week 4 Flashcards

(111 cards)

1
Q

Wat zijn de belangrijkste kenmerken van goed onderzoek?

A

Passende onderzoeksopzet, gedegen uitvoering, goede meetinstrumenten, hoge kwaliteit gegevens en geloofwaardige conclusies.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Waarom is een passende onderzoeksopzet cruciaal?

A

Omdat de opzet bepaalt of je de onderzoeksvraag valide en betrouwbaar kunt beantwoorden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat betekent ‘gedegen uitvoering’ in onderzoek?

A

Nauwkeurig werken, protocollen volgen en alle stappen transparant documenteren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat wordt bedoeld met ‘goede meetinstrumenten’?

A

Instrumenten die zowel betrouwbaar (consistent) als valide (meet wat het moet meten) zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoe draagt hoge kwaliteit van gegevens bij aan conclusies?

A

Goede data verkleint de kans op toevallige fouten en verhoogt de geloofwaardigheid van de resultaten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Definitie van betrouwbaarheid

A

De mate waarin herhaalde metingen onder gelijke omstandigheden dezelfde resultaten opleveren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Voorbeeld van betrouwbaarheid

A

Een weegschaal die bij drie opeenvolgende metingen steeds 70 kg aangeeft voor dezelfde persoon.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Kan een meting betrouwbaar maar niet valide zijn?

A

Ja, een weegschaal die consequent 2 kg te zwaar meet is betrouwbaar maar niet valide.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke soorten meetfouten beïnvloeden betrouwbaarheid?

A

Toevallige meetfouten (ruis) verminderen betrouwbaarheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hoe verhouden systematische meetfouten zich tot betrouwbaarheid?

A

Ze kunnen nog steeds consistente resultaten geven en dus een hoge betrouwbaarheid vertonen, maar verlagen de validiteit.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is test-hertestbetrouwbaarheid?

A

De mate waarin scores gelijk blijven wanneer dezelfde test na een tijdsinterval opnieuw wordt afgenomen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is paralleltestbetrouwbaarheid?

A

Consistentie tussen twee versies van een test die hetzelfde construct meten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is interne consistentie?

A

Mate waarin items binnen één test hetzelfde construct meten (bijv. Cronbach’s α).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is intercodeurbetrouwbaarheid?

A

Overeenstemming tussen verschillende beoordelaars of observatoren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Hoe bereken je test-hertestbetrouwbaarheid?

A

Met correlaties of percentage overeenstemming tussen de twee meetmomenten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Welke waarde van Cronbach’s α wordt vaak als ‘goed’ gezien?

A

≥ .70 wordt doorgaans als acceptabel beschouwd (afhankelijk van het onderzoeksdomein).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Definitie van validiteit

A

De mate waarin een meetinstrument het construct meet dat het beoogt te meten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Voorbeeld van validiteit

A

Een IQ-test meet daadwerkelijk cognitieve intelligentie in plaats van alleen taalvaardigheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Relatie tussen betrouwbaarheid en validiteit

A

Een instrument kan niet valide zijn als het niet betrouwbaar is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Welke soorten meetfouten beïnvloeden validiteit?

A

Systematische meetfouten (bias).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is constructvaliditeit?

A

De mate waarin de test aansluit bij het theoretische construct.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat is inhoudsvaliditeit?

A

De mate waarin alle relevante aspecten van het construct in het meetinstrument zijn opgenomen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wat is criteriumvaliditeit?

A

De mate waarin de test samenhangt met een extern criterium.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Wat is indruksvaliditeit (face validity)?

A

De indruk dat de test op het eerste gezicht logisch lijkt voor wat hij meet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Hoe meet je constructvaliditeit in de praktijk?
Door correlaties met vergelijkbare en niet-vergelijkbare constructen te berekenen.
26
Wat betekent een lage discriminant-validiteit?
De test overlapt te veel met een ander construct en meet dus niet zuiver. Hoge discriminant-validiteit → test meet iets unieks. Lage discriminant-validiteit → test meet (deels) hetzelfde als een ander construct → niet zuiver.
27
Wat betekent een lage convergente validiteit?
Als de convergente validiteit laag is: De test correleert zwak met andere tests die hetzelfde construct meten. De test meet dus waarschijnlijk niet goed wat hij zou moeten meten.
28
Wat betekent een hoge convergente validiteit?
Als de convergente validiteit hoog is: De test correleert sterk met andere, betrouwbare metingen van hetzelfde construct. De test meet dus het bedoelde concept goed.
29
Waarom is inhoudsvaliditeit vooral belangrijk bij vragenlijsten?
Omdat je wil dat alle belangrijke dimensies worden afgedekt, bijvoorbeeld alle symptomen van een stoornis.
30
Wat zijn toevallige meetfouten?
Onvoorspelbare schommelingen die gemiddelden niet structureel beïnvloeden en elkaar opheffen.
31
Wat zijn systematische meetfouten?
Structurele vertekeningen die gemiddelden beïnvloeden en niet vanzelf verdwijnen.
32
Hoe beïnvloedt bias de validiteit?
Bias introduceert een systematische afwijking waardoor je niet meet wat je beoogt.
33
Kan een instrument valide maar niet betrouwbaar zijn?
Nee, zonder consistentie kan een meting nooit echt geldig zijn.
34
Wat is de ideale situatie voor een meetinstrument?
Hoog betrouwbaar én hoog valide.
35
Welke strategie verhoogt zowel betrouwbaarheid als validiteit?
Gebruik duidelijke definities, gestandaardiseerde procedures en training van beoordelaars.
36
Wat is causaliteit?
Een oorzakelijk verband waarin een verandering in X leidt tot een verandering in Y.
37
Welke onderzoeksopzet is nodig voor harde causaliteitsbewijzen?
Een experiment met randomisatie en gecontroleerde manipulatie.
38
Waarom is randomisatie belangrijk voor causaliteit?
Het voorkomt dat groepen op voorhand structureel verschillen.
39
Wat zijn drie alternatieve verklaringen voor een verband?
Indirecte causale relatie (mediatie), common response (derde variabele beïnvloedt beide), confounding (storende factor).
40
Wat zijn aanwijzingen voor causaliteit zonder experiment?
Sterke samenhang, consistente bevindingen, dosis-responsrelatie, temporele volgorde (oorzaak gaat vooraf), plausibele verklaring.
41
Voorbeeld van dosis-responsrelatie
Hoe meer sigaretten per dag, hoe groter de kans op longkanker.
42
Welke conclusie volgt uit het geheel over onderzoeksopzet?
De kwaliteit van je onderzoeksopzet en metingen bepaalt de kwaliteit van je data en de kracht van je conclusies.
43
Wat is statistische inferentie?
Redeneren van een steekproef naar een populatie om uitspraken te doen ondanks onzekerheid.
44
Welke middelen gebruiken we bij inferentie?
Betrouwbaarheidsintervallen en significantietoetsen.
45
Welke drie veelgebruikte significantietoetsen zijn er?
z-toets, t-toets en chi-kwadraattoets.
46
Waarvoor gebruik je een z-toets?
Om het populatiegemiddelde te toetsen wanneer σ (populatiestandaarddeviatie) bekend is.
47
Wanneer gebruik je een t-toets i.p.v. een z-toets?
Als de populatiestandaarddeviatie onbekend is.
48
Waarvoor gebruik je een chi-kwadraattoets?
Voor relaties in kruistabellen met categorische variabelen.
49
Waarom voeren we een significantietoets uit?
Omdat we meestal alleen steekproefgegevens hebben en willen weten of een gevonden verschil niet op toeval berust.
50
Wat willen we met een toets weten?
Hoe bijzonder het steekproefgemiddelde is ten opzichte van het populatiegemiddelde.
51
Wat beschrijft een z-score?
De positie van een individuele score ten opzichte van het populatiegemiddelde.
52
Wat beschrijft een z-toets?
De positie van een steekproefgemiddelde ten opzichte van het populatiegemiddelde.
53
Wat is het verschil tussen populatieverdeling en steekproevenverdeling?
Populatieverdeling: verdeling van individuele scores; steekproevenverdeling: verdeling van steekproefgemiddelden.
54
Wat is het significantieniveau (α)?
De kans om H₀ onterecht te verwerpen; de vooraf gekozen grenswaarde voor p.
55
Wat is een veelgebruikte waarde voor α?
0.05 (soms 0.01 of 0.10, afhankelijk van het veld en de vraag).
56
Wat betekent p < α?
Het resultaat is statistisch significant; de steekproefgemiddelde is bijzonder.
57
Wat betekent p ≥ α?
Geen significant verschil; je behoudt de nulhypothese.
58
Waarom zijn grensgevallen altijd onzeker?
Omdat statistiek met kansen werkt; p is geen absolute zekerheid.
59
Welke stappen doorloop je bij een z-toets?
Onderzoeksvraag formuleren, Hypothesen opstellen (H₀ en H₁), Toetskeuze + α bepalen, Toetsstatistiek berekenen, p-waarde aflezen, p vergelijken met α, Inhoudelijke conclusie trekken.
60
Wat moet een onderzoeksvraag bevatten voor een z-toets?
Een duidelijke en toetsbare uitspraak over gemiddelden.
61
Wat is het verschil tussen eenzijdig en tweezijdig toetsen?
Eenzijdig: alleen groter of kleiner dan H₀. Tweezijdig: afwijking in beide richtingen.
62
Wat is de nulhypothese (H₀)?
Er is geen verschil tussen steekproefgemiddelde en populatiegemiddelde.
63
Wat is de alternatieve hypothese (H₁)?
Er is een verschil (tweezijdig) of een specifiek grotere/kleinere waarde (eenzijdig).
64
Met welke verdeling vergelijk je je steekproefgemiddelde?
Met de steekproevenverdeling onder H₀ (nulverdeling).
65
Hoe bereken je de z-statistiek?
𝑧 = (𝑥̄ − μ₀) / (σ / √n)
66
Wat betekent een hoge absolute z-waarde?
Het steekproefgemiddelde ligt ver van het populatiegemiddelde.
67
Hoe bepaal je de p-waarde voor een eenzijdige toets?
Zoek p rechts (of links) van de berekende z in de z-tabel.
68
Hoe bepaal je de p-waarde voor een tweezijdige toets?
Vind p aan één kant en vermenigvuldig met 2.
69
Waarom gebruik je 1 − p soms bij tabelwaarden?
Omdat z-tabellen vaak de linkerkans geven; voor een rechterstaart gebruik je 1 − p.
70
Wat is het verschil tussen beslissing en conclusie?
Beslissing: technisch H₀ verwerpen of niet. Conclusie: inhoudelijk antwoord op de onderzoeksvraag.
71
Voorbeeldconclusie (training zelfvertrouwen)
p = 0.02 < 0.05 → kinderen met training hebben gemiddeld een andere (hogere) score dan de populatie.
72
Hoe hangt een z-toets samen met een 95% betrouwbaarheidsinterval?
Als het populatiegemiddelde onder H₀ buiten het interval valt, is het resultaat significant bij α = 0.05.
73
Wat zijn de twee invalshoeken van dezelfde conclusie?
Z-toets: verschil toetsen. Betrouwbaarheidsinterval: schatting van μ beoordelen.
74
Wanneer is een z-toets realistisch?
Alleen wanneer μ en σ bekend zijn (bijv. grote normgroepen).
75
Wat doe je meestal als σ onbekend is?
Een t-toets uitvoeren.
76
Welke meetniveaus zijn vereist voor een z-toets voor gemiddelden?
De afhankelijke variabele moet minstens interval/ratio zijn.
77
Hoe beïnvloedt steekproefgrootte de z-waarde?
Grotere n → kleinere standaardfout → grotere |z| bij gelijk verschil.
78
Lagere power → grotere kans op een Type II-fout (ten onrechte H₀ niet verwerpen).
79
Wat betekent het als p exact gelijk is aan α?
Grensgeval; conclusie blijft onzeker en moet voorzichtig worden geïnterpreteerd.
80
Wat toetst een t-toets voor het populatiegemiddelde?
Of het steekproefgemiddelde significant afwijkt van een bekend populatiegemiddelde.
81
Welke twee vormen van onderzoeksvraag komen voor?
Tweezijdig: verschilt het gemiddelde? Eenzijdig: is het gemiddelde hoger of lager?
82
Wanneer gebruik je een t-toets in plaats van een z-toets?
Wanneer de populatiestandaarddeviatie (σ) onbekend is.
83
Wat is het verschil in aannames tussen z- en t-toets?
Z-toets veronderstelt een bekende σ; t-toets schat σ met de steekproefstandaarddeviatie s.
84
Waarom is de t-toets realistischer dan de z-toets?
Omdat σ zelden bekend is in de praktijk.
85
Wat is het gevolg van het schatten van σ door s?
Meer onzekerheid → bredere verdeling.
86
Hoe heet de verdeling die bij de t-toets wordt gebruikt?
De t-verdeling (Student’s t).
87
Wat bepaalt de breedte van de t-verdeling?
Het aantal vrijheidsgraden (df).
88
Hoe bereken je de vrijheidsgraden bij een één-steekproef t-toets?
df = n − 1.
89
Wat gebeurt er met de t-verdeling als n groter wordt?
Ze benadert de standaardnormaalverdeling (z).
90
Vanaf welke steekproefgrootte geldt ongeveer t ≈ z?
Bij n > 100.
91
Wat betekent een bredere t-verdeling voor de toets?
Je hebt een grotere t-waarde nodig om significantie te bereiken.
92
Welke stappen doorloop je bij een t-toets?
Onderzoeksvraag, Hypothesen, Toetskeuze + α, Bereken t-statistiek, Bepaal df, Lees p-waarde af (tabel), Vergelijk p met α, Trek inhoudelijke conclusie.
93
Wat moet je vooraf vastleggen?
Significantieniveau (α) en of je eenzijdig of tweezijdig toetst.
94
Wat is de nulhypothese (H₀)?
Het populatiegemiddelde is gelijk aan een specifieke waarde (μ₀).
95
Wat is de alternatieve hypothese (H₁)?
Het populatiegemiddelde is anders dan (of groter/kleiner dan) μ₀.
96
Wat is de formule voor de t-statistiek?
𝑡 = (𝑥̄ − μ₀) / (𝑠 / √𝑛)
97
Wat betekent een hoge |t|-waarde?
Het steekproefgemiddelde ligt ver van het populatiegemiddelde in standaardfouten.
98
Wat gebeurt er met t als de steekproef groter wordt (bij gelijk verschil)?
De standaardfout wordt kleiner → |t| wordt groter.
99
Hoe vind je de p-waarde bij een t-toets?
Gebruik df en zoek t in Tabel D (of software) voor de kans.
100
Waarom bevat Tabel D alleen positieve t-waarden?
Omdat de verdeling symmetrisch is; gebruik |t|.
101
Wat doe je bij een tweezijdige toets met de gevonden p?
Vermenigvuldig de eenzijdige p met 2.
102
Voorbeeld: t = –2.73, n = 25. Hoe bepaal je df?
df = n − 1 = 24.
103
Waarom krijg je vaak een p-waarde tussen twee grenzen in de tabel?
Tabel D geeft discrete grenswaarden; exacte p ligt ertussen.
104
Wanneer gebruik je een t-interval?
Wanneer σ onbekend is en je het populatiegemiddelde wilt schatten.
105
Wat is de formule voor een t-interval?
𝑥̄ ± 𝑡* × (𝑠 / √𝑛)
106
Wat is t in een t-interval?
De kritieke t-waarde bij C% betrouwbaarheid en df = n − 1.
107
Hoe lees je t af?
Gebruik Tabel D met gewenste C% en bijbehorende df.
108
Wat gebeurt er met het interval als n groter wordt?
Het wordt smaller, want de standaardfout daalt en t* nadert z.
109
Wat betekent een betrouwbaarheidsinterval dat μ₀ niet bevat?
Het resultaat is significant bij het gekozen α.
110
Wat is het verschil tussen t-toets en t-interval in conclusie?
Beide geven dezelfde conclusie; andere invalshoek (toets vs schatting).
111
Wat gebeurt er met dit verschil bij grote n?
Het verschil verdwijnt: t-kritiek ≈ z-kritiek.