WC08 Flashcards

(43 cards)

1
Q

Wat is een enterotoxische E. coli en waar komt deze vandaan?

A

Een enterotoxische E. coli (ETEC) is een E. coli-stam die enterotoxinen produceert (zoals LT en ST) en afkomstig is uit de normale darmflora

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Waarom zijn jonge kalfjes juist gevoelig voor een klinische infectie met enterotoxische E. coli?

A

De brushborder en glycocalyxlaag zijn onderontwikkeld waardoor gastheereiwitten beter bereikbaar zijn en E. coli zich makkelijker kan hechten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Welke first line of defense voorkomt normaal dat pathogenen intact het darmlumen bereiken?

A

De maagzuurbarrière werkt op jonge leeftijd nog onvoldoende.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Waarom werkt deze first line of defense bij jonge dieren nog niet goed?

A

De fysiologische functie is nog onvolledig ontwikkeld bij neonaten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Welke negatieve gevolgen heeft dit voor jonge dieren?

A

Pathogenen kunnen makkelijker het darmlumen bereiken en een infectie veroorzaken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welke drie gastheerfactoren maken ETEC vooral pathogeen bij jonge dieren?

A

– Onvoldoende ontwikkelde darmbarrière
– Onvoldoende lokale immuniteit
– Onvoldoende passieve immuniteit via biest

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Waarom kan ETEC ook problemen geven bij iets oudere kalveren met een virale infectie?

A

Virale infecties beschadigen het darmepitheel waardoor ETEC zich makkelijker kan hechten en pathogeen wordt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Welk pathofysiologisch mechanisme veroorzaakt diarree bij coli-enterotoxicose?

A

Secretorische diarree.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat zijn kenmerken van secretorische diarree?

A

Actieve secretie van water en elektrolyten, weinig of geen mucosabeschadiging, diarree blijft bestaan ondanks vasten en waterige feces.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke enterotoxinen veroorzaken secretorische diarree bij ETEC?

A

LT, STa en STb.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Hoe veroorzaken ST-toxinen diarree op celniveau?

A

Door verhoging van guanylaatcyclase-activiteit, wat leidt tot verhoogd cGMP en stimulatie van water- en elektrolytsecretie en remming van Na⁺-absorptie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke elektrolyten worden vooral gesecreteerd bij ETEC-infectie?

A

Chloor (Cl⁻) en bicarbonaat (HCO₃⁻).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is het effect van ETEC-toxinen op Na⁺-absorptie?

A

Remming van natriumabsorptie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Welke ETEC-toxinen komen vooral bij varkens voor?

A

STb.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is het effect van verotoxinen bij varkens?

A

Beschadiging van enterocyten en endotheelcellen, met mogelijke systemische schade.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Welke histologische bevindingen verwacht je bij coli-enterotoxicose?

A

Intacte villi en crypten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Waarom zijn villi en crypten intact bij coli-enterotoxicose?

A

Omdat ETEC secretorische diarree veroorzaakt zonder structurele beschadiging van het darmepitheel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat betekent de isolatie van E. coli F5/F41?

A

Dat E. coli-stammen zijn aangetoond met fimbriale adhesinen F5 (K99) en/of F41, typisch voor ETEC bij neonatale kalveren.

19
Q

Waarom past E. coli F5/F41 bij de diagnose coli-enterotoxicose?

A

Deze adhesinen zorgen voor hechting aan enterocyten en kolonisatie zonder morfologische schade.

20
Q

Hoe hecht ETEC zich aan de darmwand?

A

Via fimbriale adhesinen aan enterocyten.

21
Q

Waarom heeft de aanwezigheid van E. coli in feces niet altijd klinische betekenis?

A

Omdat E. coli normaal voorkomt in de darmflora.

22
Q

Wanneer heeft E. coli in feces wél klinische betekenis?

A

Wanneer virulentiefactoren zoals fimbriae en toxinen worden aangetoond.

23
Q

Waarom richt diagnostiek zich niet op enterotoxinen zelf?

A

Omdat toxinen moeilijk aantoonbaar zijn; men toont daarom virulentiefactoren aan.

24
Q

Waarom kreeg dit kalf diarree en andere kalveren niet?

A

Door onvoldoende immuniteit en te late biestopname.

25
Welke rol speelt passieve immuniteit bij het ontstaan van coli-diarree?
Onvoldoende opname van maternale antistoffen verhoogt het risico op infectie.
26
Waarom zijn Hb en Ht verhoogd bij dit kalf?
Door uitdroging.
27
Waardoor ontstaat metabole acidose bij dit kalf?
Door verlies van bicarbonaat en vorming van D-lactaat.
28
Waarom is het kalium verhoogd in het bloed?
Door acidose en verminderde cellulaire opname van kalium.
29
Waarom is natrium verlaagd in het bloed?
Door verlies via diarree en verstoorde nierfunctie.
30
Waarom mag geen kalium in het infuus worden toegevoegd?
Omdat er al hyperkaliëmie is en risico op hartfalen bestaat.
31
Wat zijn de belangrijkste therapiedoelstellingen bij dit kalf?
– Herstel van vocht- en zuur-base balans – Bestrijden van de infectie – Behandelen van de diarree – Remmen van ontsteking – Opwarming
32
Waarom worden antibiotica parenteraal gegeven?
Omdat een deel van de kalveren bacteriëmie heeft.
33
Waarom kunnen kalveren met coli-diarree wel melk krijgen?
Omdat het darmepitheel intact is.
34
Waarom is het ziektebeeld bij coli-diarree ernstiger dan bij virale enteritis?
Door snelle en ernstige dehydratie.
35
Waarom is het behandelsucces bij coli-diarree groter dan bij virale enteritis?
Omdat het darmepitheel niet structureel beschadigd is.
36
Welke drie adviezen kunnen herhaling van ETEC voorkomen?
– Snelle en voldoende biestopname – Vaccinatie van moederdieren – Goede hygiëne rond het afkalven
37
Waar bevinden Clostridium perfringens-bacteriën zich in het milieu?
Als commensalen in de darm en in de omgeving.
38
Is Clostridium perfringens een primair of voorwaardelijk pathogeen?
Een voorwaardelijk pathogeen.
39
Welke toxinen veroorzaken schade bij C. perfringens?
Alfa-, bèta- en epsilon-toxinen.
40
Welk effect hebben deze toxinen op de darmwand?
Necrose, verhoogde permeabiliteit en verlies van vocht en eiwitten.
41
Waarom lopen goed groeiende lammeren extra risico?
Door voeding en antitrypsine waardoor toxinen niet worden afgebroken.
42
Wat is de meest betrouwbare diagnostische methode bij Clostridium-infecties?
Sectie met aantonen van darmlaesies en clostridia.
43
Wat is de belangrijkste preventieve maatregel tegen Clostridium perfringens?
Vaccinatie van ooien.