HC6 Flashcards

(30 cards)

1
Q

Constructivisme - Wittgenstein II

A

Is de veronderstelling dat alle kennis voortkomt uit het actief construeren van hoe dingen zijn, in plaats van passieve representatie van de werkelijkheid. Er is geen kennis over de werkelijkheid, de waarneming is theorie beladen, zoals blijft uit een dubbelzinnige plaatje met een dalmatiër. Constructivisme (de bewering dat feiten afhankelijk zijn van theorieën) impliceert relativisme.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Relativisme - Wittgenstein II

A

Houdt in dat de waarheid afhankelijk is van de constructie. Als men bijvoorbeeld de afbeelding hieronder bekijkt, kan men, afhankelijk van de theorie die men heeft, beweren dat het een afbeelding is van een vaas of van twee gezichten die tegenover elkaar staan. De zinnen “dit is een vaas” of “dit zijn twee gezichten” zijn waar of onwaar, afhankelijk van de constructie die men heeft. Tegelijkertijd impliceert relativisme ook constructivisme, want door te zeggen dat de waarheid van een theorie afhangt van de constructie van de werkelijkheid, wordt geïmpliceerd dat de werkelijkheid wordt geconstrueerd op basis van een theorie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Verschil constructivisme en relativisme

A

Constructivisme is een theorie over feiten, terwijl relativisme een theorie is over de waarheid van zinnen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wittgenstein I

A

Stelde dat de betekenis van een woord afhangt van de referentie waarnaar het verwijst. Met andere woorden, een betekenisloze zin is iets dat geen verwijzing heeft naar iets in de waarneembare wereld. Daarom heeft bijvoorbeeld de zin “de ziel is onsterfelijk” geen betekenis volgens Wittgenstein I.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wittgenstein II

A

Anderzijds stelt Wittgenstein II (Wittgenstein in zijn latere jaren) dat de betekenis van een zin afhangt van het gebruik ervan binnen een bepaalde context. Hij noemt dit een taalspel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Taalspel

A

De context waarin woorden worden gebruikt bepaalt hun betekenis. Zo kan bijvoorbeeld de zin “de ziel is onsterfelijk” betekenis hebben in een religieuze context. De betekenis van een zin is nu dus niet afhankelijk van wat hij aangeeft, maar van hoe mensen hem gebruiken. Aangezien er veel verschillende taalspellen zijn, kunnen woorden verschillende betekenissen hebben. Een woord (b.v. ‘God’) kan betekenis hebben in het ene taalspel, zoals religie, maar niet in een ander taalspel, zoals wetenschap. In een taalspel zijn er bepaalde regels die bepalen hoe een woord wordt gebruikt en wat de betekenis ervan is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Privétaal is onmogelijk - Wittgenstein II

A

Dit verwijst naar een taal waarvan de betekenis slechts door één persoon begrepen kan worden. Sommige empiristen geloven in het bestaan van privé taal.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Drie premissen binnen het empiristisch argument voor privétaal

A

 Premisse 1: betekenis is afhankelijk van referentie
 Premisse 2: psychologische termen verwijzen naar/refereren aan subjectieve toestanden
 Premisse 3: Inverted spectrum/omgekeerd spectrum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Het omgekeerde spectrum

A

Betekent dat iemands kleurenspectrum omgekeerd is ten opzichte van het kleurenspectrum van een ander. Kleuren zijn secundaire eigenschappen, dus men kan niet zeker weten of de kleur ‘blauw’ dezelfde ervaring teweegbrengt. Daarom weet alleen de persoon zelf wat hij met een bepaalde kleur bedoelt. Hetzelfde geldt voor de ervaring van pijn. Men kan dus alleen zelf weten waar de eigen psychologische termen naar verwijzen. Volgens de empiristen bestaat er dus wel degelijk een eigen taal.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Privé taal argument - Wittgenstein II

A

Hij beweert dat taalregels openbaar moeten zijn: je moet kunnen zeggen dat iemand een woord verkeerd gebruikt. Er zijn een aantal grammaticale en logische regels die leiden tot consistentie in het woordgebruik. Deze regels kunnen in de loop der eeuwen enigszins veranderen, maar deze verandering is niet radicaal. Anders zou de taal onbegrijpelijk worden, niet alleen voor anderen maar ook voor je toekomstige zelf. Als je bijvoorbeeld een boodschappenlijstje schrijft in een privé-taal waarin het woord “smurf” wordt gebruikt om verschillende soorten boodschappen aan te duiden, zul je, eenmaal in de supermarkt, geen idee hebben wat je eigenlijk moet kopen. Daarom is er privé-taal niet mogelijk.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wittgenstein II verwerpt daarom het bestaan van privé-talen en stelt dat een taalspel meer is dan alleen de taal

A

Het is ook de context waarin zij wordt gebruikt. Hij wijst er ook op dat het mogelijk is de betekenis van een woord te leren in een andere context. Het is dus niet duidelijk of Wittgenstein II een relativist/constructivist was of niet, maar hij heeft zeker relativisten beïnvloed.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Thomas Kuhn

A

Thomas Kuhn promoveert in 1949 in Natuurkunde aan Harvard. Tussen 1949 en 1979 wordt hij gezien als wetenschapshistoricus in Harvard en California. Vanaf 1979 tot 1996 wordt hij naast wetenschapshistoricus ook gezien als filosoof in Boston. Thomas Kuhn was een constructivist en een relativist.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

De Logisch Positivisten en Popper wilden een demarcatiecriterium (normatief), maar het project om een demarcatiecriterium te vinden is mislukt.
Hoe dacht Thomas Kuhn hierover?

A

Thomas Kuhn geeft ons niet nog een demarcatiecriterium, maar wil beschrijven hoe wetenschap zich ontwikkelt. Dit doet hij op een beschrijvende benadering (in plaats van een normatieve).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Beschrijvende benadering - Thomas Kuhn

A

Hoe komen wetenschappelijke theorieën tot stand? Zonder theorie is er enkel chaos van verschijnselen. We hebben dus een theorie nodig die de zaak ordent een aangeeft welke verschijnselen voor ons van belang zijn. Zo’n theorie is een paradigma.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Waarom zijn er theorieën nodig volgens Thomas Kuhn?

A

Om orde te schappen in waargenomen verschijnselen. Bovendien stelt hij dat de waarheid altijd relatief is voor een groep wetenshappers in een bepaalde periode met een bepaald paradigma.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Paradigma

A

De som van geaccepteerde theorieën, methodologieën, handleidingen en technieken.

17
Q

Verschil Wittgenstein II en Thomas Kuhn

A

Waar Wittgenstein II dus spreekt van een taalspel, spreekt Kuhn van een paradigma.

18
Q

Voorbeelden van een paradigma

A

De Copernicaanse astronomie, Newtoniaanse mechanica en Freudiaanse psychoanalyse. Bij de Newtoniaanse Mechanica werd aangenomen dat de hele natuur moet worden verklaard als mechanisch systeem waarvan de werking onderhevig is aan alle krachten en dat gehoorzaamt aan de bewegingswetten van Newton.

19
Q

Kuhn beweert dat er vier stadia zijn in de wetenschappelijke ontwikkeling

A
  1. Voorwetenschappelijke periode
  2. Paradigma (normale wetenschap)
  3. Vertrouwenscrisis (abnormale wetenschap)
  4. Wetenschappelijke revolutie, nieuwe paradigma (normale wetenschap)
20
Q
  1. Voorwetenschappelijke periode
A

Een ongeorganiseerde verscheidenheid aan activiteiten. Structuur ontbreekt en er is geen educatief verband of activiteit die de naam ‘wetenschap’ krijgt.

21
Q
  1. Paradigma (normale wetenschap)
A

Een paradigma (bijv. Newtoniaanse mechanica) wordt aanvaard en men neemt aan dat de kennis over de wereld juist is. Dat men denkt dat er kennis is in de wetenschap is geen gebrek aan kritisch vermogen maar een teken van volwassenheid. Er zijn echter altijd anomalieën en onopgeloste vragen in een paradigma (het paradigma is nooit sluitend). Dit betekent dat er puzzels kunnen zijn die moeten worden opgelost. Dit is wat de meeste wetenschappers tijdens hun carrière doen en wat vooruitgang in de wetenschap betekent.

22
Q
  1. Vertrouwenscrisis (abnormale wetenschap)
A

Een abnormale wetenschapsfase doet zich voor wanneer er te veel problemen zijn met een paradigma, de voorspellingen ervan steeds weer worden vervalst en mensen het paradigma niet langer vertrouwen, ook al werken ze er nog binnen. Deze periode kan worden afgesloten hetzij door het vertrouwen in het paradigma te herwinnen (door de meeste problemen ervan op te lossen) en terug te keren naar de normale wetenschap, hetzij door over te gaan tot een wetenschappelijke revolutie, waarna een nieuw paradigma wordt aanvaard. Deze overgang van het ene naar het andere paradigma is eerder een radicale breuk dan een geleidelijke overgang. Het nieuwe paradigma is onverenigbaar met het oude; het is een rivaal.

23
Q
  1. Wetenschappelijke revolutie, nieuwe paradigma (normale wetenschap)
A

De wetenschappelijke revolutie van Kuhn is te vergelijken met een politieke revolutie. In beide gevallen is de situatie niet zoals gewenst, dus wordt het systeem veranderd. Er is een verschil in taal tussen het oude en het nieuwe systeem, waardoor problemen niet worden opgelost, en een revolutie plaatsvindt. De revolutie is geslaagd wanneer de meerderheid het nieuwe paradigma aanvaardt en er dus een paradigmaverschuiving plaatsvindt, en een terugkeer naar de normale wetenschap met het nieuwe paradigma op zijn plaats. Kuhn merkt op dat een paradigma alleen kan worden verlaten als een alternatief beschikbaar is: “het besluit om een paradigma te verwerpen is altijd tegelijkertijd het besluit om een ander paradigma te aanvaarden, en het oordeel dat tot het besluit leidt omvat de vergelijking van beide paradigma’s met de natuur en met elkaar” (Kuhn, 1962). Bij de aanname van een nieuw paradigma is volgens Kuhn echter geen sprake van groei van kennis wanneer paradigma’s elkaar afwisselen, want er is sprake van een reconstructie, wat duidt op een nieuw begin. Er kan alleen sprake zijn van kennisgroei binnen een paradigma zelf en niet tussen paradigma’s. Kuhn vindt niet dat een nieuw paradigma beter is dan het vorige, of dat het tot nieuwe kennis leidt; het is gewoon anders.

24
Q

Kuhns idee dat er geen groei van kennis is bij paradigmaverschuivingen gaat in tegen de opvatting van Popper, volgens welke kennisverwerving plaatsvindt door te leren van onze fouten (negatieve weg naar de waarheid).

A

Kuhn stelt dat groei van kennis alleen mogelijk is binnen een paradigma, en dat er geen cumulatieve toename van kennis is tijdens een revolutie. Dit komt omdat het nieuwe paradigma volgens hem geen uitbreiding is van het vorige, maar eerder een reconstructie van het veld vanuit nieuwe grondbeginselen.

25
Kuhn ontwikkelt de onvergelijkbaarheidsthese (incommensurability thesis)
Volgens welke verschillende paradigma's onvergelijkbaar zijn. Dit betekent dat ze niet rationeel vergelijkbaar zijn, omdat de betekenis en de referentie van woorden zijn veranderd. Bijvoorbeeld, ‘Aarde’ betekende vroeger centrum van het universum. Verschillende paradigma’s genereren verschillende wereldbeelden/werelden. Thomas Kuhn maakte daarom een radicale conclusie.
26
Dit gaat in tegen de logisch positivistische visie volgens welke we, omdat er objectieve feiten zijn ook al is er onenigheid mogelijk, altijd over dingen kunnen praten.
Volgens Kuhn, die constructivist en relativist is, hebben mensen geen toegang tot objectieve feiten. Daarom kunnen mensen die verschillende paradigma's aanvaarden niet rationeel discussiëren, omdat verschillende paradigma's uitgaan van verschillende werelden. Mensen construeren de wereld op een andere manier, dus dezelfde woorden hebben verschillende betekenissen, en mensen die een nieuw paradigma hebben aanvaard leven letterlijk in een andere wereld. Dit verklaart ook waarom een nieuw paradigma niet beter is: we hebben geen toegang tot objectieve feiten, dus we weten niet of het ene paradigma objectieve feiten beter beschrijft dan het andere. Bovendien, als je eenmaal een nieuw paradigma accepteert, is het een gestalt-switch, in die zin dat je niet meer terug kunt naar het vorige.
27
Welk onbedoelde demarcatiecriterium kan worden getrokken uit de ideeën van Kuhn?
Namelijk dat echte wetenschap een paradigma heeft. Op basis hiervan is de vraag of psychologie een wetenschap is, niet eenduidig te beantwoorden.
28
Wat stelt David Palermo?
Dat de psychologie een wetenschap is waarin het eerste paradigma het introspectionisme was. Er was ook een crisis waarna een revolutie leidde tot het behaviorisme.
29
Waarom is Neil Warren het niet eens met Palermo?
Volgens Warren was het behaviorisme alleen bekend in Amerika en niet in Europa. Er was dus geen consensus (één algemeen aanvaard paradigma) onder wetenschappers.
30
Conclusie of psychologie een echte wetenschap is
Kortom, het is niet duidelijk of psychologie een echte wetenschap is of niet, gebaseerd op het demarcatiescriterium van ‘het hebben van een paradigma’. Het is echter duidelijk dat Kuhn op een demarcatiescriterium stuitte, ook al was het onbedoeld. Voorbeeld Met een Gestalt-switch willen we zeggen dat iets wat voor de wetenschappelijke revolutie bijvoorbeeld een cavia was, nu (na de revolutie) een hamster is. Hierbij is het onmogelijk om terug te gaan. "