Drie niveaus van motorisch functioneren
Motorische ontwikkeling = leeftijdgerelateerde veranderingen in bewegingsgedrag en de processen
die daaraan ten grondslag liggen.
1. Lichaamsfuncties, zoals spierkracht en mobiliteit van gewrichten
2. Activiteiten: basis motorische vaardigheden, zoals staan en lopen, en dagelijkse activiteiten,
zoals aankleden en eten.
3. Participatie: de deelname aan het maatschappelijk leven, zoals sporten bij een vereniging.
Cerebrale palsy (CP)
Cerebrale parese (CP) = houdings- of bewegingsstoornis als gevolg van een blijvende, maar niet erger wordende hersenbeschadiging die vóór 1 jaar is ontstaan.
- Leeftijdsgrens van 5 jaar voor de definitieve classificatie van CP.
Cerebrale palsy negatieve en positieve symptomen
Noem een motorisch functioneren meetinstrument
Coördinatieontwikkelingsstoornis/ DCD (Developmental Coordination Disorder)
Coördinatieontwikkelingsstoornis = meer problemen met het uitvoeren van dagelijkse activiteiten die
bewegingscoördinatie vereisen dan de verwachting a.d.h.v. leeftijd en intelligentie.
- Prevalentie DCD (Developmental Coordination Disorder): 5-20%; in de meeste onderzoeken is de prevalentie bij jongens 2-3x zo groot dan bij meisjes.
DCD criteria van DSM5 (4)
Types interventies bij DCD (2)
Wetenschappelijk vs diagnostische verklarende hypothese
Achterstand en stoornis
Interindividuele variabiliteit
Interindividuele variabiliteit = er zijn enorme
individuele verschillen tussen kinderen, bijv. in
het behalen van motorische mijlpalen >
vroege lopers zijn 8 maanden oud, late lopers
18 maanden. Als kinderen extreem langzaam zijn in het behalen van de mijlpalen, is dit mogelijk een voorspeller voor problemen in later motorisch en cognitief functioneren.
Intra-individuele variabiliteit
Intra-individuele variabiliteit = verschillen binnen een kind. De variabiliteit binnen een individu kan erg groot zijn bij de motorische ontwikkeling.
Ontwikkelingsstoornis onderkenning fases (3)
Meetinstrument VWO
Screeningsinstrumenten voor vroegtijdige onderkenning van motorische problemen
Van Wiechenonderzoek (VWO). Dit is een screeningsinstrument dat wordt gebruikt door
JGZ-artsen bij consultatiebureaus. Doelgroep: kinderen van 0-4 jaar. Drie domeinen: 1) Fijne
motoriek, adaptatie, persoonlijkheid en sociaal gedrag; 2) Communicatie; 3) Grove motoriek.
Meetinstrument ASQ
Ages and Stages Questionnaire (ASQ). Dit screeningsinstrument is een vragenlijst die
ingevuld wordt door ouders van risicokinderen. Dit zijn bijv. kinderen die geboren zijn met
een laag geboortegewicht of te vroeg zijn geboren. Met dit instrument worden de kinderen
gevolgd door een afname van de vragenlijst om de zoveel maanden. De vragenlijst richt zich
op 5 domeinen: grove motoriek, fijne motoriek, communicatie, problemen oplossen en
persoonlijk-sociaal domein.
Meetinstrument GM
General Movement (GM’s) is een observatiemethode voor het beoordelen van de kwaliteit
van spontane bewegingen bij risicokinderen tussen 0 en 3 maanden oud. Deze methode
gaat er vanuit dat wat we zien aan spontaan bewegingsgedrag een weergave is van de
integriteit van het centraal zenuwstelsel. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van dit
instrument is niet hoog, omdat verschillende mensen verschillende dingen zien.
Meetinstrument AIMS
Alberta Infant Motor Scale (AIMS) is een observatiemethode die gebruikt wordt door
kinderfysiotherapeuten bij risicokinderen van 0-18 maanden. Hierbij wordt gekeken naar de
spontane grove motoriek en motoriek na uitlokken van bewegingen. 58 items rond
buikligging, rugligging, zitten en staan. De functie van dit instrument is het discrimineren
tussen wel of geen achterstand/stoornis en het evalueren voor het in kaart brengen van de
motorische ontwikkeling. Een longitudinale afname is aanbevolen.
Meetinstrument BFMT
Motoriektest bij kleuters: Baecke-Fassaert (BFMT).
Diagnostiek bij kinderen met motorische beperkingen (2)
Binnen deze diagnostiek zijn twee soorten te onderscheiden:
- Motorische problemen bij kinderen met een aantoonbare neurologische afwijking:
o Centraal zenuwstelsel: cerebrale parese (CP), spina bifida (open ruggetje) of niet-
aangeboren hersenletsel (NAH) na trauma of ongeluk.
o Perifeer zenuwstelsel: problemen in transporteren van impulsen naar de spieren,
zoals spierziekte.
- Motorische problemen bij kinderen zonder aantoonbare neurologische afwijking.
o Licht motorische problemen (DCD: Developmental Coordination Disorder).
Classificatie naar TYPE bij kinderen met CP (3)
o Spastisch: kinderen hebben moeite met doelgericht bewegingen. Hoge
spierspanning.
o Dyskinetisch: kind heeft geen controle over bewegingen. Kind kan moeilijk stil zitten.
o Atactisch (hypotoon): gebrek aan evenwicht door een lage spiertonus.
Classificatie naar LOCATIE bij kinderen met CP (3)
o Hemiplegie: beschadiging aan één kant van de hersenen > één kant spasticiteit.
o Diplegie: alle vier de ledematen zijn aangedaan; vooral de benen.
o Tetraplegie: alle ledematen zijn aangedaan.
Classificatie naar ERNST bij kinderen met CP (5)
I. Loopt zonder moeite. Belemmeringen in hogere grofmotorische vaardigheden.
II. Loopt zonder hulpmiddelen. Belemmeringen in lopen buitenshuis (langere afstanden).
III. Loopt met hulpmiddelen. Belemmeringen in lopen van langere afstanden.
IV. Zelf voortbewegen met belemmeringen. Kind wordt vervoerd of gebruikt rolstoel.
V. Zelf voortbewegen is ernstig belemmerd, zelfs met gebruik van hulpmiddelen.