarz / Gnjatovic arrest (11 januari 2002, ECLI: ECLI:NL:HR:2002:AD4925) 2. Brok/Huberts arrest (heupdysplasie, 9 januari 1998, ECLI: NL: HR:1998: ZC 2541) 3. Endlich/Bouwmachines arrest (22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9494) 4. Oerlemans/Agro Driessen arrest (verwelkte rozen, 27 april 2001, ECLI:NL:HR 2001:AB 1338) 5. Kinheim/Pelders arrest (4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2004:AO9494)
4. Oerlemans/Agro Driessen arrest (verwelkte rozen, 27 april 2001, ECLI:NL:HR 2001:AB 1338)
40
Wanneer is een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis aan de schuld van de debiteur te wijten? A. Alleen wanneer nakoming blijvend onmogelijk is en de schuldeiser geen ingebrekestelling heeft gestuurd B. Wanneer de schuldenaar zijn verplichting tot nakoming bewust heeft geschonden C. Alleen als sprake is van tijdelijke onmogelijkheid én sprake is van schade D. Wanneer de debiteur tekortschiet (wanprestatie) doordat hij niet voldoende zorg heeft betracht om de tekortkoming te voorkomen, ongeacht of nakoming nog mogelijk is
Correct antwoord: D Toelichting: Volgens art. 6:75 BW en de leer van wanprestatie is een tekortkoming aan de schuld van de debiteur te wijten als hij niet de zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van hem mocht worden verwacht — ook als nakoming nog mogelijk, tijdelijk onmogelijk of blijvend onmogelijk is. Verwijtbaarheid hangt dus niet af van opzet of de aard van de onmogelijkheid.
41
Uit welk arrest vloeit de rechtsregel voort dat de verkoper alleen schadeplichtig bij non-conformiteit is (art. 7:17 BW) als de tekortkoming hem kan worden toegerekend op grond van art. 6:75 BW? 1. Kinheim/Pelders arrest (4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2004:AO9494) 2. Oerlemans/Agro Driessen arrest (verwelkte rozen, 27 april 2001, ECLI:NL:HR 2001:AB 1338) 3. Endlich/Bouwmachines arrest (22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9494) 4. Schwarz/Gnjatovic arrest (11 januari 2002, ECLI: ECLI:NL:HR:2002:AD4925) 5. Brok/Huberts arrest (heupdysplasie, 9 januari 1998, ECLI: NL: HR:1998: ZC 2541)
5. Brok/Huberts arrest (heupdysplasie, 9 januari 1998, ECLI: NL: HR:1998: ZC 2541)
42
Welke van de volgende verklaringen voldoet aan de wettelijke eisen van een geldige ingebrekestelling in de zin van artikel 6:82 BW, zodat verzuim van de schuldenaar kan intreden? A. Een e-mail waarin de schuldeiser meldt: “Je hebt nog niet geleverd. Laat uiterlijk volgende maand iets weten, anders houd ik je verantwoordelijk voor de schade.” B. Een aangetekende brief waarin de schuldeiser stelt: “Ik verzoek je vriendelijk om alsnog uiterlijk 1 mei 2024 te leveren, conform onze afspraak. Bij uitblijven van levering houd ik je aansprakelijk voor alle daaruit voortvloeiende schade.” C. Een WhatsApp-bericht waarin staat: “Als je niet binnen twee dagen betaalt, zie ik me genoodzaakt naar de rechter te stappen.” D. Een brief waarin de schuldeiser de debiteur sommeert tot betaling, maar zonder het noemen van enige termijn en zonder aansprakelijkstelling.
Correct antwoord: B 📘 Toelichting Een geldige ingebrekestelling moet voldoen aan drie cumulatieve vereisten (zie art. 6:82 BW en jurisprudentie): Aanmaning: duidelijke sommatie tot nakoming van een concrete verplichting. Redelijke termijnstelling: de debiteur moet weten binnen welk tijdsbestek hij alsnog moet presteren. Aansprakelijkstelling: hij moet gewaarschuwd worden dat hij bij uitblijven van nakoming binnen de gestelde termijn aansprakelijk wordt gehouden voor de gevolgen (bijv. schade). A – Onjuist: de formulering “laat iets weten” is vaag. De verplichting (levering) wordt niet voldoende gespecificeerd en de termijn is onduidelijk. B – ✅ Juist: duidelijke verbintenis (levering), redelijke vaste termijn (1 mei), én ondubbelzinnige aansprakelijkstelling bij uitblijven. C – Onjuist: WhatsApp is mogelijk geldig qua vorm, maar de termijn is onredelijk kort (2 dagen), en de boodschap bevat geen duidelijke aansprakelijkstelling voor schade. D – Onjuist: er ontbreekt zowel een termijnstelling als aansprakelijkstelling. Dit voldoet dus niet aan de wettelijke eisen.
43
Partijen A en B hebben een overeenkomst gesloten tot levering van 100 op maat gemaakte bureaustoelen. B, de verkoper, levert niet tijdig. A overweegt juridische stappen en laat in zijn dagvaarding het volgende opnemen: Een vordering tot nakoming (B moet alsnog leveren), Subsidiair een vordering tot ontbinding van de overeenkomst, En tevens een zelfstandige vordering tot vervangende schadevergoeding (in plaats van levering). Welke van de onderstaande combinaties is juridisch wel of niet toelaatbaar? A. A mag de vordering tot nakoming combineren met een vordering tot vervangende schadevergoeding, zolang hij nog geen omzettingsverklaring heeft afgelegd. B. A mag de vordering tot nakoming combineren met een vordering tot ontbinding, zolang hij de ontbinding pas inroept nadat nakoming definitief is mislukt. C. A mag niet gelijktijdig nakoming én ontbinding vorderen, omdat deze vorderingen elkaar materieel uitsluiten. D. A mag zowel nakoming als vervangende schadevergoeding vorderen, mits hij voor de schadevergoeding een schriftelijke omzettingsverklaring heeft afgelegd ex art. 6:87 BW.
Correct antwoord: C Toelichting: A is onjuist: zolang geen omzettingsverklaring is afgelegd, is de verbintenis nog niet omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Maar de student moet ook weten dat nakoming en vervangende schadevergoeding conceptueel elkaar uitsluiten; zodra vervangende schadevergoeding wordt gevorderd, wordt afstand gedaan van het recht op nakoming. B is onjuist: ook bij subsidiaire formulering blijft gelden dat de twee vorderingen (nakoming en ontbinding) materieel onverenigbaar zijn, tenzij de subsidiaire eis voorwaardelijk is geformuleerd, wat hier niet is aangegeven. C is juist: het is niet mogelijk om tegelijkertijd nakoming en ontbinding te vorderen, omdat deze vorderingen elkaar uitsluiten: nakoming houdt de overeenkomst in stand, terwijl ontbinding deze juist beëindigt (zie art. 6:265 jo. 6:271 BW). D is onjuist: een schriftelijke omzettingsverklaring maakt de vordering tot nakoming onmogelijk (zie art. 6:87 BW). Je kunt dus niet én nakoming én vervangende schadevergoeding vorderen.
44
In welke van de onderstaande gevallen kan een tekortkoming zonder schuld alsnog aan de debiteur worden toegerekend krachtens verkeersopvattingen (art. 6:75 BW)? A. Als de tekortkoming voortvloeit uit omstandigheden die bij het sluiten van de overeenkomst redelijkerwijs voorzienbaar waren voor de schuldeiser. B. Als de tekortkoming verband houdt met een fout van een derde, mits deze derde geen hulppersoon is in de zin van art. 6:76 BW. C. Als de tekortkoming het gevolg is van plotselinge externe omstandigheden, zoals sancties of marktschommelingen, die objectief buiten de invloedssfeer van de debiteur vallen, ook als hij bij contractsluiting redelijkerwijs met dit risico rekening had kunnen houden. D. Als de tekortkoming het gevolg is van persoonlijke omstandigheden van de debiteur of van een voorzienbaar risico ten tijde van contractsluiting.
Correct antwoord: D Toelichting per antwoordoptie: A – Onjuist: het gaat bij voorzienbaarheid om de debiteur, niet om de schuldeiser. Alleen als de debiteur het risico had kunnen voorzien, wordt de tekortkoming hem toegerekend. B – Onjuist: toerekening via verkeersopvattingen heeft niets te maken met hulppersonen of derde-fouten buiten art. 6:76 BW. Deze optie verwart aansprakelijkheid voor hulppersonen met risicotoerekening. C – Onjuist maar subtiel misleidend: deze formulering suggereert dat zelfs als het risico voorzienbaar was, het niet wordt toegerekend als het "objectief buiten de invloedssfeer" van de debiteur valt. ➡️ Dat is fout. Juist als de omstandigheid voorzienbaar was bij contractsluiting, moet de debiteur met dat risico rekening houden, ook al ligt de oorzaak formeel buiten zijn macht (zoals bij FONA BV en sancties). Dan volgt toerekening op grond van verkeersopvattingen, zelfs zonder schuld. D – ✅ Juist: dit sluit exact aan bij de regel in art. 6:75 BW (laatste deel): ook zonder schuld kan een tekortkoming worden toegerekend op grond van verkeersopvattingen als: * het risico voorzienbaar was bij contractsluiting, of * het binnen de persoonlijke risicosfeer van de debiteur viel (zoals ziekte, geldgebrek, faillissement).
45
G en H sluiten op 1 mei 2025 een overeenkomst waarbij G zijn auto verkoopt aan H voor € 12.000. Partijen komen overeen dat G de auto zal leveren zodra de noodzakelijke reparaties zijn verricht, maar zeker niet vóór 20 mei 2025. G gebruikt de auto vervolgens nog enige tijd en brengt hem pas op 18 mei naar de garage, die naar verwachting vijf dagen nodig heeft. Op 20 mei is de auto dus niet beschikbaar voor levering. H heeft zijn eigen auto op 19 mei geleverd aan K, zit daardoor zonder vervoer, en moet een auto huren voor €185 per dag. H wil deze kosten op G verhalen. Vraag: Kan H direct met succes schadevergoeding vorderen op grond van art. 6:74 BW, en welke rol speelt de aard van de afgesproken termijn hierbij? A. Ja, H kan direct schadevergoeding vorderen, omdat de termijn van 20 mei 2025 een fatale termijn is; verzuim is daardoor automatisch ingetreden op die datum. B. Ja, want G had moeten weten dat H dringend vervoer nodig zou hebben; de schade is voorzienbaar en dat maakt ingebrekestelling overbodig. C. Nee, want de termijn van 20 mei 2025 is géén fatale termijn; verzuim treedt pas in na ingebrekestelling met redelijke termijn (art. 6:82 BW). D. Nee, want zolang herstel nog mogelijk is, mag G zelf bepalen wanneer hij levert; er geldt dan geen verzuimverantwoordelijkheid.
Correct antwoord: C C: De termijn van 20 mei 2025 is géén fatale termijn, omdat uit de formulering (“zeker niet vóór”) volgt dat deze slechts een vroegste-leverdatum markeert, niet een harde deadline. Verzuim treedt in dat geval alleen in na schriftelijke ingebrekestelling met redelijke termijn (art. 6:82 BW). Zonder verzuim geen schadevergoeding (art. 6:74 lid 2 BW). Toelichting bij afleiders: A is onjuist: de termijn is geen fatale termijn, dus art. 6:83 sub a BW is hier niet van toepassing. B verwart voorzienbaarheid met verzuimvereisten; ook bij voorzienbare schade blijft verzuim (of blijvende onmogelijkheid) vereist. D is juridisch onjuist: G mag niet willekeurig leveren; hij moet binnen redelijke termijn presteren na opeisbaarheid.
46
Welke van de volgende beweringen over aanvullende en vervangende schadevergoeding is juist? A. Aanvullende schadevergoeding komt alleen in aanmerking als vervangende schadevergoeding onmogelijk is. B. Aanvullende schadevergoeding komt naast nakoming of vervangende schadevergoeding; vervangende schadevergoeding treedt in de plaats van de oorspronkelijke prestatie. C. Vervangende schadevergoeding en aanvullende schadevergoeding sluiten elkaar altijd uit. D. Vervangende schadevergoeding is slechts mogelijk als er sprake is van overmacht.
Correct antwoord: B Toelichting: Aanvullende schadevergoeding kan bijvoorbeeld betrekking hebben op gevolgschade of kosten bovenop de prestatie, terwijl vervangende schadevergoeding inhoudt dat de oorspronkelijke verbintenis wordt vervangen door een verbintenis tot schadevergoeding in geld (art. 6:87 BW).
47
Welke van de onderstaande reeksen bevat alle vereisten voor een geslaagde vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 6:74 lid 1 BW, en geen onjuiste vereisten? A. Tekortkoming – schade – verzuim – toerekenbaarheid – causaal verband B. Wanprestatie – toerekenbaarheid – rechtsverwerking – schade – causaal verband C. Tekortkoming – toerekenbaarheid – schade – causaal verband D. Niet-nakoming – schade – voordeelstoerekening – risicoaanvaarding – verzuim
Correct antwoord: C Toelichting: Volgens art. 6:74 lid 1 BW gelden vier vereisten voor schadevergoeding: Een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis Die tekortkoming moet toerekenbaar zijn aan de schuldenaar Er moet schade zijn geleden door de schuldeiser Tussen de tekortkoming en de schade moet causaal verband bestaan Fouten in andere opties: A: verzuim is alleen vereist bij niet-blijvende onmogelijkheid (art. 6:74 lid 2 BW), maar géén zelfstandig vereiste voor schadevergoeding op zich B: "rechtsverwerking" is geen voorwaarde voor schadevergoeding D: bevat irrelevante begrippen als "voordeelstoerekening" en "risicoaanvaarding", die pas later in de beoordeling een rol kunnen spelen (bijv. art. 6:100 BW), maar zijn géén kernvereisten voor aansprakelijkheid
48
De HR beoordeelde in het arrest Brok/Huberts arrest (heupdysplasie, 9 januari 1998, ECLI: NL: HR:1998: ZC 2541)...: 1. of er sprake was van toerekenbaarheid op grond van schuld (subjectief verwijt) 2. of er sprake was van toerekenbaarheid op grond van schuld (objectief verwijt) 3. of er sprake was van toerekenbaarheid op grond van verkeersopvattingen 4. of er sprake was van toerekenbaarheid krachtens de wet
3. of er sprake was van toerekenbaarheid op grond van verkeersopvattingen ==> De HR overwoog dat de verkoper het gebrek niet kende en het hem niet te verwijten viel → geen schuld. Vervolgens toetste de HR of de tekortkoming desondanks voor zijn rekening kwam op grond van de verkeersopvattingen. ➡️ De HR beantwoordde dát ontkennend: in dit geval kwam het verborgen gebrek (heupdysplasie) niet op grond van de verkeersopvattingen voor rekening van de verkoper.
49
Casus: Valks koopt bij groothandel Parren meerdere caravans. Afgesproken is dat hij de koopprijs zal betalen in 24 maandelijkse termijnen van € 4.000, telkens vóór de eerste van elke maand. In januari betaalt Valks op tijd, maar in de maanden erna is sprake van herhaalde tekortkomingen: betaling van februari volgt in maart, maart wordt slechts voor tweederde betaald, april is op tijd, maar mei weer te laat, juni blijft volledig onbetaald, en zo gaat het verder. Parren wil nu de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden op grond van wanprestatie. Hij stuurt geen ingebrekestelling. Vraag: Kan Parren zich met succes beroepen op buitengerechtelijke ontbinding zonder ingebrekestelling? A. Nee, want de tekortkomingen zijn telkens van beperkte betekenis en leiden niet tot ontbinding zonder ingebrekestelling op grond van art. 6:265 lid 2 BW. B. Ja, want elke niet-tijdige betaling overschrijdt een fatale termijn, waardoor verzuim van rechtswege intreedt (art. 6:83 sub a BW), zodat een ingebrekestelling overbodig is. C. Ja, want nu het gaat om voortdurende verplichtingen waarvan de tekortkomingen uit het verleden niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, is op grond van het Schwarz/Gnjatovic-arrest geen verzuim vereist voor ontbinding (art. 6:265 lid 2 BW). D. Nee, want bij koop op afbetaling is volgens vaste rechtspraak buitengerechtelijke ontbinding slechts toegestaan na rechterlijke toetsing, omdat consumentenbescherming zwaarder weegt.
Correct antwoord: C Toelichting: A is onjuist: het gaat om een reeks van tekortkomingen, die in samenhang wél ernstig genoeg kunnen zijn voor ontbinding. B is juridisch juist voor de vraag of verzuim is ingetreden, maar niet de kern van deze vraag. Verzuim is hier niet nodig (art. 6:265 lid 2), omdat de verplichtingen voortdurend zijn en niet herstelbaar — zoals in Schwarz/Gnjatovic. C is correct: bij voortdurende verplichtingen (zoals maandelijks betalen) geldt dat verzuim niet vereist is als nakoming voor het verleden blijvend onmogelijk is. D is misleidend: de regels van consumentenkoop zijn hier niet van toepassing; het is een zakelijke koop.
50
Stel: Leverancier L zou op 1 april 2025 tien speciaal bestelde bureaustoelen aan Kantoor BV leveren. Op 1 april levert L niets, en op 3 april schrijft Kantoor BV een brief: “Wij eisen vervangende schadevergoeding wegens het niet leveren van de stoelen.” L weigert te betalen, want volgens hem heeft Kantoor BV nog steeds recht op nakoming. De stoelen zijn immers nog steeds leverbaar. Wat is juridisch het meest juist ten aanzien van de positie van Kantoor BV? A. Kantoor BV heeft automatisch recht op vervangende schadevergoeding vanaf het moment dat L in verzuim raakte, zonder dat een nadere verklaring vereist is. B. Kantoor BV moet L eerst in gebreke stellen voordat zij recht heeft op aanvullende schadevergoeding; pas daarna ontstaat van rechtswege aanspraak op vergoeding van gevolgschade. C. Kantoor BV heeft recht op vervangende schadevergoeding, omdat zij een schriftelijke omzettingsverklaring heeft afgelegd; het recht op nakoming vervalt daarmee. D. Kantoor BV had alleen recht op aanvullende schadevergoeding, tenzij zij uitdrukkelijk afstand doet van haar recht op nakoming in een aparte overeenkomst.
Correct antwoord: C Toelichting: A – Onjuist: Dit verward aanvullende met vervangende schadevergoeding. Voor vervangende schadevergoeding is een schriftelijke omzettingsverklaring vereist, zie art. 6:87 BW. B – Onjuist: Voor aanvullende schadevergoeding geldt dat deze van rechtswege ontstaat zodra verzuim intreedt; een ingebrekestelling is alleen nodig als er nog geen sprake is van verzuim (bijvoorbeeld geen fatale termijn). De bewering dat aanvullende schadevergoeding pas ná ingebrekestelling mogelijk is, is dus te absoluut gesteld. C – Juist: Kantoor BV heeft schriftelijk verklaard de prestatie niet meer te verlangen (de stoelen) en eist schadevergoeding. Daarmee is een geldige omzettingsverklaring afgelegd en ontstaat een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Het recht op nakoming vervalt. D – Onjuist: Voor aanvullende schadevergoeding is géén afstand van het recht op nakoming nodig. Bovendien wordt hier de omzettingsverklaring ten onrechte een "aparte overeenkomst" genoemd, terwijl een schriftelijke verklaring volstaat.
51
welke stelling is onjuist mbt een tekortkoming? 1. Als nakoming blijvend onmogelijk is, dan mag je ontbinden zonder ingebrekestelling. 2. Als nakoming nog wél mogelijk is, moet de schuldenaar eerst in verzuim zijn, voordat ontbinding kan volgen. 3. Als nakoming slechts tijdelijk onmogelijk is, moet de schuldenaar eerst in verzuim zijn, voordat ontbinding kan volgen. 4. Alle stellingen zijn juist. 5. Alle stellingen zijn onjuist.
4. Alle stellingen zijn juist. ==> Zie artikel 6:265 lid 2 BW
52
Welke van de onderstaande stellingen geeft het juridisch correcte kader weer voor schadevergoeding op grond van artikel 6:74 BW, met betrekking tot schade en causaal verband? A. Voor toekenning van schadevergoeding is vereist dat sprake is van ernstig economisch verlies; licht nadeel valt niet onder het begrip ‘schade’ in art. 6:74 BW. B. Causaal verband in de zin van art. 6:74 BW vereist dat de tekortkoming minstens één van meerdere verklarende factoren is voor het ontstaan van de schade, ook als de schade ook zonder tekortkoming was ingetreden. C. Schadevergoeding op grond van art. 6:74 BW vereist dat de schuldeiser schade heeft geleden die zonder de tekortkoming niet zou zijn ontstaan (conditio sine qua non), ongeacht of het nadeel groot of gering is. D. Het vereiste van causaal verband is bij contractuele aansprakelijkheid alleen van belang als de schade is ontstaan door opzet of grove schuld van de debiteur.
Correct antwoord: C 📘 Toelichting per optie: A – Onjuist: ook enig nadeel is voldoende om als schade te gelden (vgl. art. 6:74 BW in samenhang met afdeling 6.1.10 BW). Er is geen ‘ernst’-drempel. B – Onjuist: bij conditio sine qua non-verband geldt dat de schade niet zou zijn ingetreden zonder de tekortkoming. Als de schade sowieso was ontstaan, ontbreekt het causale verband. C – ✅ Juist: dit is de kern van het causaliteitsvereiste in contractuele aansprakelijkheid. Er moet schade zijn én er moet oorzakelijk verband bestaan volgens de conditio sine qua non-leer. D – Onjuist: het causaliteitsvereiste geldt altijd, ongeacht de ernst van het verwijt (dus ook bij lichte schuld of zonder schuld). Het is een afzonderlijk vereiste naast toerekenbaarheid.
53
In welk van de volgende gevallen is een ingebrekestelling vereist, alvorens B een vordering tot schadevergoeding kan instellen wegens wanprestatie van A? (a) A, een bekende zangeres, is met B overeengekomen te zullen optreden op het feest van B op 8 juli 2017. Op 15 juni 2017 laat A telefonisch aan B weten dat zij op 8 juli 2017 in geen geval aanwezig zal zijn, omdat zij een uitnodiging heeft gekregen op die datum op te treden tijdens het North Sea Jazz-festival. (b) A verkoopt aan B het schilderij Armageddon. Voordat levering heeft plaatsgevonden, bewerkt A in een depressieve bui het schilderij met een mes, waardoor het doek onherstelbaar wordt beschadigd. (c) Dealer A verkoopt aan B een exemplaar van een gloednieuw type cd-speler. Wanneer B is thuisgekomen en zijn aankoop vol trots aan zijn vriendin wil demonstreren, blijkt het apparaat slechts een doffe ruis te produceren. (d) A moet aan B een bedrag van € 3000 betalen als schadevergoeding voor een onrechtmatige daad die A jegens B heeft gepleegd. A betaalt echter niet.
(c) Dealer A verkoopt aan B een exemplaar van een gloednieuw type cd-speler. Wanneer B is thuisgekomen en zijn aankoop vol trots aan zijn vriendin wil demonstreren, blijkt het apparaat slechts een doffe ruis te produceren. In casu is immers sprake van wanprestatie (toerekenbaar niet nakomen) aan de zijde van A en is correcte nakoming wel mogelijk. Om recht te hebben op schadevergoeding, dient de schuldenaar A in verzuim te zijn en voor het intreden van dit verzuim is hier een ingebrekestelling vereist. (de artikelen 6:74, tweede lid, 6:81 en 6:82, eerste lid). In alternatief (a) is geen ingebrekestelling vereist, ingevolge artikel 6:83 sub c. In alternatief (b) is geen ingebrekestelling vereist omdat er sprake is van een blijvende onmogelijkheid in de nakoming. Zie artikel 6:74, tweede lid, In alternatief (d) tenslotte is geen ingebrekestelling vereist ingevolge artikel 6:83 sub b.
54
Als een ondeugdelijke prestatie voor herstel vatbaar is, treedt verzuim pas in nadat een redelijke termijn tot herstel is gegeven (art. 6:82 lid 1 BW), tenzij een termijn zinloos is (bijv. bij tijdelijke onmogelijkheid of weigering. In welk arrest is dit bepaald? 1. Brok/Huberts arrest (heupdysplasie, 9 januari 1998, ECLI: NL: HR:1998: ZC 2541) 2. Schwarz / Gnjatovic arrest (11 januari 2002, ECLI: ECLI:NL:HR:2002:AD4925) 3. Oerlemans/Agro Driessen arrest (verwelkte rozen, 27 april 2001, ECLI:NL:HR 2001:AB 1338) 4. Endlich/Bouwmachines arrest (22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9494) 5. Kinheim/Pelders arrest (4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2004:AO9494)
5. Kinheim/Pelders arrest (4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2004:AO9494) ==> Endlich/Bouwmachines is dus vaak het standaardarrest dat in het onderwijs wordt genoemd bij art. 6:82 BW. Maar het juridische fundament is al in Kinheim/Pelders gelegd.
55
Joris Raver is eigenaar van een representatieve villa in het centrum van Breda, dat aan meerdere personen is verhuurd. Een van de huurders is Lars Lutte, aan wie Jos Raver de gehele benedenverdieping inclusief tuin en parkeerplaats als kantoorruimte heeft verhuurd. Het blijkt dat Lutte deze verdieping in strijd met het huurcontract, als woonruimte gebruikt. Vaststaat bovendien dat Lutte zich herhaaldelijk gedurende een langere periode agressief, onredelijk en onrechtmatig jegens de overige huurders in het pand heeft gedragen. Welke van de volgende beweringen ten aanzien van deze casus is juist? Joris Raver kan de overeenkomst met Lars Lutte 1. direct ontbinden aangezien nakoming aan de zijde van Lars Lutte blijvend onmogelijk is. 2. direct ontbinden aangezien nakoming aan de zijde van Lars Lutte tijdelijk onmogelijk is. 3. slechts ontbinden na voorafgaande ingebrekestelling aangezien nakoming aan de zijde van Lars Lutte nog mogelijk is. 4. niet ontbinden
1. direct ontbinden aangezien nakoming aan de zijde van Lars Lutte blijvend onmogelijk is De ontbinding van een overeenkomst is geregeld in artikel 6:265. In casu is sprake van een wederkerige vereenkomst ( de huurovereenkomst), een tekortkoming (Lars Lutte handelt in strijd met het huurcontract en gedraagt zich, door regelmatig voor overlast te zorgen niet als een 'goed huurder'). In casu is de tekortkoming van de huurder dermate ernstig dat ontbinding gerechtvaardigd is. Alternatief d is dus onjuist. Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas, wanneer de schuldenaar in verzuim is (art. 6:265, tweede lid). De essentiële vraag in casu is derhalve of nakoming blijvend (of tijdelijk) onmogelijk is. In een dergelijk geval is Lars Lutte immers direct in verzuim. In het arrest Schwarz-Gnjatovic (ECLI:NL:HR:2002:AD4925) inzake een zich onredelijk gedragende huurder, oordeelde de Hoge Raad dat een huurovereenkomst voor beide partijen voortdurende verplichtingen inhoudt. Indien een partij is tekortgeschoten in de nakoming van een dergelijke verplichting, kan deze weliswaar in de toekomst worden nagekomen, maar daarmee wordt de tekortkoming in het verleden niet ongedaan gemaakt en wat deze tekortkoming betreft is nakoming dan ook niet meer mogelijk. De Hoge Raad plaatst dus het niet nakomen van een duurverbintenis (bijvoorbeeld het zich als huurder onredelijk gedragen) onder het begrip onmogelijkheid, omdat de tekortkoming in het verleden niet ongemaakt kan worden. De tekortkoming is blijvend onmogelijk. Deze opvatting van de Hoge Raad heeft tot gevolg dat ontbinding in casu mogelijk is, ook zonder dat sprake is van verzuim.
56
Vul de zin correct aan: "... is een prestatie die iemand moet verrichten om ... van de ander te vergoeden. De plicht hiervoor komt voort uit ... . De bepalingen in BW 6 hieromtrent zijn in beginsel van toepassing op ... verbintenissen, ... onrechtmatige daad." A. Aansprakelijkheid – de schade – schadevergoeding – sommige – met uitzondering van B. Vergoeding – het nadeel – wanprestatie – verbintenissen uit overeenkomst – maar niet op C. Schadevergoeding – de schade – aansprakelijkheid – alle – waaronder ook D. Vergoeding – de schade – verzuim – veel – mits gebaseerd op
Correct antwoord: C Toelichting: Schadevergoeding is de prestatie tot vergoeding van schade van een ander, voortvloeiend uit aansprakelijkheid. Titel 1 van Boek 6 BW is van toepassing op alle verbintenissen, waaronder ook die uit onrechtmatige daad (art. 6:95–6:110 BW).
57
In welke van de onderstaande situaties is volgens de wet sprake van verzuim van de schuldenaar, zoals bedoeld in art. 6:82 en 6:83 BW? A. Een schuldenaar zegt telefonisch tegen de schuldeiser: “Ik ben er te druk voor, het komt later wel.” De overeengekomen datum voor nakoming is inmiddels verstreken, maar er is nog geen schriftelijke aanmaning gestuurd. B. Een schriftelijke aanmaning met redelijke termijn wordt verstuurd, maar de schuldenaar is tijdelijk niet in staat om na te komen wegens overmacht. C. Een schuldenaar wordt schriftelijk aangemaand met een redelijke termijn voor nakoming, maar hij blijft in gebreke om binnen die termijn na te komen. D. Een verbintenis tot betaling van schadevergoeding uit onrechtmatige daad wordt na vijf dagen nog niet voldaan, en er is geen aanmaning of ingebrekestelling verstuurd.
Correct antwoord: C 📘 Toelichting per optie: A – Onjuist: Verzuim kan zonder ingebrekestelling intreden als de schuldenaar mededeelt dat hij niet zal nakomen (art. 6:83 sub c BW). Maar een vage uiting zoals “het komt later wel” kwalificeert niet als een voldoende duidelijke mededeling dat hij zal tekortschieten. B – Onjuist: Verzuim kan pas intreden als nakoming mogelijk is. Bij tijdelijke overmacht treedt verzuim nog niet in (zie art. 6:82 lid 2 BW). C – ✅ JUIST: Dit is de klassieke situatie van verzuim na ingebrekestelling: art. 6:82 lid 1 BW. De schuldenaar wordt schriftelijk aangemaand met een redelijke termijn en blijft alsnog in gebreke. D – Onjuist: Hoewel verzuim zonder ingebrekestelling kan intreden bij schadevergoeding uit art. 6:74 BW (zie art. 6:83 sub b BW), moet het dan gaan om onmiddellijk opeisbare verplichtingen. In deze casus ontbreekt elk tijdsverloop of context waaruit blijkt dat “terstond” betekent: binnen vijf dagen. Bovendien is onduidelijk of de verbintenis al bestaat.
58
Meerkeuzevraag – Rechtsregel Oerlemans/Agro Driessen (HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1338) Vraag: Wat is volgens de Hoge Raad de juiste rechtsregel die voortvloeit uit het arrest Oerlemans/Agro Driessen ten aanzien van de aansprakelijkheid van een verkoper van een industrieel vervaardigd product met een verborgen gebrek? A. De verkoper is slechts aansprakelijk indien hij het gebrek kende of had moeten kennen, tenzij er sprake is van consumentenkoop waarop art. 7:24 BW van toepassing is. B. De verkoper is in beginsel aansprakelijk voor schade door non-conformiteit, maar alleen als het product zelf door hem is vervaardigd. C. De verkoper is in beginsel aansprakelijk voor schade door een verborgen gebrek in een industrieel vervaardigd product, ook als hij het gebrek niet kende of behoorde te kennen; dit volgt uit verkeersopvattingen op grond van art. 6:75 BW. D. De verkoper is niet aansprakelijk voor verborgen gebreken als hij het product slechts heeft doorverkocht en geen invloed had op de samenstelling ervan.
Correct antwoord: C Toelichting: A is onjuist: art. 7:24 BW is enkel een steunargument; de hoofdregel geldt ook buiten consumentenkoop. Kennis van het gebrek is niet vereist volgens dit arrest. B is onjuist: ook een doorverkopende verkoper is aansprakelijk, zelfs zonder productaansprakelijkheid in klassieke zin. C is juist: de Hoge Raad stelt dat volgens verkeersopvattingen (art. 6:75 BW) de verkoper aansprakelijk is voor schade door non-conformiteit bij industriële producten, ook zonder kennis of schuld. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen die toerekening uitsluiten. D is onjuist: de Hoge Raad verwerpt juist dit verweer van Oerlemans; het feit dat hij het product niet zelf produceerde doet niet ter zake.
59
Welke stelling is onjuist? 1. De ontbindingsmogelijkheid beperkt zich tot wederkerige overeenkomsten. 2. Voor ontbinding wordt vereist dat er moet sprake zijn van een tekortkoming die de ontbinding en haar gevolgen rechtvaardigt. 3. Ontbinding is mogelijk zowel bij wanprestatie als ook bij overmacht. 4. Ontbinding is alleen mogelijk als de tekortkoming ernstig genoeg is, rekening houdend met de bijzondere aard van de tekortkoming of haar geringe betekenis. 5. Alle stellingen zijn juist.
5. Alle stellingen zijn juist
60
Welke stelling mbt ontbinding is onjuist? 1. Bij een rechterlijke ontbinding werkt de ontbinding vanaf de uitspraak (tenzij de rechter een ander moment bepaalt). 2. De ontbinding (wegens niet-nakoming) nav een schriftelijke verklaring heeft tot gevolg de beëindiging van de rechtsbetrekking (verbintenis) die tussen partijen door het sluiten van de overeenkomst in het leven is geroepen, alsof de overeenkomst nooit heeft bestaan. 3. Bij ontbinding ontstaat er van rechtswege voor beide partijen een wettelijke verbintenis tot ongedaanmaking van reeds verrichte prestaties. 4. Alle stellingen zijn juist.
2. De ontbinding (wegens niet-nakoming) nav een schriftelijke verklaring heeft tot gevolg de beëindiging van de rechtsbetrekking (verbintenis) die tussen partijen door het sluiten van de overeenkomst in het leven is geroepen, alsof de overeenkomst nooit heeft bestaan. ==> De woorden "alsof de overeenkomst nooit heeft bestaan" zijn onjuist want ontbinding werkt vanaf het moment dat ze plaatsvindt (niet met terugwerkende kracht).
61
Welke van de onderstaande uitspraken over garantieclausules, exoneratieclausules en contractsvrijheid is juist in het licht van artikel 6:75 BW? A. Een garantieclausule beperkt de aansprakelijkheid van de schuldenaar in geval van overmacht, tenzij de schuldeiser bewijst dat de schuldenaar tekort is geschoten in zijn zorgplicht. B. Bij een exoneratieclausule wordt de verbintenis van de schuldenaar versterkt door het uitsluiten van overmachtsverweren, waardoor ook schade door derden aan hem wordt toegerekend. C. Contractsvrijheid houdt in dat partijen vooraf kunnen afspreken dat aansprakelijkheid bestaat ondanks overmacht (garantieclausule), of juist wordt uitgesloten bij een toerekenbare tekortkoming (exoneratieclausule). D. Exoneratieclausules zijn niet geldig als de tekortkoming niet aan de schuldenaar te wijten is, want dan is er van toerekenbaarheid geen sprake.
Correct antwoord: C 📘 Toelichting: A – Onjuist: een garantieclausule verruímt juist de aansprakelijkheid, door toerekening ook bij overmacht. De zorgplicht is hier niet doorslaggevend; het gaat om het overeengekomen risico. B – Onjuist: dit beschrijft eerder een garantieclausule, niet een exoneratie. Een exoneratieclausule beperkt juist de aansprakelijkheid en sluit risico’s uit. C – ✅ Juist: dit antwoord verwoordt exact wat contractsvrijheid inhoudt op dit punt: partijen kunnen zelf regelen of een tekortkoming toch wordt toegerekend ondanks overmacht (garantie), of juist niet wordt toegerekend ondanks schuld (exoneratie). Dit is expliciet toegestaan onder art. 6:75 BW, tweede zin. D – Onjuist: bij een exoneratieclausule kan juist wél worden uitgesloten dat aansprakelijkheid ontstaat bij schuld. Dat is precies het doel ervan. De fout zit in het verkeerd begrijpen van wat ‘toerekenbaar’ betekent in contractueel opzicht.
62
Wat is het juridisch relevante verschil tussen een fatale termijn en een niet-fatale termijn in het kader van de nakoming van verbintenissen? A. Een fatale termijn is een termijn waarvan overschrijding automatisch leidt tot verval van het recht op nakoming, terwijl bij een niet-fatale termijn nog binnen redelijke tijd nakoming geëist kan worden, mits onder dwangsom. B. Een fatale termijn is een termijn waarvan overschrijding automatisch leidt tot verzuim van de schuldenaar, zonder dat een ingebrekestelling vereist is. Bij een niet-fatale termijn moet de schuldeiser de schuldenaar nog in gebreke stellen voordat verzuim intreedt. C. Een fatale termijn is een contractuele afspraak die uitsluitend geldt voor consumentenkoop, terwijl een niet-fatale termijn enkel geldt in zakelijke overeenkomsten. D. Een fatale termijn is een termijn die de rechter stelt bij het toewijzen van schadevergoeding, terwijl een niet-fatale termijn is overeengekomen door partijen en slechts facultatief is.
Correct antwoord: B Een fatale termijn is een termijn die zodanig essentieel is dat overschrijding ervan van rechtswege leidt tot verzuim (art. 6:83 sub a BW). Bij een niet-fatale termijn treedt verzuim alleen in na ingebrekestelling met redelijke termijn (art. 6:82 lid 1 BW).
63
Casus: Brouns, voormalig dakdekker, ruilt zijn bestelauto met Stevens tegen een personenauto. Hij levert zijn bestelauto aan Stevens, maar Stevens weigert zijn kant van de afspraak na te komen. Hij geeft de personenauto niet af, zonder geldige reden, en verklaart ook niet meer te zullen leveren. Inmiddels heeft Brouns elders een geschikte personenauto kunnen kopen bij Ramakers. Hij wil nu geen nakoming meer van Stevens, maar enkel schadevergoeding in plaats van nakoming. Vraag: Welke handeling moet Brouns verrichten om een rechtsgeldig beroep te kunnen doen op vervangende schadevergoeding in de zin van artikel 6:87 BW? A. Hij moet Stevens in gebreke stellen met een redelijke termijn tot levering van de auto en pas daarna schadevergoeding vorderen. B. Hij moet in rechte aantonen dat nakoming onmogelijk is geworden, omdat hij al een auto bij Ramakers heeft gekocht. C. Hij moet Stevens schriftelijk meedelen dat hij afziet van nakoming en in plaats daarvan schadevergoeding vordert. D. Hij kan onmiddellijk vervangende schadevergoeding vorderen zonder nadere verklaring, nu Stevens uitdrukkelijk heeft geweigerd om te leveren.
Correct antwoord: C Toelichting: A – Onjuist: Hoewel ingebrekestelling normaal vereist is voor verzuim, heeft Stevens al definitief geweigerd. Daarmee is verzuim zonder ingebrekestelling ingetreden (art. 6:83 sub c BW). Een schriftelijke omzettingsverklaring is nodig voor vervangende schadevergoeding – geen aanmaning. B – Onjuist: Nakoming is niet blijvend onmogelijk; Stevens kan nog leveren. Dat Brouns elders een auto heeft gekocht, maakt levering juridisch niet onmogelijk. De kern ligt in de keuze voor schadevergoeding en de daartoe vereiste verklaring. C – Juist: Voor vervangende schadevergoeding is een schriftelijke omzettingsverklaring vereist (art. 6:87 BW): Brouns moet Stevens meedelen dat hij geen nakoming meer wenst maar in plaats daarvan schadevergoeding eist. D – Onjuist: Ook al is Stevens in verzuim (door zijn weigering), vervangende schadevergoeding vereist alsnog een schriftelijke omzettingsverklaring. Zonder die verklaring blijft het recht op nakoming bestaan.
64
Welke stelling is onjuist? 1. Een opeisbare verbintenis betekent dat de schuldenaar verplicht is tot presteren en de schuldeiser recht heeft op de nakoming van de verbintenis. 2. Het moment van opeisbaarheid van een verbintenis blijkt meestal uit de inhoud van de verbintenis. Als echter geen tijdstip is afgesproken, is de verbintenis direct opeisbaar. 3. Bij wanprestatie is sprake van toerekenbare tekortkoming. Bij overmacht is de debiteur niet verplicht de schade te vergoeden. 4. Tenzij de tekortkoming niet te wijten is aan de schuld van de debiteur, is de debiteur verplicht om schade te vergoeden. 5. Alle stellingen zijn juist.
4. Tenzij de tekortkoming niet te wijten is aan de schuld van de debiteur, is de debiteur verplicht om schade te vergoeden. ==> Gevallen waarin er sprake is van overmacht waardoor de debiteur niet verplicht is de schade te vergoeden (art. 6:75 BW): * De tekortkoming is niet te wijten aan de schuld van de debiteur. * De tekortkoming komt krachtens de wet, krachtens rechtshandeling of krachtens de in het verkeer geldende opvattingen niet voor rekening van de debiteur.
65
Kanters, groothandel in kantoorartikelen, bestelt een partij kopieerapparaten bij handelsbedrijf Chinoise. De kopieerapparaten worden volgens afspraak geleverd en betaald. De apparaten blijken echter enkele maanden na levering niet 'scherp' te kopiëren en moeten worden gerepareerd. Hierdoor kan Kanters niet op tijd aan een grote order voldoen en hij moet een boete van € 30.000 betalen. Kan Kanters dit boetebedrag van €30.000 bij wege van schadevergoeding van Chinoise vorderen en zo ja, dient hieraan dan een ingebrekestelling aan vooraf te gaan? 1. Nee, deze schade komt nimmer voor vergoeding in aanmerking. 2. Nee, deze schade kan niet aan Chinoise worden toegerekend. 3. Ja, maar aan deze schadevergoedingsvordering dient een ingebrekestelling vooraf te gaan. 4. Ja, en deze schadevergoedingsvordering hoeft niet te worden voorafgegaan door een ingebrekestelling.
4. Ja, en deze schadevergoedingsvordering hoeft niet te worden voorafgegaan door een ingebrekestelling. Kanters kan de schade op grond van artikel 6:74 direct, zonder ingebrekestelling, vorderen. Weliswaar is hier sprake van een geval waarin niet deugdelijk is gepresteerd en waarbij niet zonder meer gesproken kan worden van blijvende onmogelijkheid in de nakoming, maar de schade die hier gevorderd wordt (de verbeurde boete) bestaat uit zogenoemde gevolgschade. Aan de zijde van Chinoise is sprake van toerekenbaarheid. Gegeven is immers dat de kopieerapparaten mankementen vertonen en moeten worden gerepareerd. Gevolgschade kan worden gedefinieerd als schade die de schuldeiser lijdt ten gevolge van de ondeugdelijkheid van de prestatie van de schuldenaar. Bij deze schade wordt aangenomen dat er sprake is van blijvende onmogelijkheid in de nakoming, zodat geen verzuim en geen ingebrekestelling vereist is. Dogmatisch wordt dit onderbouwd door te stellen dat de schuldenaar zijn 'nevenverbintenis om geen schade toe te brengen' heeft geschonden. Zie het arrest Kinheim- Pelders ECLI:NL:HR2000:AA4732. ==> Let op: De tekortkoming in de hoofdverbintenis (ondeugdelijke prestatie) kan herstelbaar zijn, maar dat sluit niet uit dat er gevolgschade is ontstaan die blijvend is en niet meer ongedaan gemaakt kan worden. Voor die blijvende schade is géén ingebrekestelling vereist.
66
Op 15 mei 2024 sluiten Ilse (schuldeiser) en Marco (schuldenaar) een overeenkomst waarbij Marco zich verbindt om op 1 juli 2024 een zending wijn te leveren. De overeenkomst bepaalt geen aanvullende bepalingen over betaling of vertraging. Marco levert op 1 juli niets, reageert niet op berichten van Ilse, en zegt op 4 juli telefonisch: “Ik heb geen idee wanneer ik kan leveren. Er zijn leveringsproblemen bij mijn leverancier, maar ik doe mijn best.” Ilse vraagt zich af of Marco op dat moment al in verzuim is. Welke bewering is juridisch juist? A. Marco is nog niet in verzuim, omdat Ilse hem nog niet schriftelijk heeft aangemaand met een redelijke termijn. B. Marco is wel in verzuim, omdat op 1 juli een fatale termijn is verstreken en hij daarna expliciet onzekerheid creëerde over toekomstige nakoming. C. Marco is in verzuim sinds 4 juli, omdat hij toen zei dat hij zijn verplichting voorlopig niet kan nakomen. Dit valt onder art. 6:83 sub c BW. D. Marco is niet in verzuim, want hij heeft een redelijk excuus voor zijn vertraging. Pas bij schuld treedt verzuim in.
Correct antwoord: C 📘 Toelichting: A – Onjuist: Dit zou juist zijn bij toepassing van art. 6:82 BW. Maar hier is art. 6:83 BW relevant, dus schriftelijke aanmaning is niet vereist als aan sub b of c wordt voldaan. B – Onjuist: Een overeengekomen leverdatum is niet automatisch een fatale termijn, tenzij uit de overeenkomst blijkt dat tijd “essentieel” is. Dat is hier niet vastgesteld. Daarom treedt verzuim niet van rechtswege op 1 juli in. C – ✅ JUIST: Marco verklaart op 4 juli dat hij niet weet wanneer hij zal leveren. Daarmee ontstaat een situatie als bedoeld in art. 6:83 sub c BW: uit zijn mededeling blijkt dat hij zal tekortschieten. Verzuim treedt dan zonder ingebrekestelling in. D – Onjuist: Of Marco schuld heeft, is hier niet beslissend voor verzuim. Verzuim betreft het niet presteren ondanks opeisbaarheid, met toerekenbare vertraging (dat kan ook voortvloeien uit verkeersopvattingen). Het ontbreken van schuld is eventueel relevant voor schadeplichtigheid, niet voor verzuim op zich.
67
Indien een partij tekortschiet in de nakoming van een voortdurende verbintenis (zoals het regelmatig tijdig betalen van huur of het niet veroorzaken van overlast), is nakoming voor het verleden blijvend onmogelijk. In zulke gevallen is op grond van art. 6:265 lid 2 BW geen verzuim vereist om tot ontbinding van de overeenkomst te kunnen komen. In welk arrest is dit bepaald? 1. Schwarz / Gnjatovic arrest (11 januari 2002, ECLI: ECLI:NL:HR:2002:AD4925) 2. Oerlemans/Agro Driessen arrest (verwelkte rozen, 27 april 2001, ECLI:NL:HR 2001:AB 1338) 3. Kinheim/Pelders arrest (4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2004:AO9494) 4. Brok/Huberts arrest (heupdysplasie, 9 januari 1998, ECLI: NL: HR:1998: ZC 2541) 5. Endlich/Bouwmachines arrest (22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9494)
1. Schwarz / Gnjatovic arrest (11 januari 2002, ECLI: ECLI:NL:HR:2002:AD4925)
68
Oscar koopt bij fabrikant Torins BV een plantengroeimiddel voor professioneel gebruik. Niet lang na het gebruik sterven vrijwel al zijn planten af. Onderzoek wijst uit dat het groeimiddel zwaar verontreinigd was met een hoge concentratie pesticiden. Torins BV heeft het product niet zelf geproduceerd, kende het gebrek niet en hoefde dit ook niet te kennen. Oscar stelt dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en vordert op grond van artikel 6:74 BW schadevergoeding van Torins BV. Torins BV beroept zich op overmacht (art. 6:75 BW). Kan Oscar met succes schadevergoeding vorderen? A. Nee, want nu Torins BV het product niet zelf heeft geproduceerd en het gebrek buiten haar toedoen is ontstaan, kan haar geen verwijt worden gemaakt. De tekortkoming is dus niet toerekenbaar ex artikel 6:75 BW. B. Ja, want bij verkoop van een industrieel vervaardigd product komt een verborgen gebrek in beginsel voor rekening van de verkoper, ook als deze het gebrek niet kende noch hoefde te kennen. Dit volgt uit het arrest Oerlemans/Agro Driessen (HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1338). C. Ja, maar alleen als Oscar kan aantonen dat Torins BV als producent in de zin van artikel 6:185 BW aansprakelijk is op grond van productaansprakelijkheid voor gebrekkige zaken. D. Nee, want op grond van het arrest Brok/Huberts geldt bij verkoop van producten door niet-producenten dat aansprakelijkheid alleen bestaat als sprake is van schuld of uitdrukkelijke toerekenbaarheid krachtens rechtshandeling of wet.
Juiste antwoord: B Toelichting: In casu is sprake van een bedrijfsmatige verkoper van een industrieel vervaardigd product. Volgens HR Oerlemans/Agro Driessen (2001) geldt dat de tekortkoming toerekenbaar is op grond van verkeersopvattingen, ook als de verkoper het gebrek niet kende of hoefde te kennen en het product niet zelf heeft geproduceerd. Deze regel geldt niet bij particuliere verkoop van bijvoorbeeld dieren (HR Brok/Huberts), maar wel bij commerciële verkoop van industriële producten. Antwoord A is onjuist: de toerekening op grond van verkeersopvattingen sluit aansprakelijkheid bij non-fabricage niet uit. Antwoord C is onjuist omdat het beroep op productaansprakelijkheid (art. 6:185 BW) expliciet buiten beschouwing blijft in deze casus. Antwoord D past de regel van Brok/Huberts verkeerd toe; die geldt niet bij industriële producten van commerciële verkopers.
69
Casus: Tussen fotograaf Zegers en zijn werknemer Marsman is in het arbeidscontract een non-concurrentiebeding opgenomen, inhoudende dat Marsman zich gedurende een periode van twee jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst niet als zelfstandig fotograaf mag vestigen of bij iemand als fotograaf in dienst zal treden binnen een straal van twintig kilometer van de vestigingsplaats van Zegers. Direct na het einde van de arbeidsovereenkomst met Zegers vestigt Marsman zich als zelfstandig fotograaf op vijftien kilometer afstand van de vestigingsplaats van zijn oude werkgever Zegers. Deze lijdt hierdoor schade, omdat een aantal cliënten naar Marsman gaat. De tekortkoming betreft hier de schending van een verbintenis om niet te doen. Deze verbintenis om niet te doen is niet herstelbaar. Er is sprake van een blijvende onmogelijkheid in de nakoming. Van welke onmogelijkheid is in deze casus sprake? A. Relatieve onmogelijkheid, want Marsman had zijn gedrag kunnen aanpassen maar koos daar niet voor. B. Absolute onmogelijkheid, want Marsman kon zijn gedraging niet terugdraaien nadat hij eenmaal als fotograaf was begonnen. C. Blijvende onmogelijkheid, want de verbintenis om niet te doen is geschonden en kan niet meer ongedaan worden gemaakt. D. Tijdelijke onmogelijkheid, want Marsman kan zich op een later moment alsnog aan het concurrentiebeding houden.
C. Blijvende onmogelijkheid, want de verbintenis om niet te doen is geschonden en kan niet meer ongedaan worden gemaakt. ==> De tekortkoming betreft een verbintenis om iets niet te doen, die eenmaal geschonden niet meer hersteld kan worden. Dat maakt de nakoming blijvend onmogelijk. ==> De begrippen relatieve en absolute onmogelijkheid hebben betrekking op situaties waarin een prestatie feitelijk of juridisch niet (meer) mogelijk is. Het gaat om een verbintenis om iets niet te doen (geen concurrerende activiteiten). Die ene handeling (het zich vestigen) is al gebeurd en kan niet ongedaan worden gemaakt. Daarmee is nakoming blijvend onmogelijk geworden, maar niet omdat de prestatie objectief of relatief onuitvoerbaar is — hij had zich eraan kunnen houden.
70
Casus: Q verhuurt een luxe BBQ-set aan R van 16 augustus t/m 20 september 2020 voor €125. R moet uiterlijk op 20 augustus betalen. Q levert de BBQ op 16 augustus. Op 20 augustus betaalt R niet en verklaart dat hij ook niet van plan is te betalen. Q stuurt op 20 augustus een brief waarin hij verklaart dat de overeenkomst is ontbonden. R ontvangt de brief op 22 augustus. Vraag: Wat is juridisch juist over de ontbinding door Q? A. De ontbinding is pas rechtsgeldig als R schriftelijk akkoord gaat met het voorstel van Q; zonder wederzijdse instemming ontstaat geen ontbinding. B. De overeenkomst is ontbonden op 20 augustus, het moment waarop Q de brief verzond waarin hij verklaarde te ontbinden. C. De overeenkomst is rechtsgeldig ontbonden op 22 augustus, het moment waarop R de schriftelijke verklaring van Q ontving. D. De ontbinding is ongeldig, want Q had dit telefonisch moeten melden vóórdat hij een brief stuurde.
Correct antwoord: C Toelichting: A – Onjuist: Voor buitengerechtelijke ontbinding is géén instemming van de wederpartij vereist. Een eenzijdige schriftelijke verklaring door de daartoe gerechtigde partij volstaat (art. 6:267 lid 1 BW). B – Onjuist: De verklaring is op 20 augustus verzonden, maar art. 3:37 lid 3 BW bepaalt dat een verklaring pas werking heeft op het moment dat zij de geadresseerde bereikt (ontvangen is). Dus pas 22 augustus. C – Juist: Volgens art. 6:267 lid 1 jo. art. 3:37 lid 3 BW treedt de buitengerechtelijke ontbinding in op het moment van ontvangst van de schriftelijke verklaring door de schuldenaar: hier is dat 22 augustus. D – Onjuist: De wet vereist een schriftelijke verklaring, niet een voorafgaand telefoontje. Telefonisch contact is niet voldoende; alleen een schriftelijke verklaring (per brief of bijv. e-mail) is rechtsgeldig voor buitengerechtelijke ontbinding.
71
Meerkeuzevraag – Brok/Huberts-arrest (HR 9 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2541) Casus: Een consument koopt een rashond bij een erkende fokker. De hond vertoont bij aankoop geen klachten. Enkele maanden later blijkt het dier te lijden aan een erfelijke aandoening (heupdysplasie). De koper laat het dier opereren en stelt de verkoper aansprakelijk op grond van non-conformiteit (art. 7:17 BW), met het verzoek tot schadevergoeding op grond van art. 6:74 BW. Vraag: Wat volgt uit het Brok/Huberts-arrest ten aanzien van de vereisten voor schadevergoeding bij non-conformiteit? A. Iedere non-conformiteit verplicht de verkoper automatisch tot schadevergoeding, ook zonder dat sprake is van toerekenbaarheid. B. Voor schadevergoeding wegens non-conformiteit is toerekenbaarheid van de tekortkoming vereist op grond van art. 6:75 BW. C. Non-conformiteit wordt juridisch altijd als een toerekenbare tekortkoming beschouwd, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. D. De verkoper is alleen schadeplichtig bij non-conformiteit indien sprake is van een consumentenkoop in de zin van art. 7:24 BW.
Correct antwoord: B Toelichting: A is onjuist: Het arrest wijst dit expliciet af. Non-conformiteit leidt niet automatisch tot schadevergoeding. B is juist: De Hoge Raad stelt dat schadevergoeding alleen mogelijk is indien de non-conformiteit de verkoper toerekenbaar is (art. 6:74 jo. 6:75 BW). C is onjuist: De enkele aanwezigheid van een verborgen gebrek is niet automatisch toerekenbaar. D is verwarrend/onjuist: Het arrest ziet op een algemene koop; art. 7:24 BW is specifiek voor consumentenkoop en staat hier los van. Bovendien volgt uit het arrest een algemene regel over het vereiste van toerekenbaarheid, óók buiten de context van consumentenkoop.
72
Welke van de volgende situaties kan een tekortkoming in de zin van artikel 6:74 BW opleveren? A. Alleen als de schuldenaar de prestatie blijvend niet meer kan leveren B. Alleen als de schuldenaar in verzuim is en de prestatie ondeelbaar is C. Zowel wanneer de schuldenaar niet, te laat of ondeugdelijk presteert, als wanneer de prestatie tijdelijk of blijvend onmogelijk is D. Alleen als de schuldeiser schade lijdt door toedoen van de schuldenaar en die schade volledig te herstellen is
Correct antwoord: C Toelichting: Een tekortkoming in de zin van art. 6:74 BW kan bestaan uit: Niet-presteren Niet tijdig presteren Niet behoorlijk presteren Tijdelijke of blijvende onmogelijkheid van prestatie Optie C omvat als enige al deze vormen correct. De andere opties beperken de tekortkoming onterecht of verwarren vereisten voor schadevergoeding met de definitie van tekortkoming zelf.
73
Casusfragment: De heer Liet koopt bij vioolleraar Hollenberg een viool voor € 7.000. De viool wordt meteen geleverd, maar Liet betaalt de koopprijs niet. Hollenberg stelt Liet in gebreke en ontbindt daarna de overeenkomst buitengerechtelijk. Enkele dagen later wordt Liet failliet verklaard. Hollenberg wil de viool terug. Vraag: Wat is in dit geval de juridische positie van Hollenberg ten opzichte van de viool, nu de overeenkomst is ontbonden en Liet failliet is verklaard? A. Omdat de koopovereenkomst is ontbonden, kan Hollenberg de eigendom van de viool revindiceren; het faillissement van Liet doet daaraan niets af. B. De ontbinding maakt Hollenberg weer eigenaar van de viool, waardoor hij een separatistenpositie heeft binnen het faillissement. C. Omdat de levering van de viool heeft plaatsgevonden vóór het faillissement, en de ontbinding geen terugwerkende kracht heeft, blijft de viool in de failliete boedel. Hollenberg heeft slechts een concurrente vordering op de boedel tot ongedaanmaking. D. Omdat Liet de koopprijs niet heeft betaald, heeft Hollenberg een retentierecht op de viool en kan hij deze terugvorderen buiten het faillissement om.
Correct antwoord: C ==> Toelichting: In deze casus is sprake van: Levering van de viool aan de koper (Liet), voor diens faillissement; Niet-betaling van de koopprijs; Ontbinding van de koopovereenkomst na ingebrekestelling, maar vóór het faillissement; Hollenberg wil de viool terug. Juridische analyse: Eigendomsoverdracht: – De viool is al geleverd vóór het faillissement. Er is dus eigendomsoverdracht geweest (art. 3:84 BW), ondanks dat er niet is betaald. – Eigendomsoverdracht vereist geen betaling; betaling is een verplichting uit de koopovereenkomst, maar geen voorwaarde voor eigendomsoverdracht. Ontbinding vóór faillissement: – Hollenberg heeft de overeenkomst ontbonden vóór de faillietverklaring. Dat is geldig. – Maar: volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (o.a. HR Koot Beheer/Tideman q.q., ECLI:NL:HR:2001:ZC3693), werkt de ontbinding niet terug tot het moment van de koop. De koper (Liet) blijft dus eigenaar van de viool. Gevolg voor revindicatie: – Door het faillissement is de eigendom van de viool een goed van de boedel geworden. – **Ontbinding leidt tot een verbintenis tot ongedaanmaking (art. 6:271 BW), maar dat levert geen eigendomstitel op**: het geeft slechts een vordering op de boedel. – Die vordering is een concurrente vordering, waarvoor geen separatistenpositie bestaat. Andere opties: – Er is geen retentierecht meer, want de viool is niet in handen van Hollenberg. – Hollenberg kan zich dus niet buiten het faillissement om verhalen. Uitleg alternatieven: A is fout: revindicatie kan alleen bij eigendom, en die heeft Hollenberg na levering niet meer. B is fout: ontbinding herstelt het eigendomsrecht niet automatisch; er is geen terugwerkende kracht t.o.v. derden (zoals de curator). D is fout: Hollenberg heeft geen retentierecht meer omdat hij de viool niet onder zich heeft (art. 3:290 BW vereist feitelijke macht).
74
Oscar koopt in oktober 2020 een Friese Stabij-puppy van landbouwer Vorbons voor € 900. Kort na de koop blijkt de hond aan een erfelijke aandoening aan beide voorpoten te lijden, die ernstige bewegingsstoornissen veroorzaakt. Oscar laat de hond opereren voor € 1.200 en vordert vervolgens schadevergoeding van Vorbons wegens een toerekenbare tekortkoming. De stamboom vermeldde geen aanwijzing voor deze aandoening en Vorbons wist niets van het gebrek. Vorbons beroept zich op overmacht. Vast staat dat de afwijking al bij levering aanwezig was en dat normaal gebruik van de hond vóór de operatie niet mogelijk was. Kan Oscar met succes schadevergoeding vorderen van Vorbons? A. Ja, want het geleverde beantwoordt niet aan de overeenkomst. Nu sprake is van non-conformiteit en schade, is de vordering op grond van art. 6:74 BW toewijsbaar. B. Ja, want volgens het arrest Oerlemans/Driessen komt een gebrek in een verkocht product in beginsel voor rekening van de verkoper, óók als deze het gebrek niet kende of hoefde te kennen. C. Nee, want hoewel sprake is van een tekortkoming en schade, kan Vorbons zich met succes beroepen op overmacht (art. 6:75 BW). Volgens het arrest Brok/Huberts moet bij particuliere verkoop daadwerkelijk worden gekeken of toerekening gerechtvaardigd is. D. Nee, want Oscar heeft te laat geklaagd, nu hij pas in september 2021 heeft laten opereren en eerst daarna een vordering instelt. Daarmee is de klachtplicht van art. 7:23 BW geschonden.
Juiste antwoord: C Toelichting: In deze casus is sprake van een particuliere verkoper (zoals in HR Brok/Huberts), geen professionele partij (zoals in Oerlemans/Driessen). Daarom geldt geen risicoaansprakelijkheid, maar moet concreet worden gekeken naar schuld of andere gronden van toerekening (wet, rechtshandeling, verkeersopvatting). Omdat Vorbons niets van het gebrek wist of kon weten, en er geen toerekening krachtens verkeersopvatting of wet mogelijk is, slaagt het beroep op overmacht. Antwoord A negeert de vereisten voor toerekening. Antwoord B past een verkeerde rechtsregel toe (deze geldt alleen bij bedrijfsmatige verkopers). Antwoord D noemt een klachtplichtprobleem dat niet is gesteld of aannemelijk gemaakt in de casus.
75
Casus: Webwinkel GadgetX verkoopt een gelimiteerde editie headset aan Tim. Bij verzending blijkt het laatste exemplaar per ongeluk vernietigd in het magazijn. GadgetX meldt dat herlevering niet mogelijk is. Tim wil vergoeding van schade én ontbinding van de overeenkomst. Wat is juridisch correct? A. Tim kan ontbinding vorderen zonder ingebrekestelling, maar voor schadevergoeding is verzuim vereist, want levering is nog mogelijk via een alternatief product. B. Tim kan nakoming vorderen, want de overeenkomst is geldig gesloten; schadevergoeding vereist verzuim. C. Tim kan schadevergoeding en ontbinding vorderen zonder ingebrekestelling, maar nakoming is uitgesloten omdat de prestatie blijvend onmogelijk is. D. Tim kan ontbinding alleen krijgen via rechterlijke uitspraak; schadevergoeding moet via aansprakelijkstelling op grond van art. 6:82 lid 2 BW.
Correct antwoord: C Toelichting: A – Onjuist: De levering is blijvend onmogelijk (laatste exemplaar vernietigd); dus nakoming is uitgesloten en schadevergoeding vereist géén verzuim (zie tabel). B – Onjuist: Nakoming is bij blijvende onmogelijkheid uitgesloten. C – Juist: Precies zoals tabel: Nakoming: uitgesloten Schadevergoeding: ja, art. 6:74, géén verzuim vereist Ontbinding: ja, art. 6:265, géén verzuim vereist D – Onjuist: Ontbinding mag buitengerechtelijk (art. 6:267); schadevergoeding vereist bij blijvende onmogelijkheid géén ingebrekestelling.
76
In welke van de onderstaande situaties is de tekortkoming aan de schuld van de debiteur te wijten in de zin van artikel 6:75 BW? A. De debiteur is te laat met leveren, maar kon dit niet voorkomen ondanks dat hij alle zorgvuldigheid heeft betracht die redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. B. De debiteur heeft de prestatie niet verricht, doordat hij bij het voorbereiden daarvan een fout maakte die hij bij normale oplettendheid had kunnen vermijden. C. De debiteur kon de prestatie niet leveren door overmacht, maar had daaraan kunnen ontkomen als hij vóór contractsluiting beter juridisch advies had ingewonnen. Hij had echter geen aanleiding om hier voorafgaand juridisch onderzoek naar te doen, en zo'n onderzoek was ook niet gebruikelijk in de branche. D. De debiteur heeft het werk pas voltooid na aandringen van de schuldeiser, maar zijn vertraging was veroorzaakt door ziekte van zijn werknemer, waarvoor hij tijdig een vervanger had ingeschakeld.
Correct antwoord: B ✅ Toelichting op de keuzes: A – Onjuist: als de debiteur wél alle redelijke zorg heeft betracht, is er geen toerekenbare tekortkoming (dit is juist een voorbeeld van geen schuld). B – ✅ JUIST: hier is sprake van verwijtbaar onzorgvuldig handelen, dus schuld in de zin van art. 6:75 BW. De fout had voorkomen kunnen worden bij normale zorg. C – Onjuist: overmacht bij nakoming valt niet onder schuld, en een inschattingsfout bij contractsluiting leidt niet automatisch tot schuld bij uitvoering. Maar hier staat expliciet: geen aanleiding tot onderzoek én niet gebruikelijk in de branche. Dus: geen verwijtbaar handelen → geen schuld. ❌ Niet aan schuld te wijten. D – Onjuist: de debiteur heeft zorgvuldig gehandeld (tijdig vervanger geregeld), dus geen schuld.
77
Schilderbedrijf Kleurrijk BV huurt van Verhuur Steigertech een set gevelsteigers om een monumentaal pand in Leiden in korte tijd te schilderen, vanwege een strikte deadline van de gemeente. Op de eerste dag blijken enkele onderdelen van de steigers ondeugdelijk bevestigd; er vallen zelfs onderdelen naar beneden. Kleurrijk belt en mailt Verhuur Steigertech herhaaldelijk, maar krijgt geen reactie. Omdat er direct gevaar is voor werknemers en voorbijgangers, laat Kleurrijk de steigers onmiddellijk weghalen en huurt elders vervangend materiaal. Twee dagen later stuurt Kleurrijk een brief waarin zij de overeenkomst buitengerechtelijk ontbindt. Verhuur Steigertech stelt in een procedure dat de ontbinding ongeldig is, omdat zij nooit in gebreke is gesteld. Welke van de onderstaande stellingen geeft de juiste juridische beoordeling van deze situatie weer, in het licht van het Endlich/Bouwmachines-arrest? A. De buitengerechtelijke ontbinding door Kleurrijk is ongeldig, omdat een ingebrekestelling in alle gevallen vereist is voordat verzuim kan intreden. B. De buitengerechtelijke ontbinding is geldig, omdat er sprake was van blijvende onmogelijkheid tot nakoming; daarom is een ingebrekestelling niet vereist. C. De buitengerechtelijke ontbinding is geldig, omdat bij spoedeisende situaties en onbereikbaarheid van de schuldenaar verzuim kan intreden zonder ingebrekestelling, mits de schuldeiser redelijke pogingen heeft gedaan om de schuldenaar tot herstel te bewegen. D. De ontbinding is ongeldig, omdat Kleurrijk niet eerst een redelijke termijn heeft gegeven aan Verhuur Steigertech om het gebrek te verhelpen in een aangetekende brief, zoals vereist is bij spoedklachten.
Correct antwoord: C Toelichting: C geeft de rechtsregel uit het Endlich/Bouwmachines-arrest correct weer. De Hoge Raad erkent dat verzuim zonder ingebrekestelling kan intreden als er sprake is van een spoedeisende situatie én de schuldeiser de schuldenaar niet (tijdig) kan bereiken of deze niet adequaat reageert. De redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen dan het overslaan van een formele ingebrekestelling. A en D zijn te strikt en houden geen rekening met de uitzondering uit het arrest. B is onjuist: er is geen sprake van blijvende onmogelijkheid, dus art. 6:74 jo. 6:81–82 blijft leidend, tenzij de uitzondering van Endlich geldt — wat dus het geval is.
78
Casus: Eva koopt als consument een nieuwe wasmachine van Witgoed BV. Bij aflevering blijkt het apparaat niet naar behoren te functioneren: het centrifugeprogramma slaat regelmatig over. Witgoed BV weigert herstel of vervanging, met als argument dat het defect “niet ernstig genoeg” is en adviseert Eva slechts een alternatieve instelling te gebruiken. Eva overweegt juridische stappen. Vraag: Welke van de onderstaande stellingen geeft het meest correct weer welke bevoegdheden Eva als koper heeft op grond van afdeling 5 van titel 1 Boek 7 BW? A. Eva kan alleen volledige ontbinding van de overeenkomst eisen, mits zij de verkoper eerst in verzuim heeft gesteld en de machine niet binnen redelijke termijn is gerepareerd. B. Eva kan slechts een evenredige prijsvermindering vorderen, tenzij zij bewijst dat vervanging of herstel onmogelijk is. C. Eva kan kiezen tussen herstel, vervanging of een evenredige prijsvermindering, maar heeft daarnaast ook recht op schadevergoeding conform art. 7:24 BW. D. Eva heeft uitsluitend recht op vervanging, tenzij zij expliciet afstand doet van dat recht ten gunste van herstel of schadevergoeding.
Correct antwoord: C Toelichting: A is onjuist: voor consumentenkoop zijn extra beschermende rechten van toepassing; ontbinding is niet de enige actie. B is onjuist: prijsvermindering is een optie, maar geen vereiste dat vervanging of herstel onmogelijk is. C is juist: art. 7:21 BW biedt keuze tussen herstel of vervanging; art. 7:22 BW geeft recht op ontbinding of prijsvermindering; art. 7:24 en 7:25 BW bieden schadevergoeding bij consumentenkoop. D is onjuist: het recht op vervanging is niet exclusief of verplicht, en afstand hoeft niet expliciet te worden gedaan.
79
Partijen A en B hebben een overeenkomst gesloten voor het leveren van specialistische software. B levert ondeugdelijke software, waardoor A grote vermogensschade lijdt. A wil B aansprakelijk stellen. Welke stelling is juridisch juist? A. A kan kiezen of hij zijn schade verhaalt op grond van wanprestatie (art. 6:74 BW) of onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), want beide grondslagen staan in beginsel naast elkaar. B. A moet zijn schade in beginsel verhalen op grond van wanprestatie (art. 6:74 BW), omdat de schade voortvloeit uit een tekortkoming binnen de contractuele verhouding met B. C. A mag geen beroep doen op wanprestatie, omdat het gebrek in de software niet voortkomt uit opzet of grove schuld van B, en daarom alleen een beroep op art. 6:162 BW mogelijk is. D. A is uitsluitend afhankelijk van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW), tenzij het contract expliciet een garantie of schadevergoedingsbeding bevat.
Correct antwoord: B ==> Als de schade voortvloeit uit de schending van een contractuele verplichting, is art. 6:74 BW de primaire grondslag (HR Kinheim/Pelders).