HC3 Flashcards

(28 cards)

1
Q

Waar eindigde het moderne debat over kennis vóór Kant?

A

Bij Hume’s conclusie dat we geen zekere kennis kunnen hebben van causaliteit – en dus ook niet van natuurwetten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat inspireerde Kant om zijn epistemologie te ontwikkelen?

A

Hume’s “waarschuwing” dat causaliteit nooit empirisch gerechtvaardigd kan worden – dit “wekte Kant uit zijn dogmatische sluimer”.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat dacht Kant vóór hij Hume las?

A

Dat we werkelijk konden weten dat Newtons wetten waar waren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Hoe combineert Kant rationalisme & empirisme?

A

“Zonder zintuiglijkheid geen object gegeven, zonder verstand geen object gedacht. Alleen hun vereniging levert kennis.”
-> Kennis ontstaat dus uit de synthese van verstand en ervaring.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoe probeert Kant kennis van wetten te redden?

A
  • Kant geeft Hume gelijk: als we een uitspraak hebben als ‘alle kaarsen smelten in de zon’ dan kunnen we niet via de zintuigen vaststellen dat deze zin waar is;
  • Kant geeft Hume ook ongelijk: We kunnen volgens Kant wel degelijk vaststellen door een combinatie – een synthese – van rationalisme en empirisme dat de zin ‘alle kaarsen smelten in de zon’ waar is – dat we dat
    weten.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Twee begrippenparen

A

A priori oordeel: toegankelijk zonder naar de werkelijkheid te kijken (‘Een zus is een vrouw’)
A posteriori oordeel: hiervoor moet je wel naar de werkelijkheid kijken (‘Er zitten 73 bonen in de chili’)

Analytisch oordeel: vermeerdert je kennis niet, maar analyseert wat je al weet (‘Elk lichaam is uitgebreid’)
Synthetisch: vermeerdert je kennis (‘Sommige lichamen (objecten) zijn zwaar)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

A priori + Analytisch

A

‘Elk lichaam is uitgebreid’

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

A priori + synthetisch

A

5 + 7 + 12
Rationalisme

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

A posteriori + analytisch

A

Bestaan niet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

A posteriori + synthetisch

A

‘Dit is een geel boek’
Empirisme

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat wil Kant laten zien met deze indeling?

A

Dat er synthetische oordelen a priori mogelijk zijn, oordelen die onze kennis uitbreiden zonder ervaring nodig te hebben.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is volgens Kant een synthetisch a priori oordeel? Wat redt Kant hiermee?

A

“Alles in de natuur heeft een oorzaak.”
→ Deze uitspraak breidt kennis uit (synthetisch) en is niet afhankelijk van ervaring (a priori).

De geldigheid van natuurwetten zoals die van Newton, kennis van causale structuren is volgens hem wél mogelijk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Fenomenale vs. Noumenale Wereld

A

Fenomenale wereld = de wereld zoals ze aan ons verschijnt.

Noumenale wereld = de wereld-op-zich, die we nooit kunnen kennen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat onderzoekt Kant met zijn transcendentaalfilosofie?

A

De voorwaarden waaronder kennis mogelijk is, de vormen van waarneming (ruimte & tijd) en de categorieën van het verstand.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn categorieën volgens Kant?

A

Conceptuele structuren die we opleggen aan de ervaring.
Voorbeelden: substantie, causaliteit, mogelijkheid, noodzakelijkheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waarom is causaliteit een categorie?

A

Omdat we de wereld niet anders kúnnen waarnemen dan in termen van oorzaak en gevolg.

17
Q

Wat bedoelt Kant met de “Copernicaanse wending”?

A

De wereld past zich aan onze cognitieve structuren aan — niet andersom.
Zoals Copernicus toonde dat niet de zon om ons draait, maar wij om de zon.

18
Q

Drie Problemen voor Kant

A
  1. Noumenale wereld onkenbaar
    → Hoe kan Kant dan zeggen dat die “oorzaak” is van onze indrukken?
  2. Natuurwetten onfeilbaar?
    → Als kennis van natuurwetten synthetisch a priori is, kunnen ze niet onwaar blijken. Maar dat bleek wel (college 5).
  3. Beperkte kennis
    → We weten alleen iets over verschijnselen, niet over de wereld-op-zich. De scepticus blijft dus overeind.
19
Q

Wat was Kants invloed op de sociale wetenschappen? -> twee visies

A

Zijn succes van natuurwetenschap riep de vraag op of ook de mens wetenschappelijk bestudeerd kon worden.

Twee visies:
- Positivisme → Gebruik methode van natuurwetenschappen
- Hermeneutiek → Ontwikkel eigen methode gericht op begrijpen

20
Q

Wat wilde Comte bereiken met zijn positivisme?

A

Sociale problemen oplossen door wetenschappelijke consensus – wetenschap als basis voor orde en vooruitgang.

21
Q

Wat is Comte’s Wet van de Drie Stadia?

A

Theologisch stadium – verklaring via goden (animisme, polytheïsme, monotheïsme)

Metafysisch stadium – verklaring via krachten of essenties

Positieve stadium – verklaring via causale & mechanische wetten
→ De wetenschap bereikt het “volwassen” stadium.

22
Q

Wat is Comte’s visie op psychologie?

A

Psychologie hoort bij het positieve stadium: ze onderzoekt oorzaken van gedrag (materialistisch, niet spiritueel).

23
Q

Wat betekent hermeneutiek oorspronkelijk?

A

hermeneutikè technè = de kunst van interpreteren.
Oorspronkelijk: uitleg van mythen (zoals Icarus), later van de Bijbel, daarna van alle moeilijke teksten.

24
Q

Wat is de kern van hermeneutiek als methode?

A

Niet verklaren (erklären) maar begrijpen (verstehen).
→ Gericht op redenen i.p.v. oorzaken.

25
Wat is de hermeneutische cirkel? Hoe pas je dit toe in psychologie?
Begrip ontstaat door heen en weer te bewegen tussen: - Deel (zin, individu) - Geheel (tekst, context, geschiedenis) Toepassen: Zoek naar redenen voor gedrag, niet naar onderliggende oorzaken. Voorbeeld: gedrag bij ASS begrijpen door interpretatie, niet neurochemie.
26
Hermeneutiek Kritiek - Habermas & Gadamer:
We kunnen nooit loskomen van onze eigen achtergrond → interpretatie is subjectief, dus niet objectief-wetenschappelijk.
27
Hermeneutiek Kritiek - Neo-positivisten (zoals Logisch Positivisten):
Feitelijke uitspraken over het innerlijk van anderen zijn niet controleerbaar.
28
Hermeneutiek Kritiek - Carl Hempel:
Je kunt soms geen inleving hebben (zoals bij paranoia), maar toch causale verklaringen geven → Verstehen is niet noodzakelijk voor goede verklaring, en soms zelfs onmogelijk.