Chapter 5 Flashcards

(44 cards)

1
Q

Prenatale periode

A

De periode van conceptie tot de geboorte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Hormonen

A

Chemische stoffen die door de endocriene klieren in de bloedbaan worden afgescheiden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Testosteron

A

Een hormoon dat door de teelballen bij mannen wordt afgescheiden (en ook in lagere hoeveelheden bij vrouwen voorkomt)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Androgenen

A

Een groep geslachtshormonen, waarvan testosteron er één is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Oestrogenen

A

Een groep geslachtshormonen, waarvan estradiol er één is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Progesteron

A

Een geslachtshormoon dat wordt afgescheiden door de eierstokken en ook door de teelballen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Hypofyse

A

Een kleine endocriene klier aan de onderzijde van de hersenen, onder de hypothalamus; de hypofyse is belangrijk voor het reguleren van het niveau van geslachtshormonen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Hypothalamus

A

Een klein hersengebied dat belangrijk is voor het reguleren van veel lichaamsfuncties, waaronder de werking van geslachtshormonen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Follikelstimulerend hormoon FSH

A

Een hormoon dat door de hypofyse wordt afgescheiden; het stimuleert de ontwikkeling van follikels bij vrouwen en de productie van sperma bij mannen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Luteïniserend hormoon LH

A

Een hormoon dat door de hypofyse wordt afgescheiden; het reguleert de afscheiding van oestrogenen, de ontwikkeling van eicellen en de productie van testosteron

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

GnRH

A

Een hormoon dat door de hypothalamus wordt afgescheiden en de afgifte van gonadestimulerende hormonen door de hypofyse reguleert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

HPG-as (Hypothalamus-hypofyse-gonaden-as)

A

De negatieve terugkoppelingslus die de productie van geslachtshormonen reguleert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Inhibine

A

Een hormoon dat door de teelballen en eierstokken wordt afgescheiden en de FSH-spiegel reguleert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

GnIH (Gonadotropin-inhibitory hormone)

A

Een hormoon dat door de hypothalamus wordt geproduceerd en tegengesteld werkt aan GnRH

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Prolactine

A

Een hypofysehormoon dat de melkproductie door de melkklieren stimuleert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Oxytocine

A

Een hypofysehormoon dat de melkuitdrijving uit de tepels stimuleert en de samentrekkingen van de baarmoeder tijdens de bevalling bevordert

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

SRY

A

Staat voor sex-determining region Y-chromosoom

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Müllerse kanalen

A

Kanalen die zowel bij mannelijke als vrouwelijke foetussen aanwezig zijn; bij mannen degenereren ze, en bij vrouwen ontwikkelen ze zich tot de eileiders, de baarmoeder en het bovenste deel van de vagina

19
Q

Wolffse kanalen

A

Kanalen die zowel bij mannelijke als vrouwelijke foetussen aanwezig zijn; bij vrouwen degenereren ze, en bij mannen ontwikkelen ze zich tot de epididymis, de zaadleider (vas deferens) en de zaadleiderbuis (ejaculatory duct)

20
Q

Endocriene verstorende stoffen

A

Chemische stoffen in het milieu die het endocriene systeem beïnvloeden en schadelijke effecten veroorzaken bij dieren, inclusief de mens

21
Q

Cryptorchidisme

A

Niet-ingedaalde teelballen; de aandoening waarbij de teelballen tijdens de prenatale ontwikkeling niet zoals normaal in de balzak afdalen

22
Q

Epigenetica

A

De studie van functionele veranderingen aan DNA die de genetische code zelf niet veranderen, maar wel leiden tot veranderingen in genexpressie. Vaak betreft een epigenetische verandering methylatie, waarbij een methylgroep wordt toegevoegd aan de base cytosine in het DNA

23
Q

Homologe organen

A

Organen bij mannen en vrouwen die zich ontwikkelen uit hetzelfde embryonale weefsel

24
Q

Analoge organen

A

Organen bij mannen en vrouwen die vergelijkbare functies hebben

25
Intersekse
Een toestand waarbij een individu een mengeling van mannelijke en vrouwelijke voortplantingsstructuren heeft, waardoor bij de geboorte niet duidelijk is of het individu mannelijk of vrouwelijk is
26
Congenitale bijnierhyperplasie (CAH – Congenital adrenal hyperplasia)
Een aandoening waarbij een genetisch vrouwelijk individu tijdens de prenatale periode te veel androgenen produceert, waardoor het bij de geboorte mannelijke ogende geslachtsdelen heeft
27
Androgeenongevoeligheidssyndroom
Een genetische aandoening waarbij het lichaam niet reageert op androgenen, waardoor een genetisch mannetje kan worden geboren met een vrouwelijk ogend lichaam
28
Puberteit
De periode waarin de geslachtsklieren (gonaden), andere geslachtsorganen en secundaire geslachtskenmerken plotseling groeien en rijpen, waardoor het individu in staat wordt tot voortplanting
29
Menarche
De eerste menstruatie
30
Leptine
Een hormoon dat verband houdt met het begin van de puberteit
31
Kisspeptine
Een hormoon dat betrokken is bij het starten van de puberale ontwikkeling
32
Bijnieren (adrenal glands)
Endocriene klieren die net boven de nieren liggen; bij vrouwen zijn ze belangrijke producenten van androgenen
33
Adrenarche
Tijdens de kindertijd de rijping van de bijnieren, wat leidt tot een verhoogde afscheiding van androgenen
34
Follikelfase (follicular)
De eerste fase van de menstruatiecyclus, beginnend net na de menstruatie, waarin een eicel rijpt ter voorbereiding op de ovulatie
35
Ovulatie
Het vrijkomen van een eicel uit de eierstokken; de tweede fase van de menstruatiecyclus
36
Luteale fase
De derde fase van de menstruatiecyclus, die volgt op de ovulatie
37
Corpus luteum
De celmassa van het follikel die overblijft na de ovulatie; het scheidt progesteron af
38
Menstruatie
De vierde fase van de menstruatiecyclus, waarin het endometrium van de baarmoeder wordt afgestoten en als menstruatiebloed wordt uitgestoten
39
Dysmenorroe
Pijnlijke menstruatie
40
Prostaglandinen
Chemische stoffen die door de baarmoeder worden afgescheiden en de baarmoederspieren laten samentrekken; ze veroorzaken pijnlijke menstruatie
41
Endometriose
Een aandoening waarbij het endometrium abnormaal buiten de baarmoeder groeit; het symptoom is bijzonder pijnlijke menstruaties met overmatig bloedverlies
42
Amenorroe
Het uitblijven van menstruatie
43
Premenstrueel syndroom (PMS)
Een combinatie van ernstige fysieke en psychologische symptomen, zoals depressie en prikkelbaarheid, die optreden net voor de menstruatie
44
Premenstruele dysforische stoornis (PMDD)
Een diagnostische categorie in de DSM, gekenmerkt door symptomen zoals verdriet, angst en prikkelbaarheid in de week vóór de menstruatie