Welke stelling is het meest onjuist:
1. Een vervolging van politieambtenaren is altijd bij de rechtbank Utrecht; daar zit een specifieke kamer hiervoor.
2. Een vervolging van soldaten is altijd bij de rechtbank Arnhem; daar zit een militaire kamer.
3. Grote zaken worden gevoerd bij het landelijk parket, hetgeen landelijk werkt. De keuze voor een rechtbank wordt gemaakt op basis van beschikbaarheid.
4. Als de diefstal in Amsterdam is gepleegd, dan wordt de zaak in A’dam voorgelegd.
Wat is geen deelvraag van de bewijsvraag?
1. Is er bewijsmateriaal voor het ten laste gelegde?
2. Wordt het bewijsmateriaal toegelaten als bewijsmiddel?
3. Wordt ieder onderdeel van de bewezenverklaring door tenminste één bewijsmiddel bewezen?
4. Voldoet de bewezenverklaring als geheel aan de bewijsminimumregels?
5. Is de rechter overtuigd dat de verdachte het ten late gelegde heeft begaan?
6. Heeft de verdediging bewijsverweren?
Een man werd vervolgd voor het feit dat hij zou profiteren van het geld wat zijn vrouw als prostituee verdiende. Een vriendin van de man had hem horen zeggen dat zijn vrouw voor hem als prostituee geld moest verdienen. De rechter acht het feit bewezen, onder andere door de verklaring van de vriendin. Mag de rechter de verklaring van de vriendin als bewijsmiddel gebruiken?
1. Ja
2. Ja, onder bepaalde voorwaarden
3. Nee
Welke stelling over het bewijsrecht is onjuist?
1. Wanneer een bewezenverklaring uitsluitend of in beslissende mate gebaseerd is op verklaringen van anonieme getuigen, moet de rechter de verdachte vrijspreken.
2. Een bewezenverklaring mag niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaringen van kroongetuigen.
3. Voor de bewezenverklaring als geheel zijn er minimaal twee bewijsmiddelen nodig. Voor elk onderdeel van de bewezenverklaring is slechts één bewijsmiddel nodig.
4. Volgens de HR moet er voor een getuigenverklaring steunbewijs zijn; er mag geen sprake zijn van een ‘te verwijderd verband tussen die ene getuigenverklaring en het overige gebezigde materiaal’.
5. Alle stellingen zijn juist.
In het dossier zit een verklaring van een medisch-deskundige over het letsel. Dit is:
1. Verklaringen van verdachten
2. Verklaringen van getuigen
3. Verklaringen van deskundigen
4. Eigen waarneming van de rechter
5. Schriftelijke bescheiden
6. Dit is geen wettelijk bewijsmiddel
Casus: Een deskundige brengt schriftelijk verslag uit aan de rechter.
Wat is het type bewijsmateriaal?
1. Verklaringen van verdachten (art. 339 Sv)
2. Verklaringen van getuigen (art. 339 Sv)
3. Verklaringen van deskundigen (art. 339 Sv)
4. Eigen waarneming van de rechter (art. 339 Sv)
5. Schriftelijke bescheiden (art. 339 Sv)
6. Beeld- en geluidsopnamen (art. 567 Sv)
… (vul in) houdt in: de rechter moet overtuigd zijn dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Als hij dit niet is, moet de rechter de verdachte vrijspreken.
Het negatief-wettelijke bewijsstelsel houdt in dat:
1. in de wet de toegestane wettelijke bewijsmiddelen worden opgesomd en dat bij een negatief oordeel over de wettigheid van het bewijs de rechter moet vrijspreken.
2. in de wet de toegestane wettelijke bewijsmiddelen worden opgesomd en dat de rechter alleen tot een bewezenverklaring mag komen als hij bovendien overtuigd is van het feit dat de verdachte schuldig is.
3. in de wet bepaalde eisen over de bewijskracht van sommige bewijsmiddelen worden gesteld en dat – voor zover de door de rechter geselecteerde bewijsmiddelen niet voldoen aan die eisen – de rechter moet vrijspreken.
4. in de wet bepaalde eisen over de bewijskracht van sommige bewijsmiddelen worden gesteld en dat de rechter alleen tot een bewezenverklaring mag komen als hij bovendien overtuigd is dat de verdachte schuldig is.
Welke stelling over het bewijsrecht is onjuist?
1. Positief-wettelijke bewijsstelsels bevatten regelingen, die bij de aanwezigheid van een bepaalde hoeveelheid bewijsmiddelen de rechter dwingen tot bewezenverklaring.
2. Negatief-wettelijke bewijsstelsels heten ook formele stelsels.
3. Negatief-wettelijke bewijsstelsels houden in dat de rechter bij gebrek aan door de wet erkende bewijsmiddelen genoodzaakt is de verdachte vrij te spreken, ook al is hij ervan overtuigd dat de betrokkene het feit, waarvan hij wordt beschuldigd, heeft begaan.
4. De ‘conviction beyond reasonable doubt’ van een jury is een voorbeeld van een vrij bewijsstelsel.
Welke stelling is onjuist?
1. De opsporingsambtenaar moet voor alle door hem verrichte opsporingshandelingen een proces-verbaal opmaken. Deze proces-verbalen worden toegevoegd aan het dossier, als bewijsmiddel.
2. Een verslag van een deskundige in opdracht van de officier van justitie of de rechter valt onder art. 344 lid 1, 4o Sv. Een verslag in opdracht van de verdediging kan ook als bewijsmateriaal gebruikt worden, en valt onder art. 344 lid 1, 5o Sv.
3. Een verklaring van de raadsman van de verdachte kan niet als bewijsmateriaal dienen. Een verklaring van de rechter-commissaris wel.
4. Als de toegepaste onderzoeksmethode omstreden is, of als het technische onderzoek niet volgens de daarvoor vastgestelde regels heeft plaatsgevonden, of als een getuige tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, wordt het bewijsmateriaal als onbetrouwbaar bestempeld, en wordt het als bewijs uitgesloten.
Welke stelling is onjuist ?
1. Bij het voorbereidend onderzoek (‘context of discovery’), geldt zowel in NL als ook in de VS indirecte normering, bijv. via bewijsuitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal.
2. Bij het onderzoek op de terechtzitting plus beraadslaging en beslissing (‘context of pursuit’) geldt in de VS zwakke normering via presentatie regels, en in NL zwakke normering via bewijsvoeringsregels ter zitting, maar sterke normering met beslissingsregels.
3. De motivering in het (uitgewerkte) vonnis (‘context of justification’) geldt in de VS geen normering, en in NL geldt de bekrachtiging van de beslissingsregels door bijpassende motiveringsregels.
4. Alle stellingen zijn juist/
Het Nederlandse bewijsstelsel kan worden bestempeld als deels … (vul in), deels … (vul in). De jurisprudentiële beperkingen berusten zowel op … (vul in) als op … (vul in).
1. negatief-wettelijk… conviction raisonnée… methodologische overwegingen … materiële overwegingen
2. positief-wettelijk… conviction intime… materiële overwegingen … methodologische overwegingen
3. negatief-wettelijk… negatief-jurisprudentieel… methodologische overwegingen … behoorlijkheidsoverwegingen
4. positief-wettelijk… positief-jurisprudentieel… materiële overwegingen … formele overwegingen
Welk bewijsstelsel geldt in Nederland?
1. Negatief-wettelijke bewijsstelsel
2. Positief-wettelijke bewijsstelsel
3. Vrij stelsel
Welke stelling is juist?
1. Bij een afgelegde verklaring van een verdachte zonder dat hij eerst cautie heeft gekregen, moet de rechter de verklaring als onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal uitsluiten.
2. Als bewijsmateriaal op onrechtmatige wijze is verkregen, is het per definitie onbetrouwbaar bewijs.
3. Als de politie opzettelijk in strijd met belangrijke voorschriften heeft gehandeld en de verdachte is benadeeld, legt de rechter een sanctie op het OM op: niet-ontvankelijkheidsverklaring van het OM wegens schending van de beginselen van een goede procesorde.
4. Alle stellingen zijn onjuist.
Het onmiddellijkheidsbeginsel houdt in dat:
1. de zittingsrechter binnen uiterlijk veertien dagen na het sluiten van het onderzoek uitspraak moet doen.
2. getuigen ter zitting direct nadat zij door de rechter zijn gehoord ook door de officier van justitie en de verdediging gehoord moeten worden.
3. materiaal waarop de zittingsrechter de bewezenverklaring doet steunen ter zitting aan de orde moet komen opdat het weersproken kan worden.
4. de zittingsrechter alleen de verklaring van een getuige voor het bewijs mag gebruiken als die getuige ter zitting ook gehoord is.
Welke stelling is onjuist?
1. Elders dan ter terechtzitting gedane verklaringen van de verdachte kunnen voor het bewijs worden gebruikt, mits deze bij de politie of bij een rechter-commissaris zijn afgelegd en in een proces-verbaal vastgelegd.
2. Wanneer een opsporingsambtenaar zelf heeft waargenomen dat de getuige een verklaring heeft afgelegd en heeft dit gerelateerd (opgeschreven) in een proces-verbaal, is er sprake van een schriftelijke de-auditu verklaring.
3. Bij de rechter-commissaris afgelegde getuigenverklaringen en mondelinge aangiften worden als proces-verbaal aan het dossier toegevoegd, en kunnen als bewijsmateriaal dienen (schriftelijke bescheiden).
4. Schriftelijke aangiften worden als proces-verbaal aan het dossier toegevoegd, en kunnen als bewijsmateriaal dienen (schriftelijke bescheiden).
Casus:
Sjoerd wordt ervan verdacht dat hij een bevel door de politie om zich van de Amerikaanse ambassade te verwijderen heeft genegeerd (art. 186 Sr). Hij heeft tegenover de politie verklaard: ‘Ik weet dat de politie de groep waarin ik mij bevond heeft gesommeerd zich van de ambassade te verwijderen. Dat heb ik achteraf gehoord. Ik heb die sommaties zelf echter niet gehoord’. In het vonnis wordt als verklaring van Sjoerd opgenomen: ‘Ik weet dat de politie de groep waarin ik mij bevond heeft gesommeerd zich van de ambassade te verwijderen.’ Hier is sprake van…
1. een de auditu-verklaring
2. partieel bewijsmiddel
3. kwalificatieve vingerduiding
4. denaturering
Op vragen van de rechter zwijgt de verdachte.
Dit is:
1. Verklaringen van verdachten
2. Verklaringen van getuigen
3. Verklaringen van deskundigen
4. Eigen waarneming van de rechter
5. Schriftelijke bescheiden
6. Geen wettelijk bewijsmiddel
Op welke van de volgende situaties is art. 359a Sv in principe niet van toepassing?
1. Particulieren hebben in samenspraak met de politie onrechtmatig een geluidsopname gemaakt van een belastende conversatie van de verdachte.
2. De politie heeft na toestemming van de officier van justitie de verdachte in strijd met het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering gefouilleerd en daarbij een verboden vuurwapen gevonden.
3. De rechter-commissaris heeft in strijd met het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering een doorzoeking van een huis verricht en daarbij een verboden vuurwapen gevonden.
4. De zittingsrechter heeft bij aanvang van het onderzoek de verdachte niet de cautie gegeven en de verdachte heeft nadien wel belastend verklaard.
Het slachtoffer is in de zitting zelf aanwezig en de littekens van het steekincident zijn nog altijd zichtbaar. Dit is:
1. Verklaringen van verdachten
2. Verklaringen van getuigen
3. Verklaringen van deskundigen
4. Eigen waarneming van de rechter
5. Schriftelijke bescheiden
6. Dit is geen wettelijk bewijsmiddel
Casus: Een deskundige legt tijdens het onderzoek ter terechtzitting een mondelinge verklaring af.
Wat is het type bewijsmateriaal?
1. Verklaringen van verdachten (art. 339 Sv)
2. Verklaringen van getuigen (art. 339 Sv)
3. Verklaringen van deskundigen (art. 339 Sv)
4. Eigen waarneming van de rechter (art. 339 Sv)
5. Schriftelijke bescheiden (art. 339 Sv)
6. Beeld- en geluidsopnamen (art. 567 Sv)
Casus:
TLL: Ten laste gelegd: het aanwezig hebben in zijn woning van enige kweekbakken met – bijna oogstrijpe – vrouwelijke hennepplanten (verboden krachtens art. 2, lid 1, aanhef en onder C van de Opiumwet).
* De arrestatie voorafging aan de vondst van de planten, en de machtiging tot binnentreden ter aanhouding daarmee was geëxpireerd, terwijl de vriendin niet langer toestemming gaf om binnen te zijn.
Rechtsvraag: Wat moet de oordelend rechter nu doen met het bewijsmateriaal dat (direct) voortvloeit uit de onrechtmatige vondst van de hennepplanten, op basis van het een negatief-wettelijk stelsel dat alleen methodologisch is ontwikkeld?
1. Vrijspraak
2. OVAR
3. Veroordeling
4. Niet ontvankelijkheid van het OM
Welke stelling is onjuist?
1. Alle feiten waarop de rechter zich baseert in zijn einduitspraak behoeven bewijs.
2. De verdachte heeft het recht te zwijgen, dit is geen verklaring maar kan door de rechter wel worden meegenomen in de beoordeling.
3. Als de verdachte een verklaring aflegt, en later iets zegt wat tegenstrijdig is met de 1e verklaring, heeft de verdachte het recht om de 1e verklaring in te trekken.
4. Als een verklaring uit meerdere delen bestaat, kan het worden gesplitst, waarbij slechts een deel van de verklaring als bewijs dient. Bij splitsing mag er geen sprake zijn van denaturering.
Als een deskundige een verklaring aflegt, en daarin ook vertelt over bepaalde waarnemingen die hij zelf heeft gedaan die voor het bewijs kunnen worden gebruikt, zal hij worden beëdigd als:
1. deskundige
2. getuige
3. 1+2
4. hij hoeft niet beëdigd te worden.