Welke van deze gevallen beschrijft een klachtdelict:
Art. 167a Sv:
Terzake van een misdrijf, omschreven in artikel 245, 247, 248a, 248d of 248e van het Wetboek van Strafrecht en gepleegd ten aanzien van een minderjarige die twaalf jaren of ouder is, stelt het openbaar ministerie de minderjarige zo mogelijk in de gelegenheid zijn mening over het gepleegde feit kenbaar te maken.
Art. 269 lid 1 Sr:
Belediging, strafbaar krachtens deze titel, wordt niet vervolgd dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd.
Mogelijke antwoorden:
1. Alleen Art. 167a Sv beschrijft een klachtdelict
2. Alleen Art. 269 lid 1 Sr beschrijft een klachtdelict
3. Beide gevallen beschrijven klachtdelicten
4. Geen van deze artikelen beschrijft een klachtdelict.
Welke stelling over vervolging is onjuist?
1. De vervolgingsbeslissing is een beslissing van de officier van justitie om de zaak voor te leggen aan een rechter. Vanaf dat moment loopt er een vervolging tegen de betrokken verdachte.
2. Er zijn meerdere manieren om te vervolgen: (a) Het OM betrekt een rechter bij de strafzaak, die zelf een beslissing neemt, na een dagvaarding van de verdachte; (b) een rechter-commissaris beslist over bewaring, en dan begint de vervolging; en (c) tegen een verdachte wordt een strafbeschikking uitgevaardigd.
3. De advocaat generaal heeft autonomie over de vraag of de verdachte wel of geen dagvaarding krijgt, dus of er wel of niet strafvervolging plaatsvindt.
4. Het Parket is de naam van de afdeling van het OM bij een gerecht; Dit is ook de naam van het gebouw waarin het OM in een arrondissement of ressort zetelt.
Welke stelling over vervolging is onjuist?
1. De officier van justitie heeft het alleenrecht om te beslissen of er wordt vervolgd, en waarvoor wordt vervolgd (het ten laste te leggen feit).
2. Het opportuniteitsbeginsel houdt in dat de officier van justitie de opportuniteit (wenselijkheid) van vervolging mag beoordelen aan de hand van beleidsmatige overwegingen.
3. Een vrouw doet aangifte van bedreiging (art. 285 Sr). Dit delict zou drie weken daarvoor plaatsgevonden hebben in haar woning en zou, volgens haar aangifte, gepleegd zijn door haar buurman. De buurman wordt aangehouden en verhoord, maar ontkent categorisch. Hij is zelfs, zo zegt hij, nog nooit in de woning van zijn buurvrouw geweest. Voor het overige is er geen bewijsmateriaal. Het OM heeft hier een geldige reden voor sepot.
4. Een man mishandelt zijn vrouw bij een uit de hand gelopen woordenwisseling. De vrouw doet aangifte bij de politie, en de man wordt door de politie verhoord en bekent de mishandeling. Enkele maanden later stuurt de vrouw een brief dat ze van de vervolging wil afzien. Ze zijn in therapie en afgelopen maanden hebben zij geen enkele keer ruzie gehad. Het OM heeft hier een geldige reden voor sepot.
5. Een politiesepot is een situatie waarin de politie nav een proces-verbaal geen aangifte registreert, waardoor het OM niet in beeld komt, en daarom geen opsporingsonderzoek en strafvervolging plaatsvinden.
Welke stelling is onjuist?
1. Wanneer de OvJ geen vervolgingsrecht heeft, bijv. wegens een vervolgingsbeletsel, is er geen sprake van sepot.
2. Wanneer het OM onvoldoende bewijs heeft, zal dit leiden tot een technisch sepot.
3. De officier van justitie seponeert een zaak die technisch wel tot een veroordeling zou kunnen leiden, maar het maatschappelijke belang vordert geen strafvervolging (meer), of de zaak is niet ernstig genoeg, wordt gesproken van een beleidssepot.
4. Vervolgingsbeletsel is een situatie waarbij vervolging niet toegestaan is, bijvoorbeeld wanneer de verdachte is jonger dan twaalf jaar. Bij een vervolgingsbeletsel heeft de OvJ geen recht (meer) op vervolging. Als hij wel dagvaart, zal de rechter in de einduitspraak concluderen: niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Wat zijn de belangrijkste vervolgingsbeletselen (+acronym)?
RL VOKIN:
1. Rechtsmacht
2. Leeftijd
3. Verjaring van het vervolgingsrecht
4. Overlijden van de dader
5. Klacht
6. Immuniteit van overheidsorganen
7. Ne bis in idem
Een Nederlander gaat op vakantie in Zuid America. Tijdens een LATAM vlucht van Buenos Aires naar Rio de Janeiro mishandelt de Nederlander een andere passagier. Het OM in Nederland dagvaart de Nederlander, met de tll van moord (art. 300 Sr). Ervan uitgaande dat er voldoende bewijs is, wat zal de einduitspraak zijn?
1. Dagvaarding nietig
2. Niet-ontvankelijkheid van het OM
3. Vrijspraak
4. OVAR
5. Veroordeling
Een Duitser vermoordt een Nederlander in Nigeria. Het OM in Nederland dagvaart de Duitser, met de tll van moord (art. 289 Sr). Ervan uitgaande dat er voldoende bewijs is, wat zal de einduitspraak zijn?
1. Dagvaarding nietig
2. Niet-ontvankelijkheid van het OM
3. Vrijspraak
4. OVAR
5. Veroordeling
Welke stelling over rechtsmacht is onjuist?
1. Het territorialiteitsbeginsel houdt in dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt (art. 2 Sr).
2. Een aanslag op de koning (art. 92 Sr) is in NL strafbaar ook als het feit buiten Nederland plaatsvindt.
3. In de gevallen van art. 5 en 7 Sr vloeit de Nederlandse rechtsmacht voort uit het personaliteitsbeginsel.
4. Het Azewijnse paard -arrest (HR, 1915) gaat over het territorialiteitsbeginsel (rechtsmacht). In casu werd door de Hoge Raad de leer van de lichamelijke gedraging aangenomen, in plaats van de leer van het instrument.
==> moet zijn:
4. Het Azewijnse paard -arrest (HR, 1915) gaat over het territorialiteitsbeginsel (rechtsmacht). In casu werd door de Hoge Raad de leer van het instrument aangenomen, in plaats van de leer van de lichamelijke gedraging).
Welke stelling over rechtsmacht is onjuist?
1. Normaliter wordt de locus delicti door de leer van de lichamelijke gedraging bepaald. In het Azewijnse paard -arrest (HR, 1915) is bepaald dat het feit dat iemand zich ten tijde van een misdrijf in een bepaald land bevindt, niet af doet van het feit dat ook een ander land als locus delicti van worden aangemerkt indien men dmv een bepaald instrument handelt.
2. In het arrest (HR, 1988) NJ 1999, 221 – Vervolging in Nederland en België gepleegd feit - is bepaald dat indien een strafbaar feit deels in Nederland en deels buiten Nederland is gepleegd, op grond van art. 2 Sr vervolging in Nederland mogelijk is, ook ten aanzien van de van het deel dat buiten Nederland is gepleegd.
3. In het arrest (HR, 1988) NJ 1999, 221 – Vervolging in Nederland en België gepleegd feit - is bepaald dat indien een strafbaar feit deels in Nederland en deels buiten Nederland is gepleegd, de Nederlandse strafwet van toepassing is, ongeacht de strafbaarheid strafbaarheid naar Belgisch recht.
4. Het Nederlandse strafrecht is van toepassing op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een misdrijf tegen een Nederlander, voor zover op dit feit een gevangenisstraf van ten minste vier jaren is gesteld en daarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld.
Welke stelling mbt vervolgingsbeletselen is onjuist?
1. Kinderen jonger dan 12 kunnen wel staande gehouden, aangehouden en opgehouden worden voor onderzoek, maar kunnen niet vervolgd worden.
2. Misdrijven waarop 12 jaar of meer gevangenisstraf is gesteld en bepaalde zedendelicten met minderjarigen verjaren niet.
3. Overtredingen verjaren na 2 jaar, en misdrijven die verjaren kennen verjaringstermijnen van zes, twaalf of twintig jaar.
4. De verjaringstermijn begint in de regel op de dag na die waarop het feit is gepleegd.
Welke stelling mbt vervolgingsbeletselen is onjuist?
1. Het recht tot strafvordering vervalt bij de dood van de verdachte.
2. Het doel van klachtdelicten is dat een slachtoffer in een beperkt aantal gevallen kan voorkomen dat een door hem niet gewenste vervolging wordt begonnen. Als hij geen klacht indient, kan het OM niet overgaan tot vervolging.
3. De Nederlandse Staat heeft immuniteit en kan geen strafbare feiten plegen. Dat is bepaald in het Volkel-arrest. Deze algehele immuniteit geldt niet voor provincies en gemeenten.
4. 2+3
Jan wordt vervolgd voor eenvoudige belediging (art. 266 Sr). Zijn slachtoffers zijn nooit geïdentificeerd, en blijven onbekend. Ervan uitgaande dat er voldoende bewijs is, wat zal de einduitspraak zijn?
1. Dagvaarding nietig
2. Niet-ontvankelijkheid van het OM
3. Vrijspraak
4. OVAR
5. Veroordeling
Welke stelling is juist?
Stelling A:
Wanneer de OvJ een strafbeschikking heeft opgelegd, en de daarin opgenomen sanctie ook ten uitvoer is gelegd, kan later niet vervolgd worden voor hetzelfde strafbare feit.
Stelling B:
Wanneer een transactie is overeengekomen en de verdachte heeft voldaan aan de daarbij gestelde voorwaarden, kan later niet vervolgd worden voor hetzelfde strafbare feit.
Mogelijke antwoorden:
1. Alleen stelling A is juist.
2. Alleen stelling B is juist.
3. Beide stellingen zijn juist.
4. Beide stellingen zijn onjuist.
Welke stelling is onjuist?
1. Na de einduitspraak veroordeling kan niet opnieuw vervolgd worden voor hetzelfde strafbare feit.
2. Na de einduitspraken niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en schorsing der vervolging kan niet opnieuw vervolgd worden voor hetzelfde strafbare feit.
3. Na de einduitspraken vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging kan niet opnieuw vervolgd worden voor hetzelfde strafbare feit.
4. Na de einduitspraken nietigheid van de dagvaarding en onbevoegdheid rechter kan opnieuw vervolgd worden voor hetzelfde strafbare feit.
Wat is geen beginsel van een behoorlijke procesorde?
1. Gelijkheidsbeginsel
2. Beginsel van redelijke en billijke belangenafweging
3. Beginsel van zuiverheid van oogmerk
4. Zorgvuldigheidsbeginsel
5. Vertrouwensbeginsel
Een bestuurder van een personenauto wordt op de snelweg aangehouden omdat hij de maximumsnelheid met 50 km/u overschrijdt. Terwijl de opsporingsambtenaren proces-verbaal staan op te maken, passeren er minstens drie auto’s die nog harder rijden dan de aangehoudene. Hij vindt het niet eerlijk dat hij er door de politie wordt uitgepikt en dat de snelheidsovertredingen van anderen kennelijk onbestraft blijven.
De bestuurder vindt dat… (vul in) is geschonden; dit beginsel wordt in dit specifieke geval… (vul in) geschonden.
1. het gelijkheidsbeginsel… niet
2. het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging … wel
3. het fair-play-beginsel… wel
4. het zorgvuldigheidsbeginsel… niet
5. het vertrouwensbeginsel… niet
De opsporingsambtenaar is bij een grootscheepse controle op de deugdelijkheid van motorvoertuigen belast met de inspectie van de stilgehouden motoren. Alle motoren worden aan een grondig technisch onderzoek onderworpen. Hij is een bewonderaar van het merk Harley-Davidson. Bij geconstateerde overtredingen bij motororen van dat merk maakt hij slechts een praatje met de bestuurder van de motor. Bestuurders van andere merken motoren krijgen bij gebleken ondeugdelijkheid echter allen een proces-verbaal.
De bestuurder van andere merken motoren vinden dat het… (vul in) is geschonden; dit beginsel wordt in dit specifieke geval… (vul in) geschonden.
1. het gelijkheidsbeginsel… wel
2. het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging … wel
3. het van détournement de pouvoir… wel
4. het fair play beginsel… niet
5. het vertrouwensbeginsel… niet
Jan rijdt met zijn auto over de snelweg en is laat voor een sollicitatiegesprek. Hij overschrijdt meerdere malen fors de maximumsnelheid en bumperkleeft bij een langzamere weggebruiker. Twee politieagenten in een onopvallende politieauto zijn hiervan getuigen en houden Jan staande door hem naar de vluchtstrook te dirigeren.
Stel: Jan legt de agenten uit dat hij normaal een rustige chauffeur is, maar nu een belangrijk sollicitatiegesprek had. De agenten besluiten om met de hand over het hart te streken. Ze delen Jan mede dat zij het feit voor één keer door de vingers zullen zien. Jan vervolgt opgelucht zijn weg. Enkele maanden later ontvangt hij een dagvaarding. Bij de terechtzitting voert hij het verweer dat hem door de verbaliserende agenten is toegezegd dat hij niet vervolgd zou worden.
Jan vindt dat… (vul in) is geschonden; dit beginsel wordt in dit specifieke geval… (vul in) geschonden.
1. het gelijkheidsbeginsel… niet
2. het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging … wel
3. het fair-play-beginsel… niet
4. het zorgvuldigheidsbeginsel… wel
5. het vertrouwensbeginsel… wel
Welke stelling is onjuist?
1. De beginselen van behoorlijke procesorde zijn ongeschreven, buitenwettelijke beginselen. De Hoge Raad bepaalde dat elke vervolgingsbeslissing de toets aan deze beginselen moet doorstaan.
2. Transactie (art. 74 Sr) is een sepot waarbij de verdachte aan voorwaarden moet voldoen, zoals het betalen van een geldbedrag (boete), vergoeding van de door het strafbare feit veroorzaakte schade, of het volgen van een leer traject.
3. Transactie mag alleen worden aangeboden in geval de betreffende persoon wordt verdacht van een overtreding of een misdrijf waarop niet meer dan twee jaar gevangenisstraf is gesteld.
4. Transacties zijn alleen toegestaan in geval van een beleidssepot, niet in geval van een technisch sepot. In dat laatste geval moet de OvJ onvoorwaardelijk seponeren.
Welke stelling is onjuist?
1. De OvJ kan in een strafbeschikking de volgende straffen en maatregelen opleggen: taakstraf, geldboete, onttrekking aan het verkeer, schadevergoeding, ontzegging van rijbevoegdheid.
2. Een opsporingsambtenaar is bevoegd om in een strafbeschikking een geldboete tot 350 Euro aan mensen vanaf 18 jaar op te leggen.
3. Aanwijzingen zijn voorwaarden bij een strafbeschikking, waar een verdachte aan moet voldoen.
4. Een strafbeschikking kan alleen worden uitgevaardigd in geval van verdenking van een overtreding.
Jan wordt vervolgd voor poging tot een misdrijf waarvoor 7 jaar gevangenisstraf doodslag kan worden opgelegd. Het is een eenvoudige zaak, waarbij Jan heeft bekend en er ruim voldoende ander bewijs is.
Mag de OvJ een strafbeschikking uitvaardigen?
1. Nee, in geen geval.
2. Nee, maar hij mag wel een transactie aanbieden.
3. Ja.
4. Ja, indien Jan akkoord gaat
Jan wordt verdacht van opruiing. Het is een simpele zaak, en er is ruim voldoende, zeer betrouwbaar bewijs. De OvJ stuurt een strafbeschikking per post zonder contact gehad te hebben met Jan. Hij legt een geldboete op van 3000 Euro.
Welke stelling is onjuist?
1. De procedure van strafbeschikking is correct verlopen.
2. Wanneer de verdachte geen verzet instelt tegen een strafbeschikking, kan de strafbeschikking veertien dagen na toezending ervan of na uitreiking ervan in persoon ten uitvoer worden gebracht. Na 14 dagen vervalt het recht op verzet.
3. Tekent de ontvanger van een strafbeschikking verzet aan, dan wordt dit behandeld door de rechtbank. De in de oproep opgenomen omschrijving van het feit wordt gezien als de tenlastelegging. Wanneer de rechter de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaart of de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt hij de strafbeschikking.
4. Bij een transactie is de verdachte niet verplicht om te voldoen aan de voorwaarden van de transactie. Bij een strafbeschikking wel (tenzij hij verzet aantekent).
Welke stelling is onjuist?
1. Bij het nemen van vervolgingsbeslissingen en bij het bepalen van de strafeis ter terechtzitting hanteert de OvJ de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen; dat is een door het college van procureurs-generaal opgesteld document dat een richtsnoer vormt voor de officieren van justitie, tbv voorspelbaarheid en rechtszekerheid.
2. Het is wenselijk om daders van strafbare feiten snel na het strafbare feit te straffen, want op deze manier voelt de dader meteen de gevolgen van zijn gedrag en zal ook de samenleving het gevoel hebben dat er daadwerkelijk werk wordt gemaakt van het bestraffen van strafbare feiten.
3. ZSM-afdoening staat voor Zorgvuldig, Snel en op Maat. Kenmerkend voor de ZSM-aanpak is dat naast het OM ook andere instanties zoals de politie, reclassering, de raad voor de kinderbescherming en Slachtofferhulp Nederland worden betrokken. In overleg bepalen zij wat de beste manier is om het strafbare feit af te doen.
4. Als de gedagvaarde persoon meent dat het OM de verkeerde persoon gedagvaard, zal hij dit aan de rechter moeten uitleggen, hetgeen (indien correct) zal leiden tot vrijspraak.
Wat is geen reden voor de bezwaarschriftprocedure tegen een dagvaarding?
1. Het OM heeft de verkeerde persoon gedagvaard
2. De verdachte heeft al een sepotmededeling ontvangen
3. Er is naar de mening van de verdachte onvoldoende wettig bewijs om een veroordeling te kunnen dragen.
4. De verdachte is jonger dan 12 jaar.