Constructivisme - Wittgenstein II
Is de veronderstelling dat alle kennis voortkomt uit het actief construeren van hoe dingen zijn, in plaats van passieve representatie van de werkelijkheid. Er is geen kennis over de werkelijkheid, de waarneming is theorie beladen, zoals blijft uit een dubbelzinnige plaatje met een dalmatiër. Constructivisme (de bewering dat feiten afhankelijk zijn van theorieën) impliceert relativisme.
Relativisme - Wittgenstein II
Houdt in dat de waarheid afhankelijk is van de constructie. Als men bijvoorbeeld de afbeelding hieronder bekijkt, kan men, afhankelijk van de theorie die men heeft, beweren dat het een afbeelding is van een vaas of van twee gezichten die tegenover elkaar staan. De zinnen “dit is een vaas” of “dit zijn twee gezichten” zijn waar of onwaar, afhankelijk van de constructie die men heeft. Tegelijkertijd impliceert relativisme ook constructivisme, want door te zeggen dat de waarheid van een theorie afhangt van de constructie van de werkelijkheid, wordt geïmpliceerd dat de werkelijkheid wordt geconstrueerd op basis van een theorie.
Verschil constructivisme en relativisme
Constructivisme is een theorie over feiten, terwijl relativisme een theorie is over de waarheid van zinnen.
Wittgenstein I
Stelde dat de betekenis van een woord afhangt van de referentie waarnaar het verwijst. Met andere woorden, een betekenisloze zin is iets dat geen verwijzing heeft naar iets in de waarneembare wereld. Daarom heeft bijvoorbeeld de zin “de ziel is onsterfelijk” geen betekenis volgens Wittgenstein I.
Wittgenstein II
Anderzijds stelt Wittgenstein II (Wittgenstein in zijn latere jaren) dat de betekenis van een zin afhangt van het gebruik ervan binnen een bepaalde context. Hij noemt dit een taalspel.
Taalspel
De context waarin woorden worden gebruikt bepaalt hun betekenis. Zo kan bijvoorbeeld de zin “de ziel is onsterfelijk” betekenis hebben in een religieuze context. De betekenis van een zin is nu dus niet afhankelijk van wat hij aangeeft, maar van hoe mensen hem gebruiken. Aangezien er veel verschillende taalspellen zijn, kunnen woorden verschillende betekenissen hebben. Een woord (b.v. ‘God’) kan betekenis hebben in het ene taalspel, zoals religie, maar niet in een ander taalspel, zoals wetenschap. In een taalspel zijn er bepaalde regels die bepalen hoe een woord wordt gebruikt en wat de betekenis ervan is.
Privétaal is onmogelijk - Wittgenstein II
Dit verwijst naar een taal waarvan de betekenis slechts door één persoon begrepen kan worden. Sommige empiristen geloven in het bestaan van privé taal.
Drie premissen binnen het empiristisch argument voor privétaal
Premisse 1: betekenis is afhankelijk van referentie
Premisse 2: psychologische termen verwijzen naar/refereren aan subjectieve toestanden
Premisse 3: Inverted spectrum/omgekeerd spectrum
Het omgekeerde spectrum
Betekent dat iemands kleurenspectrum omgekeerd is ten opzichte van het kleurenspectrum van een ander. Kleuren zijn secundaire eigenschappen, dus men kan niet zeker weten of de kleur ‘blauw’ dezelfde ervaring teweegbrengt. Daarom weet alleen de persoon zelf wat hij met een bepaalde kleur bedoelt. Hetzelfde geldt voor de ervaring van pijn. Men kan dus alleen zelf weten waar de eigen psychologische termen naar verwijzen. Volgens de empiristen bestaat er dus wel degelijk een eigen taal.
Privé taal argument - Wittgenstein II
Hij beweert dat taalregels openbaar moeten zijn: je moet kunnen zeggen dat iemand een woord verkeerd gebruikt. Er zijn een aantal grammaticale en logische regels die leiden tot consistentie in het woordgebruik. Deze regels kunnen in de loop der eeuwen enigszins veranderen, maar deze verandering is niet radicaal. Anders zou de taal onbegrijpelijk worden, niet alleen voor anderen maar ook voor je toekomstige zelf. Als je bijvoorbeeld een boodschappenlijstje schrijft in een privé-taal waarin het woord “smurf” wordt gebruikt om verschillende soorten boodschappen aan te duiden, zul je, eenmaal in de supermarkt, geen idee hebben wat je eigenlijk moet kopen. Daarom is er privé-taal niet mogelijk.
Wittgenstein II verwerpt daarom het bestaan van privé-talen en stelt dat een taalspel meer is dan alleen de taal
Het is ook de context waarin zij wordt gebruikt. Hij wijst er ook op dat het mogelijk is de betekenis van een woord te leren in een andere context. Het is dus niet duidelijk of Wittgenstein II een relativist/constructivist was of niet, maar hij heeft zeker relativisten beïnvloed.
Thomas Kuhn
Thomas Kuhn promoveert in 1949 in Natuurkunde aan Harvard. Tussen 1949 en 1979 wordt hij gezien als wetenschapshistoricus in Harvard en California. Vanaf 1979 tot 1996 wordt hij naast wetenschapshistoricus ook gezien als filosoof in Boston. Thomas Kuhn was een constructivist en een relativist.
De Logisch Positivisten en Popper wilden een demarcatiecriterium (normatief), maar het project om een demarcatiecriterium te vinden is mislukt.
Hoe dacht Thomas Kuhn hierover?
Thomas Kuhn geeft ons niet nog een demarcatiecriterium, maar wil beschrijven hoe wetenschap zich ontwikkelt. Dit doet hij op een beschrijvende benadering (in plaats van een normatieve).
Beschrijvende benadering - Thomas Kuhn
Hoe komen wetenschappelijke theorieën tot stand? Zonder theorie is er enkel chaos van verschijnselen. We hebben dus een theorie nodig die de zaak ordent een aangeeft welke verschijnselen voor ons van belang zijn. Zo’n theorie is een paradigma.
Waarom zijn er theorieën nodig volgens Thomas Kuhn?
Om orde te schappen in waargenomen verschijnselen. Bovendien stelt hij dat de waarheid altijd relatief is voor een groep wetenshappers in een bepaalde periode met een bepaald paradigma.
Paradigma
De som van geaccepteerde theorieën, methodologieën, handleidingen en technieken.
Verschil Wittgenstein II en Thomas Kuhn
Waar Wittgenstein II dus spreekt van een taalspel, spreekt Kuhn van een paradigma.
Voorbeelden van een paradigma
De Copernicaanse astronomie, Newtoniaanse mechanica en Freudiaanse psychoanalyse. Bij de Newtoniaanse Mechanica werd aangenomen dat de hele natuur moet worden verklaard als mechanisch systeem waarvan de werking onderhevig is aan alle krachten en dat gehoorzaamt aan de bewegingswetten van Newton.
Kuhn beweert dat er vier stadia zijn in de wetenschappelijke ontwikkeling
Een ongeorganiseerde verscheidenheid aan activiteiten. Structuur ontbreekt en er is geen educatief verband of activiteit die de naam ‘wetenschap’ krijgt.
Een paradigma (bijv. Newtoniaanse mechanica) wordt aanvaard en men neemt aan dat de kennis over de wereld juist is. Dat men denkt dat er kennis is in de wetenschap is geen gebrek aan kritisch vermogen maar een teken van volwassenheid. Er zijn echter altijd anomalieën en onopgeloste vragen in een paradigma (het paradigma is nooit sluitend). Dit betekent dat er puzzels kunnen zijn die moeten worden opgelost. Dit is wat de meeste wetenschappers tijdens hun carrière doen en wat vooruitgang in de wetenschap betekent.
Een abnormale wetenschapsfase doet zich voor wanneer er te veel problemen zijn met een paradigma, de voorspellingen ervan steeds weer worden vervalst en mensen het paradigma niet langer vertrouwen, ook al werken ze er nog binnen. Deze periode kan worden afgesloten hetzij door het vertrouwen in het paradigma te herwinnen (door de meeste problemen ervan op te lossen) en terug te keren naar de normale wetenschap, hetzij door over te gaan tot een wetenschappelijke revolutie, waarna een nieuw paradigma wordt aanvaard. Deze overgang van het ene naar het andere paradigma is eerder een radicale breuk dan een geleidelijke overgang. Het nieuwe paradigma is onverenigbaar met het oude; het is een rivaal.
De wetenschappelijke revolutie van Kuhn is te vergelijken met een politieke revolutie. In beide gevallen is de situatie niet zoals gewenst, dus wordt het systeem veranderd. Er is een verschil in taal tussen het oude en het nieuwe systeem, waardoor problemen niet worden opgelost, en een revolutie plaatsvindt. De revolutie is geslaagd wanneer de meerderheid het nieuwe paradigma aanvaardt en er dus een paradigmaverschuiving plaatsvindt, en een terugkeer naar de normale wetenschap met het nieuwe paradigma op zijn plaats. Kuhn merkt op dat een paradigma alleen kan worden verlaten als een alternatief beschikbaar is: “het besluit om een paradigma te verwerpen is altijd tegelijkertijd het besluit om een ander paradigma te aanvaarden, en het oordeel dat tot het besluit leidt omvat de vergelijking van beide paradigma’s met de natuur en met elkaar” (Kuhn, 1962). Bij de aanname van een nieuw paradigma is volgens Kuhn echter geen sprake van groei van kennis wanneer paradigma’s elkaar afwisselen, want er is sprake van een reconstructie, wat duidt op een nieuw begin. Er kan alleen sprake zijn van kennisgroei binnen een paradigma zelf en niet tussen paradigma’s. Kuhn vindt niet dat een nieuw paradigma beter is dan het vorige, of dat het tot nieuwe kennis leidt; het is gewoon anders.
Kuhns idee dat er geen groei van kennis is bij paradigmaverschuivingen gaat in tegen de opvatting van Popper, volgens welke kennisverwerving plaatsvindt door te leren van onze fouten (negatieve weg naar de waarheid).
Kuhn stelt dat groei van kennis alleen mogelijk is binnen een paradigma, en dat er geen cumulatieve toename van kennis is tijdens een revolutie. Dit komt omdat het nieuwe paradigma volgens hem geen uitbreiding is van het vorige, maar eerder een reconstructie van het veld vanuit nieuwe grondbeginselen.