Week 8 Flashcards

(66 cards)

1
Q

Big 4 perinatale morbiditeit

A
  1. Vroeggeboorte <37 weken (prematuriteit)
  2. Aangeboren afwijkingen
  3. Laag geboortegewicht < P10 (dysmaturiteit, SGA)
  4. Lage Apgarscore < 7 na 5 minuten (asfyxie)

Andere oorzaken perinatale sterfte: placenta afwijkingen, infecties.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Perinatale sterfte

A

Sterfte tussen 22 weken zwangerschapsduur en eerste 7-28 dagen postpartum.

en/of >500 gram geboortegewicht en/of >25 cm kruin-hiellengte (bij onbekende zwangerschapsduur).

Oorzaken op volgorde:
1: perinataal
2: foetaal
3: neonataal.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Respiratoir Distress Syndroom (RDS)

  • Etiologie
  • RF
  • Kliniek
  • Histologie
  • Therapie
  • Preventie
A

Tekort aan surfactant (type II pneumocyt) -> longen zijn niet luchthoudend. Stugge long door toename oppervlaktespanning. <28 weken bijna altijd, kan tot 34 weken.

RF: sectio caesarea, maternale diabetes, jongen, meerling.

Kliniek: tachypnoe, kreunen, intrekken, neusvleugelen, O2 behoefte.
X-thorax: witte longen.

Histologie: eosinofiele hyaliene membranen in alveoli. Plaque met fibrine en dode cellen op alveolaire septa -> verminderde gaswisseling.

Therapie: zuurstof + surfactant endotracheaal:
- tube
- MIST catheter (minimal invasive surfactant treatment).

Preventie: corticosteroïden maakt de kans op RDS kleiner bij dreigende vroeggeboorte.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Necrotiserende Enterocolitis (NEC)

  • Etiologie
  • RF
  • Kliniek
  • Therapie
  • Preventie
A

Etiologie:
- Korte zwangerschapsduur
- Laag geboortegewicht (hoe lager, hoe groter de kans)
- Circulatoire insufficiëntie (hypotensie).

Necrose, ulceratie, pneumatosis intestinalis (lucht in darmwand, gas geproduceerd door bacteriën op verkeerde plek) -> perforatie, peritonitis, sepsis.

RF: darmischemie, bacteriële kolonisatie en enterale voeding.

Kliniek: darm met kleurverschil, lucht in de buik (later stadium). Lig. falciforme zichtbaar bij veel lucht in buik. Kinderen 24-26 weken.
Terminale ileum, coecum, colon ascendens.

Therapie: AB en laparatomische resectie indien:
- Vrij lucht (perforatie)
- Verslechtering conditie
Lastig door instabiel, circulatoire insufficiëntie.

Preventie: moedermelk.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Intra-ventriculaire hemorragie (IVH)

  • Etiologie
  • Tijd van ontstaan
  • Kliniek
  • Gevolg
A

Bloedingen in hersenkamers. Vaten in germinale matrix zijn broos. Kamer raakt gevuld -> andere vaten dichtgedrukt -> infarct.

Vroeggeboorte (m.n. <28 weken, kan tot 34 weken), laag geboortegewicht, 90% ontstaat binnen eerste 72 uur.

Kliniek: vaak geen symptomen. Soms onrustig (= pijn), apneus, anemie, convulsies.

Gevolg: hemibeeld of negatieve invloed op cognitie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Bronchopulmonale dysplasie (BPD)

  • Etiologie
  • Kliniek
  • Histlogie
  • Diagnose
  • Beoordeling (wanneer en hoe)
  • RF
  • Lange termijn
A

Oudere prematuren (33-35 weken), geboortegewicht <1250 gram. Langdurige beademing -> chronische longschade. In eerste weken geen alveoli -> ontwikkeling met meer littekenweefsel, dikkere septa.

Kliniek: aanhoudende O2 behoefte en respiratoire ondersteuning, verhoogde ademarbeid, expiratoir piepen, rhonchi, crepiteren, matige groei (-> voeding calorisch verrijken).

Histologie: vermindering aantal alveoli met relatief onrijp beeld van longparenchym met grote simpele structuren. Emfyseem beeld: deel hyperinflatie en deel collabeert.

Diagnose: behandeling met >21% O2, gedurende minimaal 28 dagen.

Beoordeling mild-matig-ernstig BPD
- <32 weken: op gecorrigeerde leeftijd van 36 weken (post-menstruele leeftijd)
- 32(+) weken: tussen 28 en 56 dagen PML bij ontslag.

Milde BPD: geen extra zuurstofbehoefte.
Matig-ernstig: zuurstofbehoefte tot 30%
Ernstige BPD: zuurstofbehoefte (>)30%, CPAP of beademing.

RF: roken (!), klein geboortegewicht, pre-existente hypertensie, blanken.

Lange termijn: met O2 naar huis, meer zh/PICU opnames (vooral bij LWI), eerste jaren meer wheezing en chronisch hoesten, verminderde longfunctie, risico pulmonale hypertensie en COPD.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Prematuriteit is een lange termijn risicofactor voor…

A
  • HVZ
  • Hersenschade/cognitie (myelering en gyrering)
  • Psychiatrische aandoeningen (psychose en bipolair)
  • ADHD
  • Autisme
    Op suïcidepogingen GEEN sterke toename.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Verwekkers congenitale infecties:
- Transplacentair
- Opstijgende/vaginaal

A

Transplacentaire infecties:
- Listeria monocytogenes
- Toxoplasmose gondii
- CMV (cytomegalovirus)

Opstijgende infecties:
- GBS (groep B streptokokken)
- Escherichia coli
- Herpes simplex

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

TORCHES (kenmerken en afkorting)

A

Groep congenitale infecties die ernstige ontwikkelingsstoornissen kunnen veroorzaken.
- Dysmaturiteit
- Microcefalie
- Hepatosplenomegalie
- Icterus
- Anemie/trombocytopenie

T = Toxoplasmose
O = Other (HIV, parvovirus B19, VZV, HepB, Listeria)
R = Rubella
C = CMV
HE = Herpes simplex virus
S = Syfilis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

CMV als congenitale infectie

  • Kliniek
  • Lab
  • Diagnose
  • Behandeling + indicatie
A

Meest voorkomende congenitale infectie.

Vaak asymptomatisch!

Kliniek: prematuriteit, SGA, hepatosplenomegalie, petechiën/purpura, icterus, neurologische afwijkingen (microcefalie, hypotonie, convulsies, periventriculaire verkalkingen).

Lab: trombocytopenie, geconjugeerde hyperbilirubinemie, verhoogde transaminasen.

Diagnose: PCR CMV in urine en speeksel, detectie antistoffen.
Een positieve PCR voor leeftijd 21 dagen is bewijzend voor congenitale infectie (hierna kan verworven). Hielprik (afgenomen op dag 5) kan helpen.

Behandeling: ganciclovir
Indicatie: chorioretinitis, pneumonie, (neurologische schade/kalk).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Herpes simplex virus als congenitale infectie

  • 1 en 2 (transmissiekans)
  • Beloop
  • Kliniek
  • Diagnose
  • Behandeling + indicatie
A

HSV 1: labialis (lip).
HSV 2: genitalis. Vaak asymptomatisch bij volwassenen. Transmissiekans 50% (30% bij kruisantistoffen met HSV 1) via baringskanaal -> indicatie voor sectio.

Beloop:
Moeder bekend met HSV2 met opvlamming, vaginale bevalling, kind wordt gecontroleerd, PCR HSV na 24 uur, zo nodig behandeling.

Bij primaire infectie van moeder, infectie bij neonaat ernstiger, doordat:
- Geen antistoffen (nog niet bij kind)
- Hoge viral load

Kliniek: systemisch (week 1), CZS (2-3), huid/gen/mond (2).
Huid, brein (encefalitis), pneumonie, mortaliteit, morbiditeit.
VALKUIL: huid niet altijd aangedaan.

Diagnose: PCR (kweken) oropharynx.
Vroeger: Tzanck test huidlaesie met multinucleaire reuscellen met intranucleaire insluitsels, indien positief.

Behandeling: acyclovir.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Verwekkers van conjunctivitis neonatorum

A

Chlamydia trachomatis
Neisseria gonorrhoeae

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Tekenen + verwekkers sepsis/meningitis neonaat

A
  • Kreunen (soms fysiologisch, na sectio)
  • Grauw/slechte perifere circulatie
  • Temperatuurinstabiliteit
  • Apnoes/bradycardieën
  • Convulsies (denk aan meningitis!)
  • Weinig actief (let op wat ouders zeggen)

Verwekkers:
- (bèta-hemolytische) GBS
- E. coli
- (Listeria monocytogenes)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

RF infectie GBS + preventie

A
  • Vroeggeboorte (<37 weken)
  • PROM (>24 uur) Lang gebroken vliezen
  • Tekenen infectie bij moeder (sepsis)
  • Zware maternale kolonisatie = UWI
  • Vrouwen met eerder kind met GBS ziekte

Preventie GBS = maternale profylaxe. Bij risico kweken we de vrouw, als positief, behandelen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Klinische manifestatie GBS

A

Early onset (EOGBS) (75%)
- Dag 0-6 (90% eerste levensdag)
- Verticale transmissie
- Kreunen, apneu, pneumonie, shock, sepsis, meningitis (25%)

Late onset (25%)
- Dag 7- mnd 3 (piek 3-4 weken pp)
- Verticale EN horizontale transmissie (hygiëne, via handen)
- Sepsis, meningitis (75%)

Mortaliteit 5-10%

Morbiditeit 50% (meningitis!)
- ernstig (15-20%)
- hydrocephalus (11%)
- epilepsie (13%)

X-thorax lijkt op IRDS.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Placentapathologie

A
  • Te laag gewicht/insufficiëntie
  • Terminale villus deficiëntie
  • Pre-eclampsie
  • Solutio placentae
  • Intra-uteriene infecties
  • Chronische histiocytaire intervillositis (CHI)
  • Navelstrengproblemen

Controle pathologisch: volledigheid, adhesie bloedvaten foetale zijde.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Overrijpe placenta

A

Kleine vlokjes die groot contactoppervlak maken met maternaal bloed = compensatiemechanisme van een te kleine placenta. Daarbij reactie kind: niet-fysiologische erythroblastose.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Opstijgende vs. transplacentaire/hematogene infecties

A

Opstijgende infecties
- Chorioamnionitis, funisitis
- Meest frequent
- Bacterieel (soms gist Candida)
- Geboortekanaal
- Premature geboorte
- PROM

Hematogene (transplacentair)
- Viliitis
- TORCH complex

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Chronische histiocytaire intervillositis (CHI)

A

Histiocytaire ontsteking tussen de vlokken met aantasting daarvan. Maternopaternale immuunrespons.

Infectie perivilleuze trofoblast -> trofoblasten gaan kapot -> opruimreactie -> histiocyten.

  • Herhalingsrisico >80%.
  • Hoge kans op ongunstige zwangerschapsuitkomst (IUGR of IUVD)
  • Belangrijke overweging bij recidiverende miskramen.
    Histiocyten in vlokken is normaal, maar in intervilleuze ruimte is niet normaal.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Perinatale problemen t.g.v. aangeboren afwijkingen

A
  • Niet bekende hartafwijkingen
  • Nier- en diafragma afwijkingen leidend tot respiratoire insufficiëntie
  • Congenitale tumoren (zeldzaam)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Primaire longaandoeningen neonaat

A
  • Surfactant eiwit deficiënties
  • Alveolaire capillaire dysplasie
  • Persisterende pulmonale hypertensie van de neonaat (PPHN)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Sudden infant death syndrome (SIDS)

  • Definitie
  • Incidentie
  • Omgevingsfactoren
  • RF ouders
  • RF kind
A

Plotseling overlijden van een kind onder de 1 jaar (en niet in de 1e week), waarvan de oorzaak onverklaard blijft na grondig onderzoek, incl.
- Complete obductie
- Analyse van plaats van overlijden
- Review van klinisch geschiedenis

Zonder obductie noem je het een SUDI: sudden unexplained death in infancy).

Incidentie enorm gedaald door ‘back to sleep’ campagne.

Omgevingsfactoren
- Buikslapen
- Co-sleeping
- Hyperthermie
- Slapen op zacht oppervlak
- Knuffels in bed

RF ouders
- Jonge maternale leeftijd
- Roken en drugsgebruik van beide ouders
- Weinig of geen perinatale zorg
- Lage socio-economische status
- Kinderen kort op elkaar geboren

RF kind
- (Ex-)prematuren
- Jongen
- Meerling
- SIDS bij sib
- Voorgaande respiratoire infecties
- Hersenstamafwijkingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Farmacokinetiek kind - Absorptie
- Zuurgraad
- Passage
- Afbraak medicijnen
- Toedieningsweg

A

Absorptie is onvoorspelbaar en variabel.

  • Zuurgraad: pH maag is hoger (basischer bij kinderen), pas bij een jaar of 2 vergelijkbaar met zure van volwassene. -> hogere concentraties penicilline (zuur-labiel) in neonaten. Opname van zwakke zuren daalt.

Passage:
- Maagpassage is vertraagd tot 6-8 maanden. -> Opname van slecht wateroplosbare middelen daalt (-ine).
- Darmpassage neonaat is vertraagd (minder motiliteit/peristaltiek), van een peuter is versneld.

Verminderde afbraak van medicijnen:
- Metaboliserende enzymen -> piekspiegel medicatie. CYP enzymen mindere concentratie (= minder inactivatie van geneesmiddelen).
- Minder efflux transporters (P-glycoproteïne).
- Verminderde darmflora
- First-pass uptake door lever vertraagd (vooral zuigeling)

Toedieningsweg:
- Rectale absorptie -> geen first-pass uptake. Geen betrouwbare route. Nadeel: incomplete/wisselende resorptie, verlies via feces. Meest gebruikt voor pcm en benzodiazepines.
- Absorptie via de huid: lokaal toegepaste middelen leiden bij kinderen vaker tot systemische bijwerkingen dan bij volwassenen. Huidoppervlak is relatief groter -> bloedspiegel kan hoger zijn.
- Oplossing in vloeistof zorgt voor hogere bioavailability

GEEN ORALE MEDICATIE VOOR LEVENSBEDREIGENDE AANDOENINGEN BIJ NEONATEN

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Farmacokinetiek kind - Distributie
- Lichaamssamenstelling
- Eiwitbinding

A
  • Lichaamssamenstelling
    Kinderen van 6 mnd hebben relatief meer vet en lichaamswater t.o.v. volwassenen.
    -> wateroplosbare middelen bereiken minder hoge concentraties omdat het over een groter volume verdeelt.
  • Bij kinderen lagere eiwitbinding. -> snellere klaring, hogere vrije concentratie.
    Eiwitbinding , vooral aan albumine, bepaalt welk deel van een geneesmiddel (de vrije fractie) actief is, kan distribueren en worden gemetaboliseerd of uitgescheiden. Sterke binding (≥90%) vertraagt eliminatie en verkleint het verdelingsvolume, wat de werkingsduur verlengt en interacties kan beïnvloeden.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Farmacokinetiek kind - Metabolisme - Fasen - Genetische component - Ziekte
Wateroplosbare middelen: onveranderd uitgescheiden door de nier. Non-polaire, vetoplosbare middelen, in lever: - Fase I (oxidatie/reductie/hydrolyse) introduceert polaire groepen via CYP-enzymen. *Cytochroom P450 enzymfamilie, CYP3A is meest actieve lid en zorgt voor omzetting van 50% geneesmiddelen. In eerste levensjaar stijging in activiteit van alle enzymen. 5-15 jaar iets hogere activiteit dan volwassenen. - Fase II (conjugatie tot polair substraat) koppelt deze stoffen aan lichaamseigen moleculen (bijv. glucuronzuur, sulfaat, glycine) voor inactivering en uitscheiding. Genetische component, onafhankelijk van leeftijd: extended vs. poor metaboliser. Polymorfismen van CYP450. Ziekte -> hogere concentraties van geneesmiddel bij verhoogd CRP (factor 2,7) of orgaanfalen (1,5).
26
Farmacokinetiek kind - Eliminatie
Eerste maanden lagere nierfunctie. Vroeg neonataal snelle ontwikkeling van nierfunctie. Volwassen waarde eind 1e levensjaar. Tubulaire nierfunctie loopt achter. -> geneesmiddelen die m.n. renaal geklaard worden, dienen bij PEUTERS NIET LAGER gedoseerd te worden dan bij volwassenen.
27
Farmacodynamiek (gevoeligheid) kind - Receptoren - Bijwerkingen
Concentratie effect: minimaal effectieve concentratie (MEC) en minimaal toxische concentratie (MTC). Receptoren zijn nog in ontwikkeling, net als enzymen (CYP450). M.n. tricyclische antidepressiva werken minder goed bij kinderen, omdat receptor achterloopt in ontwikkeling (norepinefrine systeem). Bijwerkingen (soms specifiek) - Extrapiramidale verschijnselen bij metoclopramide (en antipsychotica) - (Sederende) antihistaminica en kans op wiegendood (m.n. onder 1 jaar) - Tetracyclines verkleuring tandmatrix (CI in leeftijd tandaanmaak) - Ciprofloxacine en gewichtsschade
28
Waarom anders doseren kinderen? Hoe omrekenen dosis medicatie?
M.n. door ontogenie (= ontwikkeling), anders dan alleen lichaamsgewicht en -oppervlak. Leeftijds en ontwikkelings-afhankelijke factoren. Dosis is even belangrijk als keuze geneesmiddel. Diagnose -> indicatie farmacotherapie -> keuze middel -> juiste kinderdosering (mg/kg, mg/m2) -> juiste toedieningsvorm. Schaal van Denekamp betrouwbaar vanaf 6 jaar. Kinderformularium! Vanaf 6-11 jaar kan een kind een vaste orale toedieningsvorm in zijn geheel doorslikken.
29
Aandachtspunten toedieningsvormen medicatie bij kinderen
- Hulpstoffen (middelen doorgaans slecht oplosbaar in water) Conserveringsmiddelen, oplosmiddelen, kleurstoffen, stabilisatoren, smaakstoffen, anti-oxidantia, geurstoffen. - Smaak en smakelijkheid Zuur, zout, zoet, bitter, umami Nasmaak Geur Textuur - Beschikbaarheid 30% chronische zieke kinderen moeten zelf geneesmiddelen manipuleren.
30
Anatomische verschillen tussen kinderen en volwassenen
Circulatoire effecten na baring: - Longen gaan werken - Foramen ovale - Ductus venosus (lever) - Ductus arteriosus (aorta en truncus pulmonalis)
31
Fysiologische verschillen kinderen en volwassenen
Kinderen: - Meest essentiële verschillen in respiratoire en circulatoire systeem - Respiratoir systeem ongunstige anatomie (neusademhaling, grote tong, kleinere diameter luchtwegen (macht 4), bronchus wand structuur: meer kraakbeen, premature cilia, minder glad spierweefsel, minder oppervlakte voor gaswisseling, ribben meer kraakbeen -> afhankelijk van diafragma, diafragma horizontale positie -> meer uitputting. - Lagere spierfunctie cardiaal, bloeddruk is lager, frequentie omhoog bij nood, spierkracht kan niet veel vergroten. - Hoog metabolisme. Meer calorieën, zuurtof, water nodig, door groot lichaamsoppervlak t.o.v. gewicht -> meer verdamping (ademen, zweten, + nodig voor groei) - Immuunsysteem: vooral in 3e trimester intra-uterien antistoffen van moeder, later via borstvoeding.
32
Verschillen ontstaanswijze van ziekte bij kinderen t.o.v. volwassenen - Oorzaken - DD/anamnese
Oorzaken: - Genetisch (familiair, de novo, congenitale afwijkingen, syndromen) - Biologisch (prematuriteit, geboortetrauma, infecties, chronische ziekten, hormonale afwijkingen) - Omgeving (in utero: ziekten en intoxicaties, voeding, sociaal milieu: status, hechting, emotioneel, oppas, kinderdagverblijf, school, contacten) DD/anamnese: - Leeftijdsspecifieke a priori kans (epidemiologisch voorkomen) - Ontwikkelingsfase/groei (unieke eisen per leeftijd) - FA heel belangrijk - Zwangerschapsanamnese - Non-verbale communicatie - LO
33
Groeifasen kind + beïnvloedende factoren
Intra-uteriene groei: - Maternale factoren - Foetale factoren - Placenta functie - IGF-I en IGF-II (door voeding en insuline beïnvloed) Groei in 1e jaar: - Groeisnelheid neemt af - Grote rol hormonen - Genen, gezondheid, voeding, omgeving Puberteit: - Groeispurt, groeihormoonproductie stijgt o.i.v. geslachtshormonen. Meisjes 20-25 cm, jongens 25-30 cm (later). 80% groei genetisch bepaald
34
Groeicurve interpreteren + wanneer verhoogde kans op pathologie
Target height (TH)+ range. TH berekend o.b.v. gemeten lengte biologische ouders. Minder betrouwbaar bij >20 cm verschil tussen ouders. Range is ±1.6 SD, ofwel ±9 cm rond TH. Aparte groeicurve voor etniciteit: Nederlands, Marokkaans, Turks, Hindoestaans, Chinees. Verhoogde kans op pathologie: - Groei afbuiging of versnelling (>1 SD herhaald gemeten) - Te kleine of te grote lengte (<-2/>+2 SD bij gemiddelde TH SD) - Groot verschil met streeflengte (>+1.6 SD)
35
Belang groeihormoon en IGF-I
- Lengtegroei, direct effect en m.n. via stimulatie productie IGF-I - Botdichtheid - Balans spier- en vetmassa - Cardiovasculaire gezondheid
36
DD primaire groeistoornissen + definitie
Primair: t.g.v. verstoorde regulatie van de groeischijf, door mutaties in genen die een rol spelen in intracellulaire mechanismen, paracriene signalen en de extracellulaire matrix. Vroege afbuiging met stabiele lengtegroei tot aan puberteit. Kinderen hebben vaak een conforme botleeftijd. Behandelen met groeihormoon. DD: - Kleine lengte: SGA geboorte zonder inhaalgroei, Turner-syndroom, Prader-Willi syndroom, Silver-Russel-syndroom, skeletdysplasieën (achondroplasie, SHOX haploinsufficiëntie). - Grote lengte: Klinefelter-syndroom, Marfan-syndroom.
37
DD secundaire groeistoornissen + definitie
Secundair: T.g.v. invloed van buiten op groeischijf. Endocriene stoornissen, chronische ziekte, onder/overvoeding. Aanvankelijke normale groei gevolgd door afbuiging. Kinderen hebben vaak een jonge botleeftijd. DD: - Kleine lengte: Endocriene stoornissen (tekort aan groeihormoon/schildklierhormoon, overmaat cortisol (Cushing). Chronische ziekte in orgaansystemen (hart, nierinsufficiëntie, darm (IBD, coeliakie), chronische anemie, astma). Leukemie NIET. Iatrogeen: glucocorticoïden, bestraling. Emotionele deprivatie. Malnutritie. - Grote lengte: pubertas praecox
38
Screenende diagnostiek bij groeistoornis
Screenend diagnostisch: Anemie/infecties Alle kinderen: Hb, hematocriet, erytrocyten, indices. Kinderen >10 jaar: BSE/CRP, leukocyten differentiatie en feces calprotectine. 1. Coeliakie: IgA, anti-tissue transglutaminase (anti-TtG) 2. Hypothyreoïdie: vrij T4 en TSH 3. Renaal/malabsorptie: kreatinine, natrium, kalium, calcium, fosfaat, alkalisch fosfatase. 4. GH-deficiëntie: IGF-I (<3 jaar IGFBP-3 en bloedgas) 5. SNP-array ter uitsluiting van Turner-syndroom (bij meisjes) NIET: piek groeihormoon bij stimulatie
39
Werking groeischijf
Lengtegroei vindt plaats aan het uiteinde van botten. Proliferatie en hypertrofie kraakbeencellen + uitscheiding van ECM door uitgerijpte kraakbeencellen -> enchondrale ossificatie -> lengtegroei. M.n. in lange pijpbeenderen en rug. Beïnvloed door veel factoren: hormonen, genen, voeding, chronische ziekte, medicatie.
40
Definitie te kleine/grote lengte
Lengte < of < 2 SD voor leeftijd en geslacht, uitgaande van de referentiepopulatie
41
Groeicurve te kleine lengte: 1. Anamnese, LO, AO normaal met -1.5 SD 2. Korte lengtegroei, met Madelung deformiteit aan de pols. 3. Soms al lichte lengte-achterstand vanaf geboorte, groeicurve met geleidelijke afbuiging naar beneden, vaak zichtbaar vanaf ongeveer 4 tot 6 jaar. 4. SGA-geboorte, met ernstige groeivertraging na geboorte (-1 tot -2 SD) 5. Kleine lengte met progressieve afbuiging (zichtbaar vaak na 6-12 maanden), -3 tot -4 SD. 6. Eerst normale curve, met later plotse afbuiging naar -2 SD of minder (+ gewichtstoename). 7. Eerst normale curve, met later plotse afbuiging, met nauwelijks puberteitsontwikkeling.
1. Familiair kleine lengte 2. Primaire groeistoornis, SHOX haploïnsufficiëntie. 3. Syndroom van Turner 4. Silver-Russel syndroom 5. Groeihormoon deficiëntie 6. Hypothyreoïdie, Cushing 7. Chronische (darm)ziekte
42
Groeihormoon niveaus van afwijking (evt. congenitaal)
1. Hypofyse (niet goed aangelegd/tumor) -> geen aanmaak GH 2. Lever: groeihormoon resistentie (geen binding aan receptor) 3. IGF-I deficiëntie (kan niet binden aan receptor). Extreem kleine kinderen, vertraagde botrijping -> achterlopende skeletleeftijd. Meer vet, minder spiermassa.
43
Schildklierhormoon functies
- Lengtegroei - Hersengroei/neurologische ontwikkeling - Stofwisseling: thermogenese, aminozuur- en vetmetabolisme.
44
Groeicurve te grote lengte 1. Anamnese, LO, AO normaal met +2.5 SD, opzoeken eigen groeilijn eerste jaren 2. Bovengemiddelde groei vanaf jaar 3, die doorzet tijdens puberteit. 3. Bovengemiddelde groei vanaf geboorte, groeispurt treedt eerder op. 4. Jonge groeispurt, met puberteitskenmerken, hoge botleeftijd
1. Familiair grote lengte 2. Klinefelter-syndroom (jongen) (47,XXY): bovengemiddelde groei, met name in de benen. Tekort aan testosteron -> groeischijven sluiten later. Extra X-chromosoom bevat het SHOX-gen dat de lengtegroei stimuleert. (primaire oorzaak) 3. Marfan-syndroom, jongens en meisjes. kenmerkende flexibiliteit. (primaire oorzaak) 4. Pubertas praecox (secundaire oorzaak)
45
Oorzaken + gevolgen overmaat cortisol
Oorzaken: - ACTH producerende tumor in hypofyse (Cushing) - Cortisol producerende tumor in bijnier - Iatrogeen (medicatie) Gevolgen: - Afbuigende lengtecurve met toename gewicht tot obesitas - Emotionele/gedragsproblemen, moeheid, spierzwakte
46
Chronische ziekte geeft groeiremming door combinatie van:
- Chronische inflammatie met productie cytokinen. - Ondervoeding - Gestoorde balans tussen intake en verbruik - Gestoorde opname van voedingsstoffen - Hypercortisolisme (endogeen en door steroïd-medicatie)
47
Anamnese/LO bij te kleine lengte
Anamnese: - VG - Medicatie - Ontwikkeling - Psychosociale anamnese - Uitgebreide tractusanamnese - Voedingsanamnese - FA - Reconstructie lengte- en gewichtscurve incl. geboortegewicht, lengte, SO. - Consanguiniteit LO: - Lengte, gewicht, hoofdomtrek, tensie. - Zithoogte, spanwijdte. - Lengte van ouders meten (proporties indien kleine lengte) - Dysmorfe kenmerken - Algemeen intern LO - Puberteitsstadium (incl. testisvolume)
48
Bepalen indicatie aanvullende diagnostiek bij kleine lengte
Bij verdenking stoornis GH-IGF-1 as: - GH stimulatie testen. Clondine/arginine. Beide testen kunnen op 1 dag. Combinatie van IGF-1 waarde en oploop GH tijdens testen. Priming: lage dosis testosteron/oestradiol geven bij jongens >8 en meisjes >9, die nog niet echt in de puberteit zijn, om de kans op fout positieve uitslagen (dus denken dat er een tekort is een GH) lager te maken. Verlaagd IGF-1 met verlaagd GH -> GH deficiëntie. Verlaagd IGF-1 met hoge oploop GH -> GH resistentie. - SNP array bij: meisjes met kleine lengte, ontwikkelingsproblemen en/of dysmorfieën. - NGS genpanel analyse bij kleine lengte. Uitgebreidere NGS panels voor groeistoornissen incl. skeletdysplasie. - Methyleringsonderzoek - WES/WGS, bij ontwikkelingsproblemen en/of dysmorfe kenmerken, alleen door klinisch geneticus.
49
DD overwegingen grote lengte:
- Polygeen familiair grote lengte (meest voorkomend, 1 van beide ouders lang, maar gezond) - Constitutioneel snelle rijping (zelfde groeipatroon als 1 ouder, hoog-normale eindlengte) - Obesitas-geïnduceerde snelle rijping (+1 SD) (normale eindlengte) - Monogenetisch/syndromaal grote lengte - Hormonale overproductie (vroege puberteit of hyperthyreoïdie, GH overproductie is zeldzaam)
50
Anamnese/LO bij te grote lengte
Anamnese + doel: - Geboortegewicht/lengte/schedelomtrek -> pre/postnataal ontstaan - Groeicurve: geleidelijke toename of versnelling/knik -> knik duidt op secundair (hormonaal) - Ontwikkelings/gedrags problemen -> hogere kans syndromaal - Visusproblemen -> Marfan - Vroegtijdige puberteitskenmerken -> pubertas praecox - FA -> familiaire constitutioneel vroege rijping - Oculaire of CV ziekten op jonge leeftijd ouders -> lensluxaties of aorta aneurysma bij familiaire Marfan. LO: - Lengte, gewicht, SO, zithoogte, spanwijdte - Ontwikkelingsniveau en gedrag - Dysmorfieën (m.n. gelaat en extremiteiten) - Tanner stadiëring, gynaecomastie - Marfanoïde kenmerken (Beighton score/Ghent criteria) Beighton score positief -> Marfan. Hypermobiel: volwassen mannen 4, vrouwen 5 punten. Kinderen 7 punten. - Elleboog/knie >10 graden overstrekken. - Pink 90 graden dorsaalflexie - Duim tegen onderarm - Handen plat op grond met gestrekte benen
51
Welke aanvullende diagnostiek bij grote lengte + indicaties
X-hand (in vrijwel alle verwezen kinderen) -> voorlopend bij CAG, obesitas, pubertas praecox, enkele overgroeisyndromen. Gebruiken voor eindlengtevoorspelling. Screenend lab op indicatie (klinische verdenking! groeihormoon overproductie o.b.v. groeicurve, puberteitskenmerken, hyperthyreoïdie) - IGF-1, PRL, LH, FSH, T of E2, bijniersteroïden - TSH, fT4 - Homocysteïne - Evt. karyotypering bij sterke verdenking numerieke chromosoomafwijking - EDTA buis -> DNA in opslag Genetisch onderzoek op indicatie (!) - Gericht DNA-onderzoek bij vermoeden specifiek syndroom - CNV analyse/karyotypering - Grote lengte of overgroei genpanel - WES (trio analyse met beide ouders) Klinefelter -> karyogram/SNP array.
52
5 stappen meldcode Kindermishandeling en huiselijk geweld
Stap 1 Signalen onderkennen en informatie verzamelen (anamnese, diagnostiek) Stap 2 Overleg met een collega en (anoniem) overleg met Veilig Thuis en/of het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) Stap 3 Gesprek met ouders/betrokkenen Stap 4 Overleg met bij gezin bestrokken hulpverleners/argumenten afwegen. Stap 5 Besluiten tot al dan niet melden bij Veilig Thuis, a.d.h.v. het afwegingskader op basis van structurele of acute onveiligheid. Bij melding maken moet je het ouders vertellen. Opname om veiligheid te garanderen Denk aan broertjes/zusjes
53
Fractuur: Welke letsels pleiten voor/tegen kindermishandeling? + beleid
Verdacht voor mishandeling: - enkelvoudige breuk met meerdere blauwe plekken - meervoudige breuken in verschillende stadia genezing - metafyse/epifyse fracturen - ribfracturen - periostale botdeposities - schedelfractuur met intracraniële beschadiging - bucket handle onder de 2 jaar - draaiend letsel Fracturen ongewoon bij val onder 1 meter hoog. Niet verdacht: Onderbeen blauwe plekken/hematomen Trauma gerelateerde fracturen meer op schoolleeftijd (6-12 jaar) Beleid: skeletstatus bij alle kinderen <2 jaar met een onverklaarde fractuur/bij ernstig vermoeden mishandeling bij ander kind in het gezin. I.p. altijd herhalen na 2 weken i.v.m. callusvoorming (waardoor fractuur alsnog zichtbaar is)
54
Hematomen: Welke letsels pleiten voor/tegen kindermishandeling? + beleid
Verdacht Elke blauwe plek bij een zuigeling! Er is kracht nodig om een blauwe plek te veroorzaken, die een baby nog niet heeft. Meerdere blauwe plekken Blauwe plekken met patroonvorming TEN-4-FACESp locaties Beleid: stollingsstoornis uitsluiten + top-teen onderzoek + MRI cerebrum. Niet verdacht/lijkend opo mishandeling: - Striae - Archipelvlek - Hemangioom - Contactallergie
55
TEN-4-FACESp
Torso Ears Neck FACES: frenulum, angle of jaw, cheeks, eyelids, subcnjunctivae. (Onder) 4 maanden oud: elke blauwe plek patterned brusing
56
Hersenletsel: Welke letsels pleiten voor/tegen kindermishandeling? + beleid
Mishandeling (inflicted traumatic brain injury) Multipele fracturen (impressiefractuur) Wijde en grillige fractuurlijnen Wijde schedelnaden (growing fracture) Intracranieel letsel (subdurale bloedingen) Vaak retinabloedingen, meerdere, grote Accidenteel Enkelvoudige fractuur Lineaire fractuurlijnen Normale schedelnaden Zelden intracranieel letsel
57
Aanwijzingen seksueel misbruik + beleid
Aanwijzingen: Uitspraken kind Symptomen lokaal trauma of infectie (oraal!) Gedragsveranderingen Afwijkend seksueel gedrag of te veel seksuele kennis voor leeftijd Afwijkend gedrag bij onderzoek genitale regio Onderzoeken: - LO top-teen - SOA screening Inschakelen: 1. veilig thuis 2. centrum seksueel geweld (forensisch, medisch, psychische hulp) 3. politie (sporenonderzoek bij acuut <7 dagen geleden)
58
Tegen welke ziekten zijn kinderen die borstvoeding krijgen beter beschermd?
- Maagdarminfecties - Middenoorontsteking - Luchtweginfecties (door antistoffen in BV) - Overgewicht en diabetes op latere leeftijd Overig: Minder CV risicofactoren en betere hersenontwikkeling, atopisch eczeem FA+, NEC. Betere hechting moeder en kind.
59
Beleid HIV borstvoeding
In Nederland: behandelen moeder en kind post nataal + GEEN borstvoeding geven. In ontwikkelingslanden: WEL borstvoeding geven, omdat voordelen opwegen tegen nadelen.
60
Maternale contra indicaties voor borstvoeding
Borstlaesies: TBC, varicella (waterpokken), HSV. Infectie: HTLV, haemorrhagische koortsen (Marburg, Ebola), HIV met viral load (i.t.t. niet-Westers). Medicatie: lithium en antidepressiva, chemotherapeutica, overmatig alcoholgebruik, harddrugs en methadon. GEEN CI: gangbare virale infecties, HIV bij therapietrouw en lage viral load. Maternale complicaties: tepelkloven, verstopping, mastitis/abcedering -> ontlasten en continueren BV.
61
Belangrijke punten t.a.v. samenstelling moedermelk en aanvullingen - Eiwitgehalte - Vetgehalte - Fortifier - Vitaminesuppletie - Immunologisch
Eiwitgehalte neemt af met zwangerschapsduur en tijd (colostrum veel eiwit en Ig, lactoferrine, etc.). Vetgehalte neemt toe bij langer zuigen. 30-32 weken -> Breast milk fortifier: extra eiwit, calcium, fosfaat -> skelet en hersenondersteuning (rachitis voorkomen). Vitamine K bij borstvoeding suppleren eerste 3 maanden. Vitamine D ALTIJD suppleren tot 4 jaar. Immunologisch Aspecifieke afweer, specifieke afweer, pro/prebiotica, lactoferrine.
62
Lactatieproces + regulatie
1. Melkklieren: actief en passief transport van stoffen naar de melk. 2. Opslag in alveoli. 3. Uitstroom via melkgangen Prolactine stimuleert melkproductie. Komt vrij bij prikkeling tepel uit hypofyse voorkwab. Domperidon = pro-kineticum dat PRL kan stimuleren, bijwerking: verlengd QT-interval. Oxytocine geeft toeschietreflex. Komt vrij bij zien/horen/voelen kind uit hypofyse achterkwab. Psychisch effect: binding.
63
DD bloedverlies eerste 16 weken zwangerschap
1. Fysiologisch. 2. Dreigende miskraam 3. Minder waarschijnlijk: molazwangerschap, EUG. -> gynaecologische echo
64
DD bloedverlies derde trimester
1. Dreigende vroeggeboorte 2. Abruptio placentae 3. Placenta praevia
65
Hyperemesis gravidarum beleid
1. Expectatief (cave dehydratatie en gewichtsverlies) 2. meclozine 3. metoclopramide
66
3 B’s van koorts in het kraambed
- Borst (mastitis) - Been (DVT) - Buik (endometritis/kraamvrouwkoorts, onderbuikspijn, ruikende lochia/afscheiding)