Chapter 3 Flashcards

(29 cards)

1
Q

Directe observatie

A

Een gedragsmaat waarbij de wetenschapper het gedrag dat bestudeerd wordt rechtstreeks observeert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Oogbewegingstracking

A

Een gedragsmaat waarbij een apparaat meet waar de deelnemer gedurende de tijd naar kijkt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Populatie

A

Een groep mensen die een onderzoeker wil bestuderen en waarover conclusies getrokken worden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Steekproef

A

Een deel van een populatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Willekeurige steekproef

A

Een uitstekende methode van steekproeftrekking in onderzoek waarbij elk lid van de populatie een gelijke kans heeft om in de steekproef te worden opgenomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Probabilistische steekproef

A

Een uitstekende methode van steekproeftrekking in onderzoek waarbij elk lid van de populatie een bekende kans heeft om in de steekproef te worden opgenomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Probleem van weigering of non-respons

A

Het probleem dat sommige mensen weigeren deel te nemen aan een seksenquête, waardoor het moeilijk wordt een willekeurige steekproef te bestuderen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Vrijwilligersbias

A

Een vertekening in de resultaten van seksenquêtes die ontstaat wanneer sommige mensen weigeren deel te nemen, waardoor degenen die wél deelnemen vrijwilligers zijn die in bepaalde opzichten kunnen verschillen van degenen die weigeren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Gemakssteekproef

A

Een steekproef die op een willekeurige of gemakzuchtige manier wordt gekozen ten opzichte van de populatie van interesse. Dit is geen willekeurige of probabilistische steekproef

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Opzettelijke vervorming

A

Het opzettelijk geven van valse informatie in een enquête

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Test-hertest betrouwbaarheid

A

Een methode om te testen of zelfrapportages betrouwbaar of nauwkeurig zijn; deelnemers worden geïnterviewd (of krijgen een vragenlijst) en vervolgens op een later tijdstip opnieuw geïnterviewd om te bepalen of hun antwoorden beide keren hetzelfde zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Computerondersteund zelfinterview

A

Een methode van gegevensverzameling waarbij de respondent vragenlijsten op een computer invult. Voor jonge kinderen of slecht lezende personen kunnen koptelefoons en een geluidsbestand met de voorgelezen vragen worden toegevoegd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Informed consent

A

Een ethisch principe in onderzoek waarbij mensen het recht hebben om vóór deelname geïnformeerd te worden over wat er van hen verwacht wordt in het onderzoek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Principe van rechtvaardigheid

A

Een ethisch principe in onderzoek dat stelt dat de risico’s van deelname eerlijk over de verschillende groepen in de samenleving moeten worden verdeeld, net zoals de voordelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Kosten–batenbenadering

A

Een benadering om de ethiek van een onderzoek te analyseren, gebaseerd op het afwegen van de kosten van het onderzoek (zoals de tijd van de deelnemers, stress voor de deelnemers, enz.) tegen de baten van het onderzoek (zoals het verkrijgen van kennis over menselijke seksualiteit)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Diversiteitwetenschap

A

Een benadering die bekijkt hoe mensen groepsverschillen creëren, deze verschillen interpreteren en de groepsverschillen in de loop van de tijd behouden; daarnaast suggereert het betere onderzoeksmethoden, vooral wanneer het onderwerp ras betreft

17
Q

The Major Sex Surveys

A

The Kinsey Report (5300 mannen en 5940 vrouwen geïnterviewd), The NHSLS (79% repsons rate op hun oproep, maar geld voor 3432 interviews) en The NSSHB (5865 adolescenten en volwassenen)

18
Q

Sneeuwbalsampling

A

Een methode om een steekproef van mensen te verkrijgen waarbij bestaande deelnemers namen van toekomstige deelnemers aandragen om te worden gerekruteerd. Wordt ook respondent-gestuurde steekproeftrekking genoemd

19
Q

Inhoudsanalyse (content analysis)

A

Een verzameling procedures die wordt gebruikt om geldige conclusies te trekken uit teksten

20
Q

Intercoderbetrouwbaarheid

A

In inhoudsanalyse de correlatie of het percentage overeenstemming tussen twee coders die onafhankelijk dezelfde teksten beoordelen

21
Q

Kwalitatief onderzoek

A

Een verzameling naturalistische, holistische methoden, waaronder participerende observatie en diepte-interviews, waarbij de resultaten niet in cijfers maar in woorden worden weergegeven

22
Q

Etnografie

A

Een onderzoeksmethode die wordt gebruikt om een beschrijving te geven van een menselijke groep, een sociale omgeving of een samenleving

23
Q

Deelnemer-observatietechniek

A

Een onderzoeksmethode waarbij de wetenschapper onderdeel wordt van de gemeenschap die bestudeerd wordt en observaties doet van binnenuit de gemeenschap

24
Q

Correlatiestudie

A

Correlatiestudie

25
Experiment
Een type onderzoek waarbij één variabele (de onafhankelijke variabele) wordt gemanipuleerd door de onderzoeker, terwijl alle andere factoren constant worden gehouden; de onderzoeker kan vervolgens de effecten van de onafhankelijke variabele op een gemeten variabele (de afhankelijke variabele) bestuderen. De onderzoeker mag causale conclusies trekken over de effecten van de onafhankelijke variabele op de afhankelijke variabele
26
Causale conclusie
Het trekken van de conclusie dat een factor daadwerkelijk een uitkomst veroorzaakt of beïnvloedt
27
Meta-analyse
Een statistische methode waarmee de onderzoeker de resultaten van alle eerdere studies over een bepaalde vraag kan combineren om te zien wat deze gezamenlijk zegge
28
Prevalentie
Het percentage mensen in een populatie dat een bepaald gedrag vertoont of een bepaalde aandoening heeft op een specifiek moment
29
Correlatie
Een getal dat de relatie tussen twee variabelen meet