doe (doen)
do
supermarkt (de)
supermarket
koop (kopen)
buy
alles
everything
hele (heel)
whole
heb … nodig (nodig hebben)
need
maak (maken)
make
lijstje (het)
list
daar
(on) it
staat (staan)
is
melk (de)
milk
aardappelen
potatoes
fruit (het)
fruit
weet (weten)
know
iets
something
o
oh
zie (zien)
see
iemand
someone
kan (kunnen)
can
helpen
help
mag (mogen)
may
wat
something
vragen
ask
nergens
nowhere