MTE04 Flashcards

(47 cards)

1
Q

Welke factoren maken de lever bijzonder kwetsbaar voor toxische schade?

A

De lever ontvangt een groot deel van het bloed uit het maagdarmkanaal en metaboliseert veel xenobiotica, waardoor het vaak in contact komt met potentieel schadelijke stoffen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke belangrijke functies van de lever vergroten deze kwetsbaarheid?

A

Opslag van mineralen, glycogeen en lipiden; synthese van clotting factors en eiwitten; metabolisme van hemoglobineproducten, hormonen en xenobiotica; glucose- en nutriëntenhomeostase; cholesterolmetabolisme.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Waarom leidt opslag van mineralen in de lever soms tot schade?

A

Mineralen zoals ijzer en koper kunnen in hoge concentraties vrije radicalen genereren, wat oxidatieve schade veroorzaakt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Waarom is de lever ondanks zijn risico toch redelijk veerkrachtig?

A

De lever bezit een sterk regeneratievermogen waardoor beschadigd weefsel zich snel kan herstellen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat gebeurt er wanneer de schade te ernstig is voor regeneratie?

A

Dan ontstaat leverfalen, dat fataal kan zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Noem zeven belangrijke categorieën hepatotoxinen.

A

Alcohol, medicijnen, voedingssupplementen, toxische planten, schimmeltoxines, cyanobacteriële toxines, milieuvervuilers.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Waarom kunnen voedingssupplementen hepatotoxisch zijn?

A

Veel supplementen bevatten geconcentreerde bioactieve stoffen die in de lever worden gemetaboliseerd en reactieve metabolieten kunnen vormen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Welke soorten toxische planten veroorzaken vaak leverschade?

A

Planten met pyrrolizidine-alkaloïden omdat ze toxische metabolieten vormen die aan DNA en eiwitten binden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Waarom zijn schimmeltoxines gevaarlijk voor de lever?

A

Aflatoxinen worden door CYP450 omgezet tot zeer reactieve epoxiden die snel DNA-schade veroorzaken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hoe veroorzaken cyanobacteriële toxines leverschade?

A

Ze blokkeren hepatocyt-functies, veroorzaken massale necrose en leiden tot intrahepatische bloeding.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is ‘lethale synthese’?

A

Wanneer het oorspronkelijke molecuul niet toxisch is, maar tijdens Fase I metabolisme wordt omgezet in een reactief, schadelijk metaboliet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Waarom kunnen toxische metabolieten schade veroorzaken als ze niet snel worden geconjugeerd?

A

Ze accumuleren en veroorzaken oxidatieve schade, adductvorming met DNA/eiwitten en celdood.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is adductvorming?

A

Het covalent binden van reactieve metabolieten aan DNA of eiwitten, wat leidt tot dysfunctie en celschade.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Welke stoffen in membranen zijn gevoelig voor oxidatieve schade?

A

Poly-onverzadigde vetzuren in fosfolipiden van het celmembraan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is lipide-peroxidatie?

A

Oxidatieve beschadiging van membraanlipiden, waardoor de membraanintegriteit verloren gaat.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is een gevolg van lipide-peroxidatie voor de permeabiliteit van de celmembraan?

A

Verhoogde permeabiliteit doordat de structuur van het membraan wordt aangetast.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Hoe beïnvloedt lipide-peroxidatie de vloeibaarheid van het membraan?

A

De vloeibaarheid neemt af, waardoor membraanproteïnen minder goed functioneren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat gebeurt er met membraaneiwitten bij peroxidatie?

A

Ze kunnen inactiveren door oxidatieve schade of crosslinking.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat betekent verlies van polariteit in de context van membraanschade?

A

Hepatocyten verliezen hun apicale/basale oriëntatie, wat galstroom en transportprocessen verstoort.

20
Q

Welke drie zones worden onderscheiden binnen een hepatische lobulus/acinus?

A

Zone 1 (periportaal), zone 2 (midzonal), zone 3 (centrilobulair).

21
Q

Waarom is zone 3 het meest kwetsbaar voor toxische schade?

A

Hier bevindt zich de hoogste CYP450-activiteit én de laagste zuurstofspanning, wat leidt tot meer toxische metabolieten en minder detoxificatie.

22
Q

Welke enzymen domineren in zone 1?

A

Fase II enzymen zoals glutathion-conjugatie.

23
Q

Welke enzymen domineren in zone 3?

A

Fase I enzymen zoals CYP450, die reactieve metabolieten vormen.

24
Q

Hoe beïnvloedt bloedstroom de verdeling van schade in de lever?

A

Bloed stroomt van zone 1 naar zone 3; toxische metabolieten en zuurstofdalingen treffen zone 3 eerst.

25
Welke rol speelt glutathion bij bescherming tegen levertoxines?
Het bindt en neutraliseert reactieve metabolieten; bij uitputting ontstaat ernstige oxidatieve schade.
26
Wat is necrose in de lever?
Ongecontroleerde celdood door toxische schade, vaak centrilobulair.
27
Wat is hepatatische steatose?
Vetophoping in hepatocyten door verstoord lipidenmetabolisme.
28
Wat is steatohepatitis?
Steatose gecombineerd met ontsteking en hepatocellulaire schade.
29
Hoe ontstaat fibrose?
Chronische schade activeert stellaatcellen die collageen afzetten in het leverweefsel.
30
Wat is cirrose?
Vergevorderde fibrose met nodulaire regeneratie, leidend tot verlies van leverfunctie.
31
Wat is neoplasie als gevolg van toxische leverschade?
Ontwikkeling van levertumoren door DNA-adductvorming, mutaties en chronische ontsteking.
32
Wat betekent ophoping van pigment?
Depots van lipofuscine, ijzer of bilirubine door verstoord metabolisme of celbeschadiging.
33
Welke rol speelt de lever in het cholesterolmetabolisme?
Synthese van cholesterol, regulatie van transport en vorming van galzuren.
34
Wat is de rol van de lever in nutrient homeostasis?
Reguleert glucose (glycogenese/glycogenolyse/gluconeogenese), aminozuurmetabolisme en vetmetabolisme.
35
Waarom dragen sommige medicijnen bij aan levertoxiciteit?
Ze worden sterk door CYP450 gemetaboliseerd, waarbij reactieve of toxische metabolieten ontstaan die zone 3-hepatocyten beschadigen.
36
Waarom moeten veel farmaca eerst worden gebiotransformeerd voordat ze kunnen worden uitgescheiden?
Omdat veel farmaca lipofiel zijn en anders worden teruggeresorbeerd; biotransformatie maakt ze hydrofiel en uitscheidbaar.
37
Waar in het lichaam vinden de meeste biotransformatieprocessen plaats?
In de lever.
38
Wat gebeurt er tijdens Fase I-biotransformatiereacties?
Er wordt een functionele groep geïntroduceerd of onthuld via oxidatie, reductie of hydrolyse.
39
Welke soorten Fase I-metabolieten kunnen ontstaan op basis van hun activiteit?
Inactief, actief, toxisch of een prodrug die wordt omgezet in een actieve stof.
40
Welke enzymfamilie is verantwoordelijk voor de meeste Fase I-reacties?
De cytochroom P450 (CYP450) enzymen.
41
Wat gebeurt er tijdens Fase II-biotransformatieprocessen?
Het metaboliet wordt geconjugeerd met een grote polaire groep, waardoor het wateroplosbaar en inactief wordt.
42
Noem de belangrijkste soorten Fase II-reacties.
Glucuronidering, sulfatering, acetylering, methylatie, glutathion-conjugatie en aminozuurconjugatie.
43
Welke Fase II-reacties zijn gebrekkig bij de kat, hond, varken en herbivoren?
Kat: slechte glucuronidering; hond: slechte acetylatie; varken: beperkte sulfatering; herbivoren: meer glucuronidering en minder acetylatie.
44
Welke factoren beïnvloeden biotransformatie bij dieren?
Diersoort, leeftijd, geslacht, genetische variaties, voeding/microbiota en ziekte.
45
Wat is het first-pass-effect?
De metabolisatie in de darmwand en lever na orale toediening vóór het bloed de systemische circulatie bereikt.
46
Wat is entero-hepatische recirculatie?
Een metaboliet wordt via gal uitgescheiden, door bacteriën gedeconjugeerd en opnieuw opgenomen, wat uitscheiding vertraagt.
47
Wat zijn de gevolgen van remming of inductie van biotransformatie-enzymen?
Remming: hogere spiegels, meer toxiciteit. Inductie: snellere afbraak, lagere werkzaamheid, mogelijk meer toxische metabolieten.