Week 11 Flashcards

(8 cards)

1
Q

Waar wordt van uit gegaan bij het bepalen van de waarde van de bezittingen en schulden?

A

Dat het bedrijf blijft bestaan, tenzij er gerede twijfel is over de juistheid van die veronderstelling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Belangrijkste faalreden van een onderneming

A

Misalignment van de bedrijfsmiddelen met de omgeving.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Gemiddelde vermogenskostenvoet (GVK)

A

Het gewogen gemiddelde van de preferente, concurrente en achtergestelde leningen en het eigen vermogen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Rendement

A

Risicovrije rente + risico-opslag (+ transactiekosten)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Verschaffen van eigen vermogen risicodragend of risicomijdend?

A

Risicodragend; de vermogensverschaffer weet van tevoren niet of hij het rendement zal behalen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Directe faillissementskosten

A

Kosten van de notaris, curator of andere juristen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Indirecte faillissementskosten

A

Costs of financial distress. Dit gebeurt wanneer publiek is geworden dat risico op faillissement bestaat waardoor consumenten, leveranciers en financierders zich anders gaan gedragen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Waardoor wordt de bestuursautonomie ingeperkt?

A
  • het vennootschappelijk belang
  • een tegenstrijdig belang
  • statutaire bepalingen
  • de financiële situatie van de onderneming
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly