Voeding Flashcards

(40 cards)

1
Q

cruciale leeftijden voor voeding

A
  1. 0-2j
    - lengte & gewicht verdubbelt
    - nood aan veel calorieën
    - honger = wenen
    - niet voldaan = stuk ontwikkeling gemist dat je niet kan inhalen
  2. pubertijd
    - 2e periode van groei
    - nood aan 2-3k calorieën
    - niet voldaan = ontwikkeling vertraagd
  3. adolescenten
    - daling in ontwikkeling
    - minder behoefte
    - blijven eten = bijkomen & gezondheid daalt
  4. 60+
    - andere samenstelling = meer vet & minder spier
    - andere doelen = behoud van vet & spierweefsel
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

aanbod van eten

A
  1. geografisch beschikbaar
    - winkels in de buurt
    - industrie = wat is op de markt & wat is de inhoud hiervan vb: bewerkt voedsel
  2. manier ven verwerking
    - sommige stoffen beter in combinatie met bepaalde dingen
    - vb: wortels samen met vet = verhoogde opname beta-carotine = voorloper vit A
  3. voedingspatroon
    - gevolg van bovende 2
    - sterk geassocieerd met gezondheidsuitkomsten op lange termijn
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

obesogene omgeving

A
  1. omgeving
    - alle omgevingsfactoren = moeilijkste om aan te passen
    - mogelijkheden voor fysieke activiteit
    - aanwezigheid van fast food/nachtwikels
    - afwezigheid van gezonde winkels
  2. index
    - stijgen met 10 punten
    - 1% verhoogd cardiovasculair risico
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

optimale voeding

A
  1. definitie
    - evenwichte voeding
    - alle essentiële nutriënten in correcte verhouding
    - nodig voor optimaal functioneren
    - afh van persoon tot persoon & ziekte/gezondheid
  2. hulp van lichaam
    - homeostase = stabiele conditie
    - regio van homeostase = zone van inname dat geen impact heeft op verhoogd risico
    - door reacties & reserves
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

onvoldoene inname

A
  1. hemeorhesis
    - mechanismen die naar van de ene stabiele conditie evolueren naar de andere
    - vb: groei, zwangerschap, …
  2. adaptatie
    - wijziging van homeostase of homeorhesis
    - zonder verlies van functie
  3. accommodatie
    - wel verlies van functie
    - vb: anorexia nervosa
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

energiebehoefte

A

= TEE total energy expenditure

  1. resting energy expenditure
    - basaal
    - dieet
    - beïnvloed door genetica, eigenschappen individu & omgeving
  2. activity energy expenditure
    - spontane activiteiten
    - fysieke activiteit
    - beïnvloed door omgeving
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

energie behoefte met fysieke activiteit

A
  1. 2 soorten
    - additive = som op totale
    - constrained = som op totale maar totale daalt
  2. verklaring
    - lichaam compenseert op meer energie uitgave
    - rustmetabolisme daalt
    - hoeveelheid FA ≈ daling metabolisme
    - bemoeilijkt gewichtsverlies
    - gevolg = macronutriënten beter doseren naar wat nodig is
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

inschatten van energie

A
  1. meetmethoden
    - in/directe calorimetrie
    - dubbel gelabeld water
  2. berekenen
    - WHO REE formule 1985
    - harris & benedict REE formule 1918
    - Henry = 2005
    - Mifflin = BMI boven 25
    - meer dan 100 beschikbaar
  3. kleine verschillen = groot op lange termijn
    - energie gaat nooit verloren
    - alle energie zal eindigen als lichaamsgewicht of arbeid
    –> altijd controle via gewicht
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

inhoud van voeding

A
  1. energiebronnen
    - koolhydraten
    - eiwitten
    - vetten
  2. andere
    - water
    - micronutriënten = mineralen & vitaminen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

eigenschappen energiebronnen

A
  1. eiwitten
    - kcal/g = 4
    - eetlust onderdrukken = hoog
    - aanvullen reserve = laag
    - pathway om ander macronutriënt te vormen = ja
    - stimulatie tot auto-oxidatie = goed
  2. KH
    - kcal/g = 4
    - eetlust onderdrukken = medium
    - aanvullen reserve = laag
    - pathway om ander macronutriënt te vormen = ja
    - stimulatie tot auto-oxidatie = goed
  3. vetten
    - kcal/g = 9
    - eetlust onderdrukken = laag
    - aanvullen reserve = hoog
    - pathway om ander macronutriënt te vormen = nee
    - stimulatie tot auto-oxidatie = ondermaats
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

eigenschappen koolhydraten

A
  1. opslag
    - 350-400gram
    - bloedglucose
    - glycogeen = lever & spierweefsel
  2. essentiële bron voor
    - hersenen = geen voorraat dus afh van min tot min
    –> 120g/dag
    - niermergcellen
    - rode bloedcellen = 40g/dag
    - foetaal weefsel
    - melkklieren
  3. bijkomend effect
    - eiwitsparend effect
    - maximaal sparend indien combinatie van beide
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

inname van koolhydraten

A
  1. behoefte
    - 50-55%
    - max 10% uit disachariden
  2. glycemische index
    - hoeveelheid glucose in bloedbaan na inname 50g
    - opp onder curve tussen 0-120min
    - procentueel uitdrukken door 1 persoon
  3. classificatie van voedingsmiddelen volgens index
    - hoge GI > 70 vb: brood
    - gemiddelde = 55-70 vb: aardappel
    - lage < 55 vb: pasta
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

index toegepast op situaties

A
  1. gebruik maken van index voor sport
    - duursporten = voeding met lage score
    - korte/intensieve sporten = omgekeerd
  2. gebruik maken van index voor gezondheid
    - hoge index = hogere glycemische waarde
    - hogere insuline secretie
    - bij prediabetes = alreeds fluctuaties in glycemie die tot complicaties kunnen leiden
    - door schommelingen vaak ook hogere eetlust
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

eiwitten

A
  1. algemeen
    - belangerijk voor aanleveren van N
    - bij gezonde = 10%
  2. essentiële
    - fenylalanine & valine
    - leucine & isoleucein
    - threonine
    - histidine
    - lysine
    - troptofaan
    - methioninen
  3. semi-essentiele
    - arginine
    - glutamine & glycine
    - proline
    - cysteïne
    - tryosine
  4. niet-essentiele
    - alanine
    - aspragine & asparaginezuur
    - glutamine & glutamine zuur
    - proline
    - serine
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

N-balans

A
  1. stikstofbalans
    - verbuik van eiwitten bestuderen
    - som van inname & uitgave
    - minimale behofte inschatten
    - 1g N = 6,25g proteïnen
  2. bronnen van N
    - urine
    - stoelgang
    - braken
    - huidafschilfering
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

proteïneovervoeding

A
  1. algemeen
    - relatief tov. koolhydraten
    –> eiwitten als energiebron gebruiken
    - geen maximale grens opgesteld
  2. mogelijke problemen
    - overbelasting nieren
    –> kan bij alreeds gedaalde nierfunctie tot problemen zorgen
    - aanzienlijk verhoogde urine & calcium excretie
    - gestoorde uitscheiding urinezuur = jicht
    - zure zweetgeur
  3. mogelijkheid tot allergie = enige van 3 basisvoedingsstoffen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

vetten

A
  1. types
    - tricylglyceriden = glycerol + 3 vetzuren
    - cholesterol
    - fosfolipiden
    - sfingolipiden
    - fytosterol
  2. slechte vetten
    - korte ketenlengte
    - hard bij kamertemperatuur
    - gelinkt aan cardiovasculair risico
  3. goede vetten
    - lange ketenlengte
    - vloeibaar = olie
  4. visvetten = omega
    - gekweekte zalm = gevoederd
    - afname kwaliteit vetsamenstelling
    - iets meer vis eten
    - ook terug te vinden in walnoten & koolzaad/sojaolie
18
Q

dysplidemie

A
  1. vetovervoeding
    - coronaire hartziekten
    - obesitas
    - vormen van kanker
  2. opstapeling van lipoproteïnenconcentratie
    - xanthelasmen op oogleden
    - xanthomen in huid & pezen
    - hepatosplenomegalie = vergroting lever & milt
19
Q

3 basisbegrippen water

A
  1. lichaamwater
    - ter plaatse gehouden door membranen & huid
    - hierbinnen verplaatsen door diffusie & osmose
  2. compartimenten binnen eenheiden
    - celmembranen
    - capillaire membranen
  3. partikels in waterige oplossing
    - elektrolyten & proteïnen
    - concentratie & verdeling voorantwoordelijk voor interne verschuivingen
20
Q

water

A
  1. totaal lichaamswater
    - volwassenen = 60% gewicht
    - baby = 70+% gewicht
  2. rol van water
    - oplosmiddel
    - vervoeren nutriënten & afvalproducten
    - metabole reacties vb: hydrolyse proteïne
    - beschermen van gewrichten, ogen, foetus, …
    - regelen lichaamtemperatuur & bloedvolume
21
Q

dehydratatie

A
  1. types
    - isotoon = evenveel vocht als mineraal verlies
    - hypotoon = meer mineraal verlies vb: muco
    - hypertoon = meer vocht verlies vb: diabetes
  2. milde
    - dorstgevoel
    - sterk kleurende & ruikende urine
    - hoofdpijn & duizligheid
  3. matige tot erstige
    - verward
    - afname huidturgor
    - diepliggende ogen
    - spierkrampen
    - verlies eetlust
22
Q

vitamine A

A

= voorbeeld van balans

  1. inname
    - wortelen = betacarogenen
    - dierlijke vetrijke producten
    - nood aan 600mg per dag
    - maximaal 3000 retinol eenheden per dag
  2. risico bij afwijkingen
    - ondervoeding = nachtblindheid
    - overvoeding = toxisch voor foetus
23
Q

natrium

A
  1. algemeen
    - fysiologische behoefte niet gekend
    - schatting op 5g/dag
    - bij kinderen gecorreleerd per dag
    - komt vooral in kant-en-klare producten voor
  2. inname
    - te hoog = arteriele hypertensie
    - normaal overmaat kunnen uitscheiden
    - mensen met verhooge gevoeligheid = houden meer bij
    –> altijd bij leeftijd
24
Q

voeding bij pathologie

A
  1. iedere doelgroep
    - preventie
    - algemene principes
  2. obesitas
    - preventie = erg belangerijk want interventie is erg moeilijk
    - interventie
  3. mucoviscidose = interventie
25
preventie
1. voedingsdriehoek - overwegend plantaardige voeding - 300g groente & 150g fruit - vlees consumptie onder 120g 1. algemeen modellen - als sinds 1960 vb: klavertje 4 - probleem = lage compliance - vb: maar 8% eet 300g groente per dag 1. inname van fruit - hoogst bij kinderen & ouderen --> jongste groep van kinderen luistert nog! - bij tieners aller minst
26
vegetarisme bij kinderen
1. redenen van weiziging - vermoeden lactose intolerantie - digestieve problemen - huidproblemen 1. problemen - hypocalcemie & -natriemie - verlaagd hemoglobine 1. symptomen - vermoeidheid - achterstand gewicht & lengte - epileptische aanvallen
27
overgewicht
1. prevalentie belgie - 20% mannen - 30% vrouwen - kan volledig voorkomen/teruggedraait worden 1. chronische aandoeningen gecorreleerd = lagere levensverwachting - medisch - pyschologisch & sociaal - economisch 1. meten - niet enkel BMI - lichaamssamenstelling! - medische symptomen
28
obesitas bij kinderen
1. algemeen - eerste organisatie tijdens zwangerschap & eerste 1 levensjaren - verhoogd risico indien: 1. moeder - ondervoeding = globaal of nutriënt specifiek - overgewicht 1. zwangerschap - overdreven toename gewicht - hyperglycemie = kiezen voor voedingspatroon met lage glycemische index ≈ voedingsdriehoek - zwangerschapsdiabetes - roken 1. andere = snelheid gewichtstoename eerste 2 levensjaren
29
borstvoeding
1. algemeen - ideale voeding eerste levensjaar - voeding wordt gepersonaliseerd naar behoefte kind --> vb: warmer = meer vocht - elk maand borstvoeding heeft gunstig effect 1. overvoeden - moeilijk bij borstvoeding - zuigelingen voeding wel = geen aanpassing van inhoud & vaak doel om flesje leeg te drinken
30
vaste voeding bij kinderen
1. algemeen - vanaf hier adviezen volgen - investeringen terugverdienen op latere leeftijd 1. eiwitten - overvulling van eiwitten heeft hoger risico op overgewicht - pap met beperkte hoeveelheid vlees - fruit zo weinig mogelijk vervangen door yughurt
31
EBM therapie bij obesitas
1. doelen - verbetering gezondheid = preventie/verbeteren morbiditeiten - verbeteren lichaamssamenstelling = gewichtsdaling & vetvrijemassa verhogen 1. traject - consent vragen over gewicht - evaluatie van hun verhaal - adviezen over managment = eerst bij huisarts dan pas dietist - samen doelen opstellen - assiteren met facilitatoren & barrieres 1. EBM therapie - gedraginterventie - voedingsinterventie - fysieke activitieit - farmacotherapie - metabole & bariatische procedures
32
adviezen
1. bij huisarts - meer bewust worden over wat je eet - ook over omgeving, tijdstippen, ... van maaltijden 1. dietist - indien onvoldoende resultaat - specifiek voedingspatroon voorstellen
33
voedignsinterventies
= overlap mogelijk 1. CAT1 = verhogen van nutriënten densiteit 1. CAT2 = reductie energie-inname - individueel = streven naar 0,5kg afname per week - combinatie van CAT1 & 3 3. CAT3 = beperken van voedingsmiddelen of specifieke macronutriënten - populair maar minder gunstig
34
verhogen van nutriënten densiteit
1. DASH dietary approaches to stop hypertension - verlagen bloeddruk & verbeteren cardiale gezondheid - inname van producten rijk aan verzadigde vetzuren, suiker & zout - vaak combinatie met energiebeperking 1. mediteriaans dieet - koepel van plantaardige patronen - 10-20% gewichtsverlies - rest is door volhouden
35
bewerkte voeding
1. algemeen - ingrediënten lijst langer dan die dat nodig is - hoog in energie & laag in nurtiënten - toename BMI & gewicht - vooral probleem bij ultra-bewerkte voeding 1. NOVA classificatie - niet of minimaal - bewerkt culinair ingrediënt - bewerkt voedingsmiddel - ultra-bewerkte voedingsmiddelen 1. studie vergelijking - hogere calorie-inname - lager calorie verbuik voor verwerking = DEE - meer DEE bij KH & eiwitten - hogere snelheid van eten = meer Kcal per min
36
low calorie diets
1. algemeen - enkel op korte termijn - vaak relapse 1. LCD low calorie diets - meer dan 800kcal per dag - tussen 1200-1600 kcal per dag - vaak ook specifieke porties - combinatie conventionele voedingsmiddelen & maaltijd vervangers 1. VLCD very - minder dan 800kcal per dag - rigide maaltijdstructuur met hoofdzakelijk vervangers - vrije vetmassa sparend = 70-100g eiwitten
37
dieet producten
1. dieet producten - geclassificeerd vanaf 30% minder kcal - zegt ook niet volledige verhaal = vet/kh 1. light - vaak minder suiker - vervangen door suikeralcoholen = geen gezondheidsmeerwaarde - polyolen = 2kcal/g - hele product blijft energie rijk 2. gezonde producten in verwerkte producten - evidentie voor gezond product alleenstaand - vanaf gecombineerd met veel vetten & suiker = zelfde probleem
38
intermitterend vasten
1. definitie - geen voedselinname voor uren/dagen - 5/2 = 2 niet-opeenvolgende dagen geen voedsel inname - 16/8 = enkel eten gedurende 8u per dag 1. inname - water mag - geen of maximaal 25% van voeding 1. effecten - in literatuur geen evidentie - mogelijk circadiaansritme verstoord
39
beperking van macronutriënten
1. algemeen = onvoldoende evidentie op lange termijn 1. types - ketogeen dieet = koolhydraat arm & vetrijk - atkins dieet = koolhydraat arm & vet/eiwit rijk
40
medicatie
1. algemeen - injectie = semaglutiden - 10-20% daling initieel 1. nadelen - honger gevoel daalt - indien geen goede macronutriënten = ondervoeding - nood aan begeleiding met diëtist