2 Flashcards

(32 cards)

1
Q

Wat is de definitie van overgewicht?

A

Overgewicht wordt gedefinieerd als een BMI tussen de 25 en 29,99

BMI staat voor Body Mass Index, berekend als gewicht gedeeld door lengte in het kwadraat.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is de definitie van obesitas?

A

Obesitas wordt gedefinieerd als een BMI van meer dan 30

BMI is een maat voor het bepalen van overgewicht en obesitas.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat zijn kritiekpunten van het gebruik van de Body mass index (BMI)?

A
  • Niet toepasbaar voor alle bevolkingsgroepen
  • Minder accuraat bij erg kleine of lange mensen
  • Mensen met veel spiermassa
  • Zwangerschap en borstvoeding
  • Andere afkapwaarden voor ouderen en Aziaten
  • Belang van vetlocatie op het lichaam

BMI houdt geen rekening met vetdistributie, wat belangrijk is voor gezondheidsrisico’s.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke gezondheidsrisico’s van overgewicht/obesitas zijn er?

A
  • diabetes type 2
  • hoge bloeddruk
  • hart- en vaatziekten
  • metabool syndroom
  • verschillende vormen van kanker
  • galstenen
  • niet-alcoholische leververvetting
  • gewrichtsontstekingen
  • ademhalingsproblemen
  • menstruatiestoornissen
  • vruchtbaarheidsproblemen
  • psychische problemen
  • mobiliteitsbeperkingen bij ouderen

Overgewicht en obesitas verhogen het risico op diverse ernstige gezondheidsproblemen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn opvallende verschillen in obesitaspercentages tussen landen?

A
  • Noord- en Zuid-Amerika, Europa, en het Midden-Oosten hebben hoge percentages (≥30%)
  • Zuidoost-Azië en Western Pacific hebben lage percentages (9-10%)
  • Zuid-Afrika heeft 50% obesitas bij volwassen vrouwen, Ethiopië 11%
  • Malta, Hongarije, en Turkije hebben het hoogste percentage obesitas onder mannen in Europa (37%)

Verschillen in economische status, cultuur, en levensstijl kunnen deze variaties verklaren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat zijn enkele factoren die verschillen in overgewicht binnen Nederland kunnen verklaren?

A
  • Leeftijd (hogere percentages bij ouderen)
  • Opleidingsniveau
  • Economische positie
  • Beschikbaarheid van faciliteiten
  • Schoonheidsidealen

Regio’s met een hoger percentage ouderen vertonen vaak ook hogere percentages overgewicht.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke oorzaken/determinanten van obesitas worden genoemd?

A
  • genetische aanleg
  • eetcultuur
  • slaaptekort
  • darmflora
  • stress
  • medicijngebruik
  • crashdiëten
  • bruin vetweefsel
  • meer eten dan nodig is
  • minder bewegen
  • mentale problemen
  • chronische stress

Er zijn tal van factoren die bijdragen aan het ontwikkelen van obesitas.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn enkele omgevingsfactoren die invloed hebben op eet- en beweeggedrag?

A
  • Fysiek: aanwezigheid van ongezond voedsel
  • Economisch: goedkoop ongezond voedsel
  • Politiek: wetgeving omtrent voedselreclame
  • Sociaal-cultureel: associatie van ongezond eten met gezelligheid

Deze vier omgevingen worden vaak gebruikt om de obesogene omgeving te bespreken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke maten gebruikten de onderzoekers om een voedselomgeving te karakteriseren?

A
  • Food environment healthiness index (FEHI)
  • Score op basis van gezondheid van voedselverkooppunten
  • Optelling van scores binnen 500 of 1000 meter van een huis

Een hogere FEHI-score wijst op een gezondere voedselomgeving.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat waren de belangrijkste bevindingen van het onderzoek naar voedselomgevingen?

A
  • Mensen van niet-Nederlandse afkomst hebben een minder gezonde voedselomgeving
  • Meer fastfoodverkooppunten in hun omgeving
  • Geen verschil in eetpatroon ondanks ongezonde omgeving

Dit wijst op een complexere relatie tussen omgeving en eetgedrag.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Hoe verklaren de onderzoekers de tegenstelling in hun resultaten?

A
  • Voedselomgeving speelt mogelijk geen directe rol in voedselinname
  • Verschillende groepen gebruiken hun voedselomgeving anders

Bijvoorbeeld, beperkte vervoersmogelijkheden kunnen invloed hebben op eetgedrag.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Hoe verklaren de onderzoekers de kennelijke tegenstelling in hun resultaten?

A
  1. Voedselomgeving speelt mogelijk geen directe rol in voedselinname verschillen
  2. Verschillende groepen gebruiken hun voedselomgeving anders
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat zijn mogelijke verklaringen voor verschillen in voedselinname tussen groepen?

A
  1. Vervoersmogelijkheden
  2. Religieuze overwegingen
  3. Sociale normen binnen groepen
  4. Kosten van voedsel
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Welke interacties komen naar voren in de evaluaties tussen omgevingen?

A

Fysiek, economisch, sociaal-cultureel, politiek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat omvat de definitie van ‘built environment’ volgens de auteurs?

A

Alle gebouwen, ruimtes en producten gemaakt of aangepast door mensen. Beïnvloedt fysieke en sociale omgeving, gezondheid en kwaliteit van leven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Welke maten van built environment noemen de onderzoekers?

A
  • Land use mix
  • Street connectivity
  • Accessibility
  • Density measures
  • Safety
  • Aesthetics
  • Access to green/blue space
  • Transport provisions
17
Q

Wat is ‘land use mix’?

A

Gemengd gebruik van grond, verschillende typen landgebruik in een gebied

18
Q

Wat betekent ‘street connectivity’?

A

Verbindingen van straten en alternatieve routes tussen punten

19
Q

Wat houdt ‘accessibility’ in?

A

Bereikbaarheid van verschillende faciliteiten

20
Q

Wat zijn ‘density measures’?

A

Hoeveelheid activiteit binnen een specifiek gebied, zoals aantal huizen per vierkante kilometer

21
Q

Wat houdt ‘safety’ in de bebouwde omgeving in?

A

Veiligheid van de omgeving, aanwezigheid van voet- en fietspaden

22
Q

Wat beschrijft ‘aesthetics’ in de context van de bebouwde omgeving?

A

Hoe aantrekkelijk de buitenomgeving is

23
Q

Wat betekent ‘access to green/blue space’?

A

Beschikbaarheid van parken, bossen, rivieren in de buurt

24
Q

Wat houdt ‘transport provisions’ in?

A

Vervoersmogelijkheden in de buurt, zoals bus- of treinstation

25
Welke positieve relaties zijn er tussen built environment variabelen en MVPA?
* Commerciële centra * Groene omgeving * Gemengd landgebruik * Recreatiefaciliteiten * Bewoningsdichtheid * Stratenverbondenheid * Loopbaarheid
26
Welke variabelen zijn positief gerelateerd aan wandelen?
* Winkels die eten verkopen * Dichtheid van banen * Parken * Openbaar vervoer * Bewoningsdichtheid * Water in de buurt
27
Wat is een opmerkelijke bevinding m.b.t. groene omgeving en wandelen?
Wandelen is negatief gerelateerd aan een groene omgeving
28
Waarom is de interactie tussen omgevingen belangrijk voor kinderen?
1. Gedrag van kinderen is omgevingsgestuurd 2. Variëteit en complexiteit van omgevingen neemt toe 3. EBRB-gewoonten worden vaak vroeg gevormd
29
Welke drie typen interacties hebben de onderzoekers onderzocht?
* Interacties tussen typen omgevingen * Interacties tussen microsystemen * Interacties tussen omgevingsfactoren en persoonlijke karakteristieken
30
Wat concludeerden de auteurs over de interacties in kinderopvangsettings?
Relatief weinig onderzoek naar interacties; bewijs voor interactie tussen omgeving en kindkarakteristieken
31
Wat zijn de potentiële positieve effecten van fysieke activiteit in een groene/blauwe omgeving?
* Verhoogde motivatie en plezier * Minder vermoeidheid * Verbetering van gemoedstoestand en emoties
32
Wat zou een mogelijke onderzoeksvraag zijn voor vervolgonderzoek volgens Gubbels et al.?
Onderzoek naar interactie tussen gezinskarakteristieken en opvangkarakteristieken