het opstijgen
l’envol (masc)
uitwerpselen, mest
les déjections (fem)
vuil maken, bevuilen
salir
voorstad, buitenwijk
le faubourg
slechts
ne que
lachen, lol
se marrer
behalve, bovenop
outre
ook, tevens, bovendien
également
veel, behoorlijk, niet slecht
pas mal
de zeis
la faux
verpesten, bederven, verknoeien
gâcher
viltstiften
le feutre
dan, toen, waarom, nu, dat
alors
de leiding
aux commandes
waarschuwen, verwittigen
prévenir
breken
briser
snijden, knippen
couper
denken, overwegen
songer
schijnen
luire
glanzend, glimmend
luisant
kap
la capuche
acuut
aigu
doorlopen, doorbladeren, bladeren, navigeren
parcourir
maaien
faucher