krassen, (zich) krabben
se gratter
bovendien, meer, daarnaast
de plus
beestje
une bestiole
piepen, gillen
couiner
voorkomen, tegenhouden
empêcher
strekken, streven
tendre
hangen, ophangen, vasthouden
accrocher
opscheppen
frimer
voor alles
à quoi que ce so
in werkelijkheid
en fait
belast met
chargé
absurd
saugrenu
geleerden, rangen
les rangs
smeden
échafauder
opstellen, uitwerken, formuleren
élaborer
ongehoord
inouï
opduiken, ontstaan
surgir
kluis, grafkelder
le caveau
bekennen, toegeven,
avouer
hinderen, belemmeren
gêner
ijver, toewijding
assiduité
kamer, stuk, ruimte
pièce
geleidelijk, gaandeweg
au fur et à mesure
alleen, slechts
ne que