Bewustzijnstoestanden van een baby (6)
Huilgedrag (3x3x3?)
Pasgeborenen kunnen op verschillende manieren huilen. Daarmee kunnen ze verschillende gevoelens en behoeften duidelijk maken. Verschillend huilen roept verschil in verzorgingsreacties op. De hoeveelheid huilen neemt meestal pas met 3-4 maanden af. Een huilbaby is een baby die 3x3x3 huilt: 3 uur per dag, 3 dagen in de week, voor een periode van 3 weken.
Noem een aantal baby reflexen
Georganiseerde gedragspatronen. Soorten reflexen:
loopreflex, oogknipperen, rooting (= zoekbewegingen voor voeding), zuigen, grijpreflex, moro
(= schrikreactie).
Ontwikkelingsdomeinen bij het jonge kind (4)
Drie normeringen voor het beoordelen van gedrag: welk gedrag is (niet) goed/gewenst?
Onderzoeksinstrumenten bij jonge kinderen: Bayley Ontwikkelingsschalen
Gedragsobservatie en een test voor de mentale en
motorische ontwikkeling. De Bayley-III-NL heeft 3 domeinen: cognitie, fijne en grove motoriek
en taalbegrip en -expressie.
Onderzoeksinstrumenten bij jonge kinderen: Ages and Stages Questionnaire (ASQ).
Vragenlijst voor het monitoren van de ontwikkeling,
ingevuld door ouders of pedagogisch medewerker. Domeinen die behandeld worden:
problemen oplossen, grove motoriek, sociaal-emotioneel.
Onderzoeksinstrumenten bij jonge kinderen: Infant-Toddler Social Emotional Assessment (ITSEA).
Temperamentsvragenlijst die sociaal- emotionele competentie meet bij kinderen van 12-36 maanden (1-3 jaar).
Onderzoeksinstrumenten bij jonge kinderen: CBCL 11⁄2-5
Vragenlijst naar gedragsproblemen bij kinderen van 1;6-5 jaar. Beoordeling van internaliserende en externaliserende problemen en een totaalbeoordeling. Schalen: emotionele, angstig-depressieve en somatische klachten, teruggetrokken gedrag, slaap-, aandachts- en agressieve problemen.
Strange Situation Procedure
Strange Situation Procedure: situatie met stressoren (spelkamer, onbekende persoon, scheiding van ouder) voor het beoordelen van individuele verschillen in gehechtheidsgedrag.
Classificaties van gehechtheid (4)
Vermijdend (25%), veilig (65%), ambivalent (10%) en gedesorganiseerd gehecht.
Veilige hechting
Veilig gehechte kinderen vertonen een balans tussen exploratie en nabijheid zoeken. De opvoeder is een veilige basis bij stress en gevaar en bij scheiding van de opvoeder gaat het kind vaak huilen. Na geruststelling door de opvoeder wordt het spel hervat. Er heeft zich een vertrouwen in de verzorger ontwikkeld.
Vermijdende hechting
Bij vermijdend gehechte kinderen is de balans doorgeslagen naar exploratie van de omgeving. Er is geen veiligheid te vinden bij de opvoeder, dus huilt het kind weinig tot niet bij scheiding van de opvoeder. Bij hereniging van de opvoeder is er sprake van vermijding. Het kind vertoont quasi zelfvertrouwen.
Ambivalente hechting
Bij ambivalent gehechte kinderen is de balans doorgeslagen naar het zoeken van nabijheid. De opvoeder is een onvoorspelbare basis waardoor het kind zich te onveilig voelt om de omgeving te exploreren. Nabijheid leidt tot boosheid en het kind ervaart geen vertrouwen in de opvoeder.
Gedesorganiseerde hechting
Indicatoren voor gedesorganiseerde gehechtheid zijn: opeenvolgend vertonen van tegenstrijdige gedragspatronen; het gelijktijdig vertonen van tegenstrijdig gedrag; ongericht, onvolledige of onderbroken bewegingen en expressies; stereotype gedrag en een afwijkende houding; verstarren, stilhouden en zeer langzame expressies; directe indicatoren die wijzen op angst voor de opvoeder.
Model van Greenspan
Model van Greenspan: De verbinding tussen de cognitieve en emotionele ontwikkeling. Het organiserend vermogen om emotionele en cognitieve ervaringen op te nemen in stabiele patronen neemt toe met de leeftijd. Daarmee worden ook fasegebonden wensen, plezierbeleving, angst, nieuwsgierigheid en humor duidelijk.
Fases van model van Greenspan (6)
Assen bij diagnostiek 0-5 jarigen (5)
I. Primaire diagnose kind: slaapstoornissen, eetstoornissen, emotionele problemen.
II. Ouder-kind relatiestoornissen: mishandeling, boos, over/onderbetrokken, angstig.
III. Aandoeningen op lichamelijk, neurologisch, psychiatrisch en ontwikkelingsgebied: medische problemen, gezondheid. Anamnese en dossieronderzoek van belang.
IV. Psychosociale stressfactoren: gebrek aan veiligheid, bescherming en comfort.
V. Competenties: functioneel ontwikkelingsniveau: het behalen van de mijlpalen op essentiële domeinen in de ontwikkeling: emotioneel, sociaal-relationeel en cognitief functioneren, taal, sociale communicatie, motoriek en fysieke ontwikkeling.
Aan de hand van deze 5 assen kun je problemen ordenen en diagnosticeren bij jonge
kinderen.