Week 12 Flashcards

(26 cards)

1
Q

tethered spinal cord syndroom

A

5-jarig meisje met spina bifida, rolstoelafhankelijk, mictie en defecatie worden gereguleerd door middel van intermitterende katheterisaties en colonspoelen.

Afgelopen half jaar is de motorische functie van haar benen achteruitgegaan en kan ze niet meer lopen. Er is toegenomen urineverlies tussen de katheterisaties en het colonspoelen is minder succesvol.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Spina bifida neurogene blaasafwijking en behandeling (behoud van een goede nierfunctie)

A

Variërende uiting
Blaas: overactief, hypocontractiel, stug, reflux
Sluitspier: overactief, slap

dagelijkse catheterisatie
intermitterende catheterisatie en anti-cholinergicum.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Je bent kinderarts. Op de SEH zie je een 5 jarig meisje bekend met spina bifida. De meningomyelocele is operatief gesloten en zij heeft een ventriculoperitoneale drain, 4 weken geleden werd zij aan haar drain geopereerd.
Vanwege de blaas- en darmdysfunctie wordt zij intermitterend gekatheteriseerd en dagelijks wordt de darm gespoeld.
Zij heeft sinds 1 dag koorts tot 38,5 0C en heeft vanochtend na het opstaan flink gebraakt. Haar moeder vindt haar minder goed reageren en zij kan ook niet goed naar boven kijken. De hartfrequentie is 75/min en de RR bedraagt 130/85 mm Hg

Welke vier interventies maken deel uit van het meest aangewezen beleid op dit moment?

A
  1. bloedkweek en urinekweek afnemen
  2. bloedafname voor infectieparameters, transaminasen en nierfunctie.
  3. spoedconsult neurochirurg
  4. spoed CT scan hersenen en X-drainverloop
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Intermitterende katheterisatie in combinatie met anticholinerge medicijnen vormen de hoeksteen in de behandeling van neurogene blaasdisfunctie bij kinderen met b.v. spina bifida.
Welke receptor is belangrijk voor de motorische innervatie van de detrusor spier?

A

de muscarinerge receptor

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Patienten met neurogene blaasfunctiestoornissen worden regelmatig vervolgd door middel van een (video) urodynamisch onderzoek.
Welke urodynamische parameter is het belangrijkst voor de verdere behandeling?

A

maximale blaasdruk tijdens de vulfase

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Dwarslaesie op lumbale 4, wat is het effect voor de detrusorspier?

A

m. detrusor overactief

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke combinatie van functiestoornissen vormt een bedreiging voor die nierfunctie?

A

Overactieve blaas met hypertone bekkenbodem.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Welke afwijkingen van blaas en bekkenbodem passen bij een cerebrale leasie?

A

overactieve blaas met normotone bekkenbodem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke combinatie van functiestoornissen vormt GEEN bedreiging voor bekkenbodem?

A

slappe blaas met hypotone bekkenbodem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Gevolgen van:
- cervicale dwarslaesie
- thoracale dwarslaesie
- perifere zenuwschade

A

Cervicale dwarslaesie (bijv. CVA) -> timing uitgeschakeld -> spastische blaas/detrusor overactiviteit.

Dwarslaesie ruggenmerg (bijv. ongeval) -> timing + coördinatie weg -> overactieve blaas met discoördinatie tussen uretrale sfincter en detrusor spier. Gevaarlijke situatie met drukverhoging leidend tot nierschade! Geldt alleen voor complete dwarslaesie.

Infranucleaire dwarslaesie (S2-S3). Lage dwarslaesie/perifere zenuwschade (bijv. door radicale chirurgie in kleine bekken) -> complete motorische denervatie mits compleet -> slappe, grote blaas.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

LO afwijkingen die kunnen duiden op verstoorde blaasfunctie

A

LO:
- Haargroei op de rug (spina bifida operta)
- Schuine bilnaad
- Human tail
- Fistel
- Klompvoet
- Afgeplatte billen (sacrum agenesie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Verschil tussen constitutioneel mozaïek en somatisch mozaïek

A

Constitutioneel mozaïek: over hele lichaam. Risico kind is verhoogd.
Somatisch mozaïek: in 1 klompje cellen in het lichaam/tumor. Risico kind = niet verhoogd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Kiemcelmozaïcisme

A

Kiemcelmozaïcisme: foutje alleen in (een paar) geslachtscellen. Primordiële eicel. Bij bloedprikken kan je het niet vinden, dus denk je snel de novo. Noem je de novo o.b.v. kiemcelmozaïcisme bij 1 van beide ouders. Ontstaan tijdens embryologische aanleg.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

tanner stadia jongens

A

Tanner stadia: G (genitaal) P (pubesbeharing) A (okselbeharing 1-3)
1. Pre-pubertair
5. Volwassen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

wanneer start puberteit jongens?

A

Puberteit jongens is gestart bij testikelvolume van 4 ml of groter. Op gemiddeld 11,5 jaar.

9 jaar: pubertas praecox.
14 jaar: pubertas tarda

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wanneer is bij meisjes de puberteit gestart?

A

Bij meisjes is de puberteit gestart als de borstontwikkeling M2 is. Gemiddelde leeftijd 10 jaar en 7 maanden.
Praecox: 8 jaar.
Tarda: 13 jaar.

17
Q

Tanner stadia meisjes + hormonen

A

Meisjes: Tanner M (1-5), A(1-3) en P(1-5)

Oestrogenen zorgen voor borstontwikkeling, geproduceerd door ovaria.
Pubesbeharing door androgenen uit ovarium en bijnier.

18
Q

Pubertas praecox: centraal vs. perifeer.

A

Leeftijd 8 meisjes en 9 jongens.

Centraal: hersenen. LHRH (GnRH) test leidt tot hoge LH en FSH stijging.
Bij meisjes vaak centraal idiopathisch.

Perifeer: ovaria. LHRH (GnRH) test leidt niet tot LH en FSH stijging.

19
Q

Behandeling pubertas praecox

A

afhankelijk van oorzaak behandelen

Doelen behandeling:
Eindelengte preservatie (m.n. bij start <6 jaar)
Emotioneel-sociaal.

Praktisch: IM/sc-injecties elke 4-12 weken. GnRH agonisten. Continue afgifte GnRH leidt tot geen pulsatiel GnRH dus geen LH en FSH productie.

20
Q

Leeftijd menarche en relatie met borstontwikkeling

A

Leeftijd menarche: gemiddeld 13,2 jaar.
Vroeg: 11,5 jaar.
Laat: 14,5 jaar.

Tussen borstontwikkeling en menarche zit ongeveer 2,5 jaar.

21
Q

DD pubertas tarda

A
  • LHRH deficiënten
  • LH/FSH uitval
  • Prolactinom
  • Ondervoeding/’over’inspanning
  • Ovariaal auto-immuun (fragiele X, Turner) POI -> oestrogenen voor positieve effecten
  • Geen uterus
  • Hematocolpos
22
Q

Prader-stadia

A

Prader-stadia (virilisatie bij CAH)

Stadium 1
Alleen clitorishypertrofie
(Labia en vagina normaal)

Stadium 2
Clitorishypertrofie +
Begin fusie labia minora
Urogenitale opening nog apart

Stadium 3
Grotere clitoris (penisachtig)
Verdergaande labiale fusie
Één urogenitale sinus

Stadium 4
Bijna volledig mannelijke uitwendige genitalia
Scrotumachtig aspect
Urethra in urogenitale sinus

Stadium 5
Volledig mannelijk aspect
Urethra aan top (penisachtig)
Geen palpabele testes

23
Q

VUR gradaties

A

5 gradaties, gebaseerd op de bevindingen van een mictiecystogram (MCU of MCG).
Graad 1: VUR in de ureter, zonder dilatatie.
Graad 2: contrastmiddel komt tot in het pyelum, zonder dilatatie.
De hogere gradaties onderscheiden zich enkel in de mate van dilatatie van de nier en ureter.
Graad 3: ureter + pyelum met dilatatie
Graad 4: aanzienlijke reflux met duidelijke uitzetting van de ureter en het nierbekken (dilatatie) en verlies van de scherpe hoek van de nierkelken.
Graad 5: Er is een zeer grote dilatatie en kronkeling van de ureter, het nierbekken en de nierkelken. Het nierweefsel is vaak aangetast.

24
Q

Operaties bij:
Atresie (duodenum/jejunum)
Malrotatie (met volvulus)
Hirschsprung
Anorectale malformatie

A

Atresie (duodenum/jejunum)
resectie + primaire anastomose (evt. stoma)

Malrotatie (met volvulus)
SPOED laparatomie + derotatie darmen (Laddse procedure)

Hirschsprung
resectie aganglionair deel, an 2-3 mnd pull through laparoscopisch

Anorectale malformatie
fistel -> anusplastiek
GEEN fistel -> anusplastiek + tijdelijk colostoma

25
Embryologische ontwikkeling testes
1. SRY gen 2. + SOX9 - remt Wnt en RSPO1 3. + FGF9 - remt Wnt4 4. DMRT1 onderhoud testesontwikkeling - remt FOXL2 Wt - remt Wnt -> testes. FGF9 -> testis. Sertoli: AMH - remt Müllerse buizen Leydig: testosteron + stimuleert Wolff gangen DHT -> uitwendige mannelijke genitalia (penis)
26
Embryologische ontwikkeling ovaria
1. RSPO 2. + Wnt4 - remt SOX9 3. + FOXL2 Wnt4 + FOXL2 -> Müllerse buizen Verder: STAT3, Wnt1, bèta-catenine