HC9 Flashcards

(28 cards)

1
Q

Kritisch denken

A

Kritisch denken is rationeel denken. Kritisch denken is ook autonoom denken. Dit niet gebaseerd op traditie of autoriteit. Je denkt dus op jezelf, zelfstandig.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Het doel van kritisch denken

A

Kritisch denken heeft als doel (1) tot betrouwbare overtuigingen komen en (2) betrouwbare en onbetrouwbare overtuigingen te onderscheiden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Kritisch denken kun je onderverdelen in..

A

● Rationeel (vertrouwt niet op emotie/intuïtie)
● Autonoom (vertrouwt niet op traditie/autoriteit)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Kritisch denken betekent niet:

A

● Negatief denken: het is niet altijd gericht op het vinden van weerleggingen voor een bewering.
● Sceptisch denken: niet altijd alles in vragen stellen of in twijfel trekken.
● Intelligent denken: ook dit kan soms leiden tot kritiekloze/irrationele overtuigingen (bijv. complexe complottheorieën).
● Goed geïnformeerd denken: goed geïnformeerd zijn is een noodzakelijke voorwaarde om tot ware overtuigingen te komen, maar niet een voldoende voorwaarde, omdat het altijd mogelijk is correcte informatie verkeerd te interpreteren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Is kritisch denken aangeboren?

A

Het vermogen om kritisch te denken is niet aangeboren, hoe intelligent men ook is; kritisch denken moet aangeleerd worden. Het gaat ook vaak in tegen onze spontane manier van denken. Juist daarom moeten we constant op de hoede zijn van denkfouten. Niemand is immuun voor irrationeel denken. Dan Ariely is het hier mee eens.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat stelde Dan Ariely?

A

Hij stelt dat zelfs de meest analytische denkers voorspelbaar irrationeel zijn; de echt slimme denkers erkennen en pakken hun irrationaliteit aan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Vuistregels voor kritisch denken

A
  1. Externe (niet-psychologische) steun eisen voor overtuigingen.
  2. Ockhams scheermes: de eenvoudigste/spaarzame verklaring is de meest waarschijnlijke.
  3. Pas op voor cognitieve illusies.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q
  1. Externe (niet-psychologische) steun eisen voor overtuigingen.
A

Een bewering is nog niet juist omdat deze plausibel klinkt, daarom moeten we externe (niet psychologische) ondersteuning voor beweringen eisen. Daarnaast moeten extreme beweringen ook extra ondersteund worden door hard bewijs. Als dit niet lukt, dan neem je de bewering ook niet aan tot het tegendeel is bewezen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q
  1. Ockhams scheermes: de eenvoudigste/spaarzame verklaring is de meest waarschijnlijke.
A

Wanneer een verklaring meer vragen oproept die om een verklaring vragen, verliest de verklaring systematisch aan waarschijnlijkheid. Dus moet de meest economische (of spaarzame/parsimonieuze) verklaring worden gekozen. Wanneer men bijvoorbeeld nadenkt over een mogelijke verklaring voor graancirkels, is de meest spaarzame verklaring dat ze door mensen zijn gemaakt. Als men ze zou verklaren als gemaakt door aliens, zou dat nog meer vragen oproepen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q
  1. Pas op voor cognitieve illusies.
A

Dit zijn manieren waarop mensen cognitieve denkfouten maken. Deze illusies zijn systematisch, universeel en permanent.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Systematisch

A

De cognitieve vervorming treedt altijd op dezelfde manier op.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Universeel

A

Ieder mens is er vatbaar voor.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Permanent

A

De blijven bestaan, zelfs als we ons ervan bewust zijn. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van de Müller-Lyer illusie, waarbij de ene pijl langer lijkt dan de andere omdat de ene naar buiten is gevouwen en de andere naar binnen. De pijlen zijn echter allebei even lang. Iedereen ervaart deze illusie elke keer dat hij wordt waargenomen, ongeacht of iemand al weet hoe de illusie werkt. Zie de Müller-Lyer illusie in het figuur hieronder.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Het probleem Linda

A

Linda is 29 jaar oud, vrijgezel, openhartig en zeer intelligent. Ze heeft een diploma filosofie. Als student hield ze zich bezig met discriminatie en sociale rechtvaardigheid en nam ze deel aan antinucleaire demonstraties. Welke van de twee alternatieven is het meest waarschijnlijk?
1. Linda is een bankbediende.
2. Linda is bankbediende en actief in de feministische beweging.

Het juiste antwoord is antwoord 1, want dat is het meest waarschijnlijk. Antwoord 2 is een deelverzameling van antwoord 1. Het kan dus niet dat deze waarschijnlijker is. Dit is de conjunction fallacy. Deze gaat ervan uit dat meerdere specifieke condities als meer waarschijnlijk worden gezien dan één algemene conditie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Base rate fallacy

A

Bastiaan is een alleenstaande man van 53 jaar. Hij is introvert en leest graag. Wat is waarschijnlijker: Bastiaan is bibliothecaris (A), of Bastiaan is verkoper (B)? Er zijn over het algemeen meer verkopers dan bibliothecarissen, dus de kans is groter dat Bastiaan ook een verkoper is. Vaak houden mensen bij hun keuze geen rekening met dit feit, maar kijken ze naar het introverte en de liefde voor lezen. Dit staat bekend als de base rate fallacy.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Statistisch denken

A

Mensen vinden het vaak moeilijk om statistisch te denken, zoals blijkt uit de volgende vraag: Hoeveel mensen moet je in een groep zetten zodat de kans dat twee mensen jarig zijn groter is dan de kans dat ze niet jarig zijn? Het antwoord is 23, een antwoord waar velen niet op komen. Omdat mensen intuïtief anders denken, schatten ze het antwoord vaak veel hoger in.

17
Q

Exponentieel denken

A

Stel dat je een vel papier van 1 mm dik oneindig kunt vouwen. Hoeveel keer moet je het vouwen om het blad de maan (ongeveer 385 000 km) te laten bereiken? Het antwoord is 42. Dit is veel lager dan veel mensen denken, omdat mensen de exponentiële groei onderschatten. Mensen maken vaak fouten bij exponentieel denken, omdat de groei aan het begin langzamer is dan aan het eind. We zijn intuïtief geneigd lineair te denken, in plaats van exponentieel.

18
Q

Availability bias

A

Wat is waarschijnlijker, dat je sterft door een aanval van een haai of door een neergestort vliegtuig? De kans dat iemand sterft door een neergestort vliegtuig is groter dan door een haaienaanval. Omdat haaien vaker in het nieuws zijn, zijn mensen eerder geneigd om dit antwoord te kiezen. Dit is een voorbeeld van availability bias; het overschatten van de waarschijnlijkheid van iets, omdat het gemakkelijk te onthouden is.

19
Q

Survival bias

A

Wat is de kans dat een startup slaagt? Mensen geven meestal een hogere schatting dan het echte antwoord, dat ongeveer 10% is. De reden is dat we de neiging hebben om alleen nieuws te horen over succesvolle startups, niet over degenen die mislukten. Dit is een specifieke vorm van beschikbaarheidsvooroordeel (availability bias), overlevingsvooroordeel genaamd.

20
Q

Anchoring

A

Het gemiddelde van de antwoorden wordt vaak beïnvloed door een vooraf bepaald feit. Bijvoorbeeld: Zijn de hoogste bomen ter wereld (sequoia’s) volgens u meer of minder dan 350 meter hoog? Hoe hoog denk je dat de hoogste bomen zijn? “
Mensen worden beïnvloed door de 350 meter die in de eerste vraag wordt aangegeven en passen hun tweede antwoord daarop aan. Dit heet anchoring bias. Anchoring bias speelt ook een grote rol in de gedragseconomie en kan leiden tot irrationeel koopgedrag.

21
Q

Framing

A

Bij framing worden verschillende frames aangeboden die op een verschillende manier geformuleerd zijn, waardoor mensen op elk frame anders reageren.

Er breekt een ziekte uit die 450 mensen zal doden als er niets wordt gedaan. Artsen ontwikkelen 2 behandelingen om de ziekte te bestrijden. Welke behandeling heeft uw voorkeur? Frame A: Behandeling 1: 150 mensen worden gered. Behandeling 2: 1/3 kans dat allen gered worden, 2/3 kans dat allen sterven.

Frame B: Behandeling 1: 300 mensen zullen sterven. Behandeling 2: 1/3 kans dat allen gered worden, 2/3 kans dat allen sterven. De meerderheid kiest voor behandeling 1 in het eerste kader en behandeling 2 in het tweede kader.
Dit terwijl ze inhoudelijk hetzelfde zijn. Mensen nemen dus beslissingen die grotendeels afhangen van de manier waarop de informatie wordt ingekaderd. Alliais paradox

22
Q

Alliais-paradox

A

Kan worden verklaard door de volgende keuzes:
Je hebt 45% kans om € 7.000 te winnen of 90% kans om € 4.000 te winnen. Je hebt 0,1% kans om € 7.000 te winnen of 0,2% kans om € 4.000 te winnen. In het eerste scenario zijn de mensen geneigd de tweede optie te kiezen, terwijl ze in het tweede scenario geneigd zijn de eerste optie te kiezen. De mensen zijn dus inconsequent, ook al blijven de kansen gelijk (45% en 90% zijn gelijk aan 0,1% en 0,2%).

23
Q

Verliesaversie

A

Tegenovergestelde effect van Alliais-paradox zien we bij verlies.
De meeste mensen verkiezen een kans van 80% om €3000 te verliezen boven een kans van 100% om €2000 te verliezen (92%). Als de percentages veranderen (maar niet de verhoudingen), krijgen we een andere keuze. Tussen een kans van 20% om 3000 te verliezen en een kans van 25% om 2000 te verliezen, kiest 58% voor de laatste.

24
Q

Hindsight bias

A

Wanneer een bepaalde gebeurtenis heeft plaatsgevonden, en mensen denken terug aan de waarschijnlijkheid dat deze zich zou voordoen voordat de gebeurtenis plaatsvond, schatten velen deze waarschijnlijkheid hoger in. Dit geldt voor de volgende vraag: Welke waarschijnlijkheid kende u vóór de crisis toe aan de mogelijkheid van een financiële crisis? De kans is groot dat men achteraf de waarschijnlijkheid overschat die men vóór het feit aan deze feiten zou hebben toegekend. Achteraf denkt men meestal dat de voorspellingen beter waren dan ze in werkelijkheid waren. De hindsight bias is ontdekt door Baruch Fischhoff.

25
Confirmation bias
We zijn geneigd ons te concentreren op informatie die onze reeds bestaande overtuigingen bevestigt, en informatie die deze tegenspreekt te negeren. Mensen absorberen informatie selectief. Informatie die overeenstemt met iemands overtuigingen wordt eerder aanvaard en onthouden. '
26
Confirmation bias - voorbeeld
Een voorbeeld van het bevestigingsvooroordeel in actie is te vinden in de volgende studie over hypothesetests. Deelnemers kregen de vraag: Welke regel wordt beantwoord met de volgende volgorde: 3-6-12? Ze mochten proberen de regel te raden door een andere drie-getallenreeks voor te stellen. Ze kregen te horen "ja, dat volgt de regel" of "nee, dat volgt de regel niet", en ze mochten een gokje wagen als ze dachten dat ze de regel kenden. De echte regel was "een reeks oplopende getallen". Maar omdat men meestal begon te denken dat de regel "verdubbeling van getallen" was, duurde het lang voordat men de echte regel vond. De reden is dat zij reeksen bleven voorstellen die hun hypothese bevestigden, in plaats van reeksen die hun hypothese zouden ontkrachten en hen in staat zouden stellen hun onjuiste hypothese te vervangen door de juiste regel.
27
Zelfoverschatting
Mensen hebben positieve illusies en zelfbedrog. Zo vinden mensen zichzelf vaak een betere chauffeur dan het gemiddelde. Mensen overschatten ook de intelligentie en het talent van hun kinderen.
28
Depressief realisme
Depressieve mensen zijn echter weer nauwkeuriger in het inschatten van hun eigen mogelijkheden. Dit wordt ook wel depressief realisme wordt genoemd. '