WC05 Flashcards

(51 cards)

1
Q

Welke hoofdrol speelt de lever in het metabolisme bij herkauwers?

A

De lever is essentieel voor gluconeogenese; herkauwers zijn grotendeels afhankelijk van levergluconeogenese voor hun glucosevoorziening.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Waarom kunnen primaire leverziekten lijken op aandoeningen van andere organen?

A

Omdat leverdisfunctie andere orgaansystemen beïnvloedt waardoor secundaire symptomen ontstaan. (bijv. hepato-encefalopathie).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is niet-specifieke reactieve hepatitis?

A

Een leverontsteking die ontstaat als reactie op (endo)toxinen, vaak aangevoerd via het poortaderbloed bij ontstekingen in het splanchnicusgebied.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Waarom kunnen bloedwaarden bij reactieve hepatitis lijken op die van primaire leverziekten?

A

Omdat leverenzymen en andere leverparameters vergelijkbaar kunnen afwijken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Noem een voorbeeld waarbij PU/PD zowel bij primaire als secundaire leverbetrokkenheid voorkomt.

A

Bij honden met primaire leverziekte maar ook bij Cushing en maligne lymfoom met secundaire leverbetrokkenheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waarom is interpretatie van bloeduitslagen bij leverziekten complex?

A

Omdat afwijkingen primair uit de lever kunnen komen of secundair door andere orgaansystemen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Noem vijf veelvoorkomende aspecifieke klinische verschijnselen bij leverziekten.

A

Apathie lusteloosheid verminderde eetlust vermageren diarree.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Bij welke diersoorten komt braken voor bij leverziekten?

A

Bij monogastrische dieren behalve het paard en vogels.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke verschijnselen wijzen op portale hypertensie?

A

Ascites splenomegalie collateraalvorming en hepato-encefalopathie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welk klinisch verschijnsel is relatief specifiek voor leverziekten?

A

Icterus.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat zijn acholische feces en wanneer treden ze op?

A

Ontlasting zonder galkleurstof bij totale afsluiting van de galgang naar het duodenum.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke specifieke leververschijnselen ziet men bij vogels?

A

Geelgroene uraten, ascites, gezwollen buik, stollingsstoornissen, afwijkende snavel en nagels.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Waar is icterus het eerst zichtbaar bij lichamelijk onderzoek?

A

Aan de sclerae.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Waardoor kan geel plasma bij het paard ontstaan zonder leverziekte?

A

Door caroteen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat betekent icterus zonder zeer bleke slijmvliezen meestal?

A

Een primaire aandoening van de lever of galwegen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wanneer kan secundaire leverbeschadiging ontstaan bij hemolyse?

A

Door hypoxie met intrahepatische cholestase en verhoogd bilirubine-aanbod.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Bij welke aandoeningen is hepatomegalie typisch?

A
  • Veneuze stuwing
  • leververvetting
  • ziekte van Cushing
  • neoplasieën.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wanneer kan de lever verkleind zijn?

A

Bij chronische hepatitis en levercirrose.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is het verschil tussen stuwingslever en portale hypertensie?

A

Bij stuwingslever is veneuze afvoer belemmerd; bij portale hypertensie ligt de oorzaak in lever of portaal vaatbed en is de lever vaak klein.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Waarom is een te kleine lever moeilijk vast te stellen bij lichamelijk onderzoek?

A

Omdat dit afhankelijk is van diersoort en vaak niet palpabel of percussieerbaar is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Welke organen zijn gestuwd bij portale hypertensie?

A

De milt en het maag-darmkanaal.

22
Q

Wat geven plasma-enzymen aan bij leverdiagnostiek?

A

Ze geven aan dat er celschade is maar zeggen niets over leverfunctie.

23
Q

Waarom is de halfwaardetijd van enzymen belangrijk?

A

Enzymen met lange halfwaardetijd blijven langdurig verhoogd zichtbaar bij geringe schade

24
Q

Waarom zijn sommige enzymen gevoeliger voor leverschade?

A

Door hoge concentratie en lokalisatie buiten celorganellen.

25
Waar komt alkalische fosfatase (AF) vooral vandaan in plasma?
Uit lever- en galgangepitheel en uit bot.
26
Waarop wijst een verhoogde AF-waarde vooral?
Op cholestase of galwegproblemen.
27
Waarom is AF minder bruikbaar bij kat en vogels?
Door korte halfwaardetijd en lage concentratie in de lever.
28
Wat is bijzonder aan AF bij de hond?
Corticosteroïden induceren een hittestabiel AF-iso-enzym.
29
Waarom is γGT sterk leverspecifiek?
Het is gelokaliseerd in galgangepitheel en komt vrijwel alleen bij hepatobiliaire schade in plasma.
30
Bij welke diersoort is γGT het meest specifiek?
Bij het paard.
31
Waarom is AST niet leverspecifiek?
Omdat het in hoge concentraties in spierweefsel voorkomt.
32
Wanneer komt AST vrij in het bloed?
Bij celnecrose doordat het voornamelijk intramitochondriaal ligt.
33
Hoe onderscheid je lever- van spierschade bij verhoogde AST?
Door gelijktijdige bepaling van CK.
34
Waarom is ALT ongeschikt bij rund en paard?
Door zeer lage sensitiviteit voor leverbeschadiging.
35
Wat is de diagnostische positie van GLDH?
Een middenpositie tussen ALT en AST qua sensitiviteit en specificiteit.
36
Wanneer stijgt LDH vooral?
Bij uitgebreid celverval (lever, spieren, tumoren).
37
Waarom zijn galzuren functionele parameters?
Ze weerspiegelen leverfunctie en portale circulatie, niet alleen celschade.
38
Wat zijn de twee hoofdoorzaken van verhoogde galzuren?
Cholestase en portosystemische collaterale circulatie.
39
Waarom zijn galzuren vaak verhoogd bij chronische leverziekten?
Door slechte leverfunctie ondanks normale enzymwaarden.
40
Wat is het verschil tussen acute hepatitis en cirrose qua enzymen en galzuren?
Acute hepatitis: hoge enzymen normale galzuren; cirrose: normale enzymen hoge galzuren.
41
Waarom hoeft galzuurmeting niet postprandiaal te gebeuren?
Vastende galzuren zijn diagnostisch betrouwbaar.
42
Wanneer is ammoniak verhoogd?
Bij portosystemische shunts of fulminante hepatitis.
43
Waarom is ammoniak een specifieke en gevoelige parameter?
Omdat de lever normaal ammoniak zeer efficiënt omzet.
44
Waarom kunnen vastende katten hyperammoniëmie hebben zonder shunt?
Door argininegebrek bij vasten, vooral bij leververvetting.
45
Wat veroorzaakt hypoalbuminemie bij leverziekten?
Verminderde synthese door chronische leverdisfunctie.
46
Waarom ontstaat zelden oedeem door hypoalbuminemie?
Door de grote reservecapaciteit van de lever.
47
Wat is de meest voorkomende oorzaak van stollingsstoornissen bij leverziekten?
Verbruikscoagulopathie door diffuse intravasale stolling.
48
Welke parameter is het belangrijkst bij stollingsonderzoek?
Fibrinogeen.
49
Wat is de belangrijkste rol van bloedonderzoek bij leverziekten?
Vaststellen of er wel of geen leverziekte aanwezig is.
50
Waarom kan bloedonderzoek geen specifieke leverziekte diagnosticeren? En wanneer is bloedonderzoek wél diagnostisch doorslaggevend?
Door grote overlap tussen laboratoriumprofielen. Bij ziekten met specifieke bloedtesten zoals leptospirose.
51
Waarom is histologisch onderzoek cruciaal?
Omdat histologische afwijkingen meestal specifiek zijn voor lever- en galwegaandoeningen.