De filosoof Karl Popper stelde de volgende twee belangrijke vragen, waarop het antwoord volgens hem altijd ja kan zijn:
Wat besefte Popper na de uit de hand gelopen demonstratie van de Marxisten?
Dat mensen feilbaar zijn en dat er een groot verschil is tussen dogmatisme en kritisch denken.
Overeenkomsten Popper en de logisch positivisten
De overeenkomsten zijn dat Popper, hoewel hij geen empirist is, het belang van het empirisme inziet.
Hij is het met de logisch positivisten eens dat ervaring een manier is om kennis te verwerven, maar de logisch positivisten zijn daarin volgens hem te radicaal.
Ook is hij het ermee eens dat logica en wiskunde gebruikt kunnen worden als hulpmiddelen, maar ze leveren ons geen nieuwe kennis op (dit gaat in tegen wat Kant dacht).
Verschil tussen Popper en de logisch positivisten
Een heel ander wetenschappelijk model hanteren.
Volgens de logisch positivisten vindt er eerst observatie plaats. Vervolgens worden via inductie algemene wetten opgesteld in het kader van de ontdekking.
Dan, via deductie, doe je voorspellingen die bevestiging van die wetten kunnen vinden in de context van rechtvaardiging, wat kan worden bevestigd of ontkend door observatie.
Als de volgende zwaan die je ziet wit is, kun je dat gebruiken als rechtvaardiging van je algemene bewering, wat opnieuw een proces van inductie is.
Dus zowel in de context van ontdekking als in de context van rechtvaardiging wordt inductie gebruikt.
Volgens Popper misten de positivisten het rationele aspect. Hij betoogde dat theorie altijd voorafgaat aan waarneming en dat waarneming zonder vooraf opgestelde theorie zinloos is. In Popper’s visie wordt eerst een probleem ondervonden. Daarna wordt een hypothese geformuleerd. Vervolgens wordt een poging gedaan om deze hypothese te weerleggen.
De opvattingen van Popper Popper’s wetenschapsfilosofie bevat vier kenmerken
Het verschil tussen wetenschap en niet-wetenschap ligt in het falsificationisme/falsifieerbaarheid. Een wetenschappelijke bewering moet falsifieerbaar zijn, in die zin dat het in principe mogelijk moet zijn er bewijs tegen te vinden.
Popper’s Falsificationisme heeft vier kenmerken
Omdat mensen feilbaar zijn, weten we niets, kunnen we alleen maar gissen en kunnen we nooit ergens zeker van zijn. De sociale consequentie hiervan is dat niemand weet hoe een rechtvaardige samenleving eruitziet, dus wees voorzichtig met politieke ideologieën (Plato, Marx, Mao); we moeten niet rechtvaardigheid bewerkstelligen, maar onrechtvaardigheid elimineren.
De zwakte van de theorieën van Freud en Marx ligt in het feit dat de theorieën elk geval kunnen verklaren. Deze theorieën zijn dus zo geformuleerd dat ze nooit gefalsifieerd kunnen worden. Waarheid, verifieerbaarheid, confirmeerbaarheid vallen direct af als mogelijke demarcatiecriterium.
Een uitspraak als ‘morgen schijnt de zon wel of niet’ is niet informatief. Een niet-falsifieerbare theorie is dus niet informatief. Een uitspraak moet dus specifiek en scherp zijn, zoals ‘morgen gaat de zon schijnen’. We willen de wereld begrijpen en beter maken. Als psycholoog wil je wellicht mensen met psychische problemen helpen, daarvoor heb je kennis nodig. We hebben gezien dat een belangrijk kenmerk van kennis is dat het gaat om een overtuiging die waar is. Nu weten we dat het heel makkelijk is om ware dingen te zeggen. Je zet gewoon: ‘of niet’ achter een falsifieerbare bewering. Echter, gaat het er niet om dat je de waarheid spreekt, maar dat je falsifieerbare uitspraken doet en dat je zelf waarachtig bent. Je ziet nu ook een gevaar die er altijd is: als wetenschapper loop je het risico dat je het niet juist hebt. In de wetenschap wordt dus nooit wat bewezen, als het gaat om algemene uitspraken. Dit houdt in dat je altijd voorzichtig moet zijn en eigenlijk nooit moet zeggen dat iets bewezen is.
Bevestiging wordt niet gezien als inductief bewijs voor een theorie, omdat inductie irrationeel is. Wetenschappers houden een theorie voor waar zolang deze niet is gefalsifieerd; dit staat bekend als de negatieve weg naar de waarheid. Als we iets falsifiëren, leren we nieuwe kennis: dat onze theorie onjuist was. Pas als een theorie wordt weerlegd, en er bijvoorbeeld een niet-witte zwaan wordt gevonden, komt men erachter dat de theorie over witte zwanen niet waar is. Wetenschap is dus altijd voorlopig of hypothetisch, omdat ze in principe altijd kan worden gefalsifieerd.
Popper’s falsificatiecriterium is geen betekeniscriterium
Zijn demarcatiecriterium scheidt enkel wetenschap van pseudowetenschap en kijkt niet naar de betekenis van de uitspraken. Sterker nog, ook onwetenschappelijke beweringen zijn betekenisvol; evolutietheorie is ook als mythe begonnen. Onwetenschappelijke theorieën kunnen ook iets opleveren. Bij Wittgenstein I scheidt het demarcatiecriterium zin van onzin. Bij de Logisch Positivisten scheidt het demarcatiecriterium zowel (1) wetenschap van pseudowetenschap als (2) zin van onzin.
Evenals andere rationalisten stelt Popper dat er een vorm van aangeboren kennis bestaat, en dat de mens dus niet als tabula rasa wordt geboren. Hij gelooft echter niet in aangeboren ideeën. Volgens Popper heeft elk organisme veeleer bepaalde aangeboren reacties of instincten, die hij ‘verwachtingen’ noemt. Deze instincten zijn niet bewust en gaan vooraf aan elke waarneming. Veel jonge dieren kunnen bijvoorbeeld meteen na de geboorte lopen, zodat ze een moeilijkere prooi zijn. Pasgeborenen hebben de verwachting gevoed en beschermd te worden en we hebben allemaal verwachtingen over wat we met bepaalde voorwerpen kunnen doen. James Gibson noemde dit begrip affordances. Een aangeboren verwachting die Popper noemt is de verwachting om regelmaat te vinden in de wereld, wat teruggaat op Bacons bewering dat mensen geneigd zijn regelmaat te zien, zelfs als die er niet is. Dit is een voorbeeld van het begrip affordances.
De neiging om regelmaat te zien, ook als die er niet is, leidt tot dogmatisch denken. In het geval van smaakafkeer, bijvoorbeeld, houdt men er geen rekening mee dat iemand ziek kan zijn geworden van iets anders. Regelmaat bestaat vaak alleen in de interpretatie en niet in de werkelijkheid. De eigen aannames worden echter vaak niet in twijfel getrokken, wat funest is voor wetenschappers. Je moet kritisch kijken naar je eigen waarnemingen, beweringen en theorieën. Je moet nagaan of een theorie falsifieeerbaar is. Als wetenschapper moet je oppassen dat je niet alleen zoekt naar bevestiging van je overtuigingen (confirmation bias). In plaats daarvan moet je op zoek gaan naar falsificatie.
Een theorie die falsifieerbaar is, maar nog niet is gefalsifieerd, kan voorlopig worden aanvaard. Dit is rationeel omdat de kritische methode gebruik maakt van deductie in plaats van inductie. Theorieën hebben dus altijd de status van hypothesen, zelfs als je veel ondersteunend bewijsmateriaal hebt. Je moet altijd openstaan voor toekomstige falsificatie.
Het rationalisme aanvaardt aangeboren kennis. In zekere zin doet Popper dat ook met het begrip verwachtingen. Omdat de wetenschap niet toegeeft aan dogmatisch denken, is zij rationeel. Door de rede wordt niet alles uit de ervaring klakkeloos aanvaard. Bovendien is de wetenschap rationeel omdat zij gebruik maakt van deductie.
Problemen met Popper’s opvattingen
Astrologie kan bijvoorbeeld beweringen doen als “u zult morgen de hele dag een goed humeur hebben”, en dit kan gefalsifieerd worden. Volgens Popper’s demarcatiecriterium zijn veel beweringen van astrologen dus wetenschappelijk. Dit betekent dat het demarcatiecriterium niet streng genoeg is. Toch is het beter dan verifieerbaarheid (die disciplines als natuurkunde uitsloot) en bevestigbaarheid (die alle pseudowetenschappen omvatte).
Popper wil geen inductie gebruiken, maar doet dat toch. Om te kunnen zeggen: “dit is een witte zwaan”, heb je het algemene begrip ‘zwaan’ nodig, dat je bereikt met inductie, door veel dieren met vleugels, lange nekken, etc. te observeren, en het begrip ‘zwaan’ te induceren.
Conclusie
We moeten de pure anti-inductivistische falsificationistische conceptie van wetenschap afwijzen. Ze lijdt namelijk aan een fatale kwaal: ze kan haar pretenties niet waarmaken zonder haar anti-inductivisme te verloochenen. Zonder inductieve argumenten kan ze ons geen reden geven ooit te geloven dat de wetenschap vooruitgang heeft geboekt. Falsificationisme alleen leidt tot niets. Zowel de moderne versie van het empirisme (logisch positivisme) als de moderne versie van het rationalisme (Propper) zitten met een groot probleem: Beide posities zijn van mening dat kennis wordt geleverd door wetenschap, maar geen van beide kunnen ze een demarcatiecriterium leveren. `