WC03 Flashcards

(41 cards)

1
Q

Wat is biest?

A

Biest is de eerste melk na geboorte, rijk aan antistoffen (IgG), groeifactoren, ontstekingsmediatoren, eiwit en vet, en minder lactose dan gewone melk.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is het belangrijkste verschil tussen biest, koemelk en poedermelk?

A

Biest bevat antistoffen en groeifactoren; koemelk is standaardvoeding; poedermelk bevat geen antistoffen en mist bioactieve stoffen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Hoeveel biest moet een kalf de eerste dag drinken?

A

Minimaal 6 liter (natuurlijk 10 liter). Het is essentieel binnen 24 uur vanwege de ‘open darm’ voor antistoffenopname.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Waarom verschilt poedermelkkwaliteit ondanks gelijke nutriëntensamenstelling?

A

Het hangt af van grondstofkwaliteit, type eiwitten (plantaardig slechter), vetkwaliteit en verhittingsschade (Maillard-reacties).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Noem een voordeel van koemelk boven poedermelk.

A

Het is natuurlijk zeer goed verteerbaar.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Noem een nadeel van koemelk.

A

Risico op ziekteoverdracht en wisselende samenstelling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Noem een voordeel van poedermelk.

A

Altijd constante samenstelling en lage infectiedruk.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Welk criterium kun je gebruiken om te bepalen of een kalf gespeend kan worden?

A

Opname van voldoende ruwvoer + brok en goede groei.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat moet er in de pens gebeuren om een kalf ‘tot herkauwer te maken’?

A

Ontwikkeling pensmicrobiota, penspapillen, grotere pensinhoud door ruwvoer, betere motiliteit en verdwijnen slokdarmsleufreflex.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hoe pas je het speenadvies aan bij een kalf dat op 1 maand ziek was?

A

Later spenen en langer melk geven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Hoe reageert een kalf met tympanie?

A

Onrust, persen, opgezette linkerflank, stoppen met eten, pijn, afwisseling tussen gasophoping en daling door stilvallende fermentatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

In welke cyclus komt zo’n kalf terecht?

A

Gas → pijn → verminderde motiliteit → minder fermentatie → minder VFA/gas → tijdelijk beter → na eten opnieuw gasvorming.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wanneer kan een Buff-trocar verwijderd worden?

A

Wanneer het kalf weer zelfstandig kan ructeren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Waaraan herken je dieren die langdurige kalvertympanie hadden?

A

Groeiachterstand, bolle buik, slappe buikwand, doffe vacht.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

vul schema in

A
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waarom is VFA-productie gunstiger voor microben dan lactaatvorming?

A

VFA’s zijn minder zuur, worden snel opgenomen en geven ATP. Lactaat verlaagt pH sterk en remt fermentatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Waarom ontstaan er drie VFA’s (acetaat, propionaat, butyraat)?

A

Verschillende bacteriesoorten gebruiken verschillende routes → houdt H⁺-balans stabiel.

18
Q

Waarom blijft pens-pH normaal relatief stabiel?

A

Snelle opname van VFA’s uit de penswand voorkomt verzuring.

19
Q

Wat zijn de twee hoofdveranderingen bij meer snel fermenteerbaar voer?

A

Propionaat ↑ en acetaat ↓ (butyraat iets ↓).

20
Q

Waarom daalt melkvet bij meer krachtvoer?

A

Minder acetaat/butyraat → minder vetprecursors.

21
Q

Waarom stijgt melkvolume bij meer krachtvoer?

A

Meer propionaat → meer glucose → meer lactose → trekt water aan.

22
Q

Wat is het totale resultaat van verhoogd krachtvoer?

A

Minder vetpercentage, maar meer liters melk.

23
Q

Wat kan pH in de pens onder 6 brengen?

A

Te veel krachtvoer, weinig ruwvoer, verhoogde lactaatproductie en dysbiose.

24
Q

Welke processen gaan nog door bij lage pH, en welke niet?

A

✔ Lactaatproductie gaat door; ✘ productie acetaat/propionaat/butyraat stopt; ✘ methanogenese stopt; ✔ VFA-opname verminderd maar aanwezig.

25
Wat gebeurt er met onbestendig eiwit (RDP)?
Microben breken het af tot ammoniak → microbieel eiwit → naar lebmaag/darm → verteerbaar.
26
Wat gebeurt met bestendig eiwit (RUP)?
Passeert de pens en wordt pas in lebmaag + dunne darm verteerd.
27
Wanneer is ureum in melk hoog?
Bij teveel ammoniakproductie door te weinig energie → eiwit wordt niet benut → ureum stijgt.
28
Welk proces is gestoord bij kleischijters?
Slokdarmsleufreflex functioneert niet → melk komt in pens.
29
Hoe kun je dit klinisch vaststellen? (Melk in pens)
Melkgeritsel in pens (auscultatie), afwijkende zuigreflex, symptomen van gisting.
30
Wat gebeurt er met melk in de pens?
Gisting, schuimvorming, gas, pH-daling → tympanie + slechte groei.
31
Wat is de therapie bij melk in de pens?
Pens spoelen met lauw water, dieet aanpassen.
32
Hoe wordt pensgas normaal afgevoerd?
Via ructus (boeren).
33
Welke twee vormen van tympanie bestaan er?
Vrij-gas-tympanie en schuimtympanie.
34
Hoe herken je schuimtympanie?
Sonde geeft geen vrij gas → schuim blokkeert cardia.
35
Waarom stopt gasafvoer bij schuimtympanie?
Schuim verstopt cardia → ructusreflex wordt niet geactiveerd.
36
Waarom ontstaat vrij-gas-tympanie bij liggende koeien tijdens geboorte?
Cardia wordt mechanisch geblokkeerd → gas kan niet ontsnappen.
37
Hoe leidt traumatisch reticulopericarditis tot tympanie?
Vergroeiingen/ontsteking → verminderde motiliteit → geen ructus → gasophoping.
38
Welk rantsoen geeft snelle fermentatie?
Krachtvoer/zetmeelrijk voer.
39
Welk rantsoen geeft langzame fermentatie?
Ruwvoer/vezelrijk voer.
40
Welk VFA is glucogeen?
Propionaat.
41
Welke VFA’s zijn lipogeen?
Acetaat en butyraat.